Nummer 9: september 2015

Kabouters Het Huis met de Kabouters

Architectonische kermis op de Ceinturbaan


Op de halte Amsteldijk van tram 3 staat menigeen naar boven te staren. Wan daartegenover {Ceintuurbaan 251-253) staat het uitbundig gedecoreerde Huis met de Kabouters. Met zwierige daken, opvallende erkers en vrolijk geschilderd houtsnijwerk, en volop allegorische figuren.
Niet verbazend dus dat dit een van de panden is waarvoor uw aandacht wordt gevraagd op de komende Open Monumentendagen, waar dit jaar het kunstzinnige ambacht het thema is.


Dit had eigenlijk ook een verhaal kunnen zijn in onze serie ‘Stadslegenden’. De verhalen over dít huis hebben allemaal te maken met de twee reusachtige houten kabouters (ze zijn tweeënhalve meter hoog…) die zitten op de zijkant van de dakkapellen van nummer 251 en 255. De rechter kabouter (die van 255) staat op het punt een rode bal over te gooien naar de ander. Volgens de van ouder op kind in de buurt doorvertelde verhalen dóet hij dat soms ook echt – volgens sommigen dagelijks om middernacht, volgens anderen met Nieuwjaar of op 29 februari in schrikkeljaren. Na jarenlang onderzoek nachtelijk onderzoek moeten we hier vraagtekens bij zetten. Die kabouters zijn ook niet gek. Kennelijk wordt de bal alleen wordt gegooid als niemand kijkt.
Een andere vraag is: waarom zitten die kabouters daar? De eerste verklaring is dat bij de bouw in 1884-1885 de oorspronkelijke aannemer failliet dreigde te gaan, maar op de valreep hulp kreeg van een andere aannemer, die hem als het ware ‘de bal toespeelde’. Maar over wie die aannemers dan waren is niets te vinden. Een andere uitleg is dat het een verwijzing is naar de naam van de opdrachtgever, een zekere Van Ballegooijen. Dat klinkt waarschijnlijk. Maar heette die echt zo? Ieder bewijs ontbreekt. Van Ballengooijens waren rond 1885 niet te vinden in Amsterdam; wel een paar Van Ballengoijens (met één ó’). Maar die hadden bescheiden beroepen (melkslijter, ‘werkman’), die het zeer onwaarschijnlijk maken dat zij zo’n kapitaal pand konden laten bouwen. Een volwaardig bouwdossier is er niet meer. Wel weten we uit dagblad De Tijd dat makelaar J.P. Cornelissen in 1890 de eigenaar was. (Hij klaagde bij de gemeente de beroerde riolering op de Ceintuurbaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij vijf jaar eerder de opdrachtgever was.
Opvallend is ook dat we van deze verhalen geen versie kunnen vinden van vóór 1980… (Wie weet meer?) Misschien wás er wel geen enkele diepere bedoeling en was de architect er gewoon op uit
het huis te versieren met levendige schepsels. Ten slotte zien we behalve die kabouters ook her en der mollige engeltjes (‘putti’) en op het dak twee grote groene adelaars. En let ook eens op de tronies in de drie portieken.

