Nummer 5: Mei 2015

05-2015 cover 145x205











Uitverkocht

 Op de omslag: Deelnemers aan het Festival of Fools (tegenhangenr van het Holland FEstival) voor het Shaffy Theater.

De inhoud van het tijdschrift:

-De Amsterdamse voorloper van Madame Tussauds

-De laatste bewoners van het Burgerweeshuis

-'Shaffy, het theater waar alles kan'

-Artis-boegbeeld Frits Portielje

-Weg met het gebroken geweertje

En verder:

-Hier gebeurde het: Chinsese maffiamoord

-Vaste route: Maureen van der Pligt

-Stemmen uit het verleden: Piet Römer


05-2015-Panopticum

Nederlands eerste wassenbeeldenmuseum het Panopticum opende op 17 juli 1882 in de Amstelstraat. Vooral het griezelkabinet was populair. In september, als de toegangsprijzen tijdelijk gehalveerd waren, kwamen Jordanese gezinnen massaal naar ''t Pan' voor hun jaarlijkse uitstapje

Er was zelfs een bordspel van het Nederlandsch Panopticum. Het wassenbeeldenmuseum dat op 17 juli 1882 opende in een weelderig pand in de Amstelstraat trok onmiddellijk veel publiek. Liefkozend werd 't 'het Pan' genoemd door de Jordanezen, die er eens per jaar met het hele gezin in de goedkope maand september heengingen, vooral om te griezelen in het gruwelkabinet. De populariteit van de beroemde en beruchte beelden duurde tot de Eerste Wereldoorlog.


Voor Madame Tussauds op de Dam staat meestal een rij, soms tot ver om de hoek. Sinds het filiaal van het Londense wassenbeeldenmuseum in 1971 in de Kalverstraat begon, is de toeloop niet anders geweest. De wonderlijke aanlokkelijkheid van poppen met het uiterlijk van nationale en internationale vips daargelaten, mag het succes gerust vreemd worden genoemd. Een eeuw geleden zakte de belangstelling voor het Nederlandsch Panopticum in de Amstelstraat namelijk zienderogen in. Met de komst van de bioscopen veranderde het uitgaanscentrum rond het Rembrandtplein van karakter. De attractie van wassenbeeldengroepen raakte sleets nu er meer dan levensgroot en bewegend volop actie werd geboden.
In de herfst van 1919 werd het Panopticum onttakeld. Op twee drukbezochte veilingdagen ging de complete inboedel de deur uit. "De koningin lag in zwijm tegen den muur geleund" en haar gemaal prins Hendrik staarde "in doffe, machtelooze wanhoop" de zaal in, zag de verslaggever van de Nieuwe Rotterdamse Courant. "Zo vergaat aardsche grootheid!" Hij vergeleek de executie met een slavenmarkt waarop gelukkige families "wreedaardelijk uiteen gerukt" werden. Boven een al even badinerende reportage kopte De Telegraaf: "De Amsterdamsche beeldenstorm van 1919". De toon paste bij de tijdgeest. Nog geen jaar tevoren was de verwoestende Grote Oorlog beëindigd. De Duitse ex-keizer Wilhelm, inmiddels woonachtig op Nederlands grondgebied, werd op f 60,- afgehamerd. Zijn evenknieën deden nog minder, onder hen de ex-tsaar aller Russen, die in de rokerige zaal op gejoel van Poolse beursspeculanten kon rekenen. Het Volk, toch al geen vorstelijk aanhanger, noteerde uit de mond van een koopmannetje: "Koningen en keizers, prinsen en prinsies, ze zijn tegenwoordig niks niemendal meer waard."

Natuurgetrouwe kunst
Alle kranten hadden 37 jaar eerder vrijwel zonder uitzondering gejubeld over de aanwinst in de Amstelstraat. Een panopticum! Het werd beschouwd als een volgende stap op het gebied van de aanschouwelijke kunst. Met panorama's was eerder die eeuw de 'jacht op natuurgetrouwheid' begonnen, de realistische revolutie. Voor dat realisme moest een prijs worden betaald. Begin 1881 werd de stad opgeschrikt door het nieuws dat "Roetemeijer wordt verbouwd!". Het geliefde 'ververschingschlokaal' met tuin, waar menig Amsterdammer zijn eerste potje 'Beiersch' bier nuttigde, ging wijken voor alwéér een initiatief van ondernemende Amsterdammers. In die bouwlustige jaren verrezen tal van gebouwen, vaak monumentaal en opvallend van uiterlijk, geëxploiteerd door heren die het algemeen nut wilden dienen: het Aquarium, de Parkschouwburg en nu dus ook een wassenbeeldenmuseum. Lodewijk Roetemeijer verkocht zijn terrein van 1300 vierkante meter aan de NV tot Exploitatie van het Nederlandsch Panopticum, die f 1 miljoen kapitaal bijeenbracht. De brochure voor de uitgifte van aandelen beloofde aandacht voor historie, etnografie, kunst en wetenschap. Het panopticum diende "iets meer dan louter een plaats van ontspanning" te zijn.
De bekende Amsterdamse aannemers Cerlijn en De Haan wonnen de inschrijving en in minder dan een jaar werd achter de schuttingen in de smalle ongeplaveide straat tussen Amstel en Rembrandtplein een weelderig paleis opgetrokken. De bouw verliep niet zonder opstartproblemen. Bij het leggen van de fundering raakte een van de werklieden zwaargewond en de buurman van het belendende sigarendepot procedeerde over het verdwijnen van de passage waar zijn clientèle gebruik van maakte. De rechter gaf hem gelijk, waardoor de architect Theo Sanders zijn ontwerp moest aanpassen.
Op reportage langs diverse buitenlandse voorbeelden zag een verslaggever van het Algemeen Handelsblad onder meer Dresden, dat hem onaangenaam trof "als een lijkenhuis". In Berlijn bleek de enige levende ziel Adolph Wilhelm Krasnapolsky te zijn. De hotelier had gespeeld met het idee voor een panopticum "met tafereelen uit Hildebrand, Van Lennep en andere gevierde schrijvers". Nu zag hij ervan af, maar hij hoopte dat de ontwerpers van de galerij in het lokaal van Roetemeijer er hun voordeel mee konden doen.

Snakkende boezem
Bij de opening van het Panopticum in juli 1882 schreef men dat het kon wedijveren met het wereldberoemde museum van Madame Tussaud in Londen en vooral met dat van de gebroeders Louis en Gustave Castan in de Berlijnse Kaisergalerie. Dat laatste lag nogal voor de hand: de Berlijnse beeldhouwer Castan had in een atelier in het Paleis voor Volksvlijt de wassenbeelden gefabriceerd. Zijn medewerking verklaarde het zwaartepunt van de opstelling: vorsten uit het huis Hohenzollern, geen Willem van Oranje. Wel Goethe, Schiller en Lessing, maar niet de suggesties van Krasnapolsky. Behalve enkele sprookjesgroepen was de enige literaire voorstelling nummer acht in de catalogus: Marguerite Gautier. Met haar middels een ingenieuze machine naar adem snakkende boezem zou de geliefde van de Franse schrijver Alexandre Dumas fils voor een goede opbrengst zorgen op de veiling in 1919: f 220,-, inclusief vitrine.
Gekroonde hoofden, adellijke, pauselijke en militaire vips vormden de hoofdmoot van de 190 objecten en groepen. Onder de beroemdheden was slechts een kwart Nederlands, onder wie Michiel de Ruyter, Hugo de Groot en als enige vrouw de toneelspeelster Maria Kleine-Gartman. Ze moesten opboksen tegen Charles Darwin, Emil Zola, Louis Pasteur, Richard Wagner en Zoeloekoning Cetshwayo. Het viel de pers wel op.
Groot enthousiasme oogstte het rijkversierde gebouw. Het museum betrad men via voorname trappen naar de bovenetage. "Als Sire het Panopticum bezoekt, zal hij zich daar als tehuis gevoelen; want – dank zijn welwillendheid – is onder leiding van den bekwamen schilder H. ten Kate de vorstelijke huiskamer in al haar werkelijkheid nagebootst." Hoe anders was de sfeer bij de sluiting in 1919 toen sire's dochter Wilhelmina – inmiddels in gekroonde gedaante – haar troon verliet voor f 90,-. Napoleon te paard ging er voor ƒ155,- ruim overheen.

Generaal eenoog
Vanaf het balkon kon het betalende publiek van het panopticum een blik werpen in de door gebrandschilderde ramen omgeven wintertuin. Op de begane grond heerste Roetemeijer nu over een koffiepaleis met vijf zalen. Het zou tot 1912 een van de best bezochte etablissementen van de stad blijven. Het was fraai gedecoreerd met kopieën van bekende schilderijen van Hendrik Mesdag, Jacob Maris en uiteraard Herman ten Kate, die verantwoordelijk was geweest voor de artistieke aankleding. Aan alles was gedacht en zeker, merkte het Nieuws van den Dag op, "aan de traditie van den tegenwoordigen tijd, waarin niets tot stand schijnt te kunnen komen zonder eene smulpartij, de zorg voor den inwendigen mensch." Een andere schimpscheut betrof "den trek naar het afzichtelijke". Weliswaar scheidde een gordijn het museum van de gruwelkamer met booswichten en folterwerktuigen, maar waarom moest Tussaud hierin toch gevolgd worden!
Een groot pluspunt daarentegen gold de beeldengroep waarin de Atjeh-hoofden hun onderdanigheid betoonden aan generaal Karel van der Heyden. De kleine, maar roemrijke legeroverste leek sprekend met zijn ene oog – het andere was op het slagveld gebleven. Vele duizenden hadden hem na zijn terugkomst in juni 1881 juichend een glorieuze intocht bezorgd. Twaalf jaar later zou de volgende grote overwinning worden vereeuwigd: de sultan van Atjeh had zich op 20 januari 1903 amper onderworpen aan generaal Van Heutsz of de foto die de Padangse fotograaf Christiaan Nieuwenhuis hiervan maakte, ging al naar het Panopticum. Daar kon in november de hele plechtige overgave worden bewonderd, inclusief de jonge kapitein Hendrik Colijn, die een zeer groot aandeel had in de operaties. "Tegenover den generaal, in ootmoed en gelatenheid, onttroond, vernederd, de eenmaal zoo vermetele afstammeling van het vroeger machtige sultansgeslacht!"
Dat waren nog eens actuele onderwerpen! Op de veiling van 1919 ontbrak deze beeldengroep, maar de Indische kampong ging voor f 100,- weg, wat de Telegraaf ontlokte: "Als het origineel ooit aan de beurt komt