Dramatisch jaar
De architect kennen we gelukkig we: Antonius Cornelis Boerma (1852-1908). Hij groeide op in Leiden, maar het grootste deel van zijn leven woonde hij in Amsterdam. Daar trouwde hij in 1878 met Maria Baumann; met haar bewoonde hij achtereenvolgens Alexanderkade 9, Brouwersgracht 55 en Prinsengracht 443. Het jaar 1885, toen het Huis met de Kabouters werd opgeleverd, was tegelijk het meest dramatische in zijn privéleven. Op 26 februari 1885 plaatste het katholieke dagblad De Tijd deze advertentie:
“Nog treurende over het verlies van onzen jongsten Zoon, overleed heden ook onze oudste Lieveling ANTONIUS PETRUS, op den aanvalligen leeftijd van bijna 6 jaren.” Was getekend: “A. C. BOERMA, M. A. C. BOERMA—Baumann, Amsterdam, 22 Febr. 1885.” Toen hadden ze alleen nog hun in 1882 geboren dochter.
Pas net in Amsterdam bouwde hij in 1878 het Bestelhuis voor de Boekhandel (voorloper van het Centraal Boekhuis) op de zuidhoek van de Spuistraat en de Raadhuisstraat. In 1922 moest het plaats maken voor het Telefoongebouw, dat binnenkort een hotel wordt. Hier al toonde Boerma zijn liefde voor monumentale erkers en portieken met spitsbogen. Na het Huis met de Kabouters ontwierp hij in 1886, samen met H.J. Wennekers, nog ‘papiermagazijn’ van Lutkie & Smit, Nieuwendijk 188-190, ook een rijk gedecoreerd pand. Maar nog veel uitbundiger werd café Bisschop, dat van 1899 tot 1934 stond op de hoek van de Dam en het Damrak: met veel nisjes en grote boogramen, en niet te vergeten het al veel oudere beeld van Sint Nicolaas. Maar in opdracht van de gemeente ontwierp hij ook de bebouwing van het Abattoirterrein en de Veemarkt (1887) bij de Cruquiusweg. Dáárvan staan nog een paar panden overeind, in tegenstelling tot bovengenoemde scheppingen.
Boerma was duidelijk een ‘eclectische’ architect: hij combineerde gretig elementen uit allerlei oudere stijlen. Dat zien we ook af aan het Huis met de Kabouters. De combinatie van baksteen en natuursteen herinnert aan de Renaissance, De spitsbogen en de ‘poppetjes’ aan de Gotiek (denk aan de ‘waterspuwers’) van de Notre Dame en het vele houtwerk en de overkragende daken aan de ‘chaletsstijl’. (Tegen 1900 ontdekte de elite Zwitserland als romantische vakantiebestemming.)
In 1885 was de Ceintuurbaan nog voor een groot deel onbebouwd. Op een tekening uit 1886 is te zien dat links van het Huis nog een open ruimte is. Aan de rechterkant herkennen we al wel het huis dat nu (al sinds jaar en dag) café Amstelstroom herbergt. Met zijn breedte van 27 meter en hoogte van 17 meter moet het grote indruk gemaakt hebben op de passanten – al viel het natuurlijk nog in het niet bij de robuuste Sint Willibrordusstraat, die er tot 1970 tegenover stond.

Flinke dienstbode
Wat voor mensen woonde er in het complex, dat aanvankelijk uit zes (huur-)woningen bestond?
Onder de bewoners van de eerste toen jaar domineren de kooplieden en verzekeringsmensen. Maar ook een Kapitein der Marine en een leraar in het boekhouden en handelsrekenen. Hun echtgenotes vroegen in de dagbladen met grote regelmaat om een ‘flinke dienstbode’. In de 20ste eeuw hadden achtereenvolgens de artsen Kropveld en Van der Eijden hier decennialang hun praktijk. En op nummer 251 woonde van 1973 tot 1975 de aankomende toneelschrijver Ton Vorstenboscj, toen nog Toneelschoolstudent.
Tegenwoordig bestaat het complex uit twaalf appartementen. Zeven daarvan worden verhuurd door een vastgoedonderneming; vijf zijn er koopwoningen.
In 1984 (een eeuw nadat A.C. Boerma het ontwerp maakte) werd het Huis met de Kabouters een rijksmonument. In 1988-1989 werd het gerestaureerd, en dat was wel nodig ook. Het houtwerker van de erkers bleek stevig verrot, net als de rechter kabouter, de twee adelaars en diverse putti. De adelaars waren veiligheidshalve al in de jaren zeventig door de brandweer verwijderd en werden op zolder teruggevonen. Net als de kabouter werd zij ten dele opnieuw gesneden uit Amerikaans grenenhout, en kregen een stukje lood op hun kop tegen de zure regen. Maar kennelijk was die restauratie toch niet zo afdoende als het leek. In 2007 brak weer paniek uit, toen een houten ornament naar beneden kwam. Twee jaar lang waren de gevels door steigers aan het zicht onttrokken. Maar nu zijn ze weer een lust voor het oog.


Tijdens de Open Monumentendagen is het bij hoge uitzondering ook mogelijk het Huis van binnen te bekijken. Nou ja, een heel klein stukje: de beletage van het middendeel, Ceintuurbaan 253 hs, bewoond door duurzaamheids-adviseur Matty van Eeuwijk em kindertherapeute Sacha de Graaf met hun jonge kinderen. Vergeleken met de buitenkant in dat interieur opvallend sober, al is het zeker charmant, met een monumentale schouw, fraai stucwerk aan de plafonds en de bovenlichten met glas-in-lood. En niet te vergeten de sierlijke veranda. Aardig is ook dat de bordjes ‘wachtkamer’ en ‘spreekkamer’ nog steeds herinneren aan de jaren 1947-1991’, toen dokter Th. J. van der Eijden hier praktijk hield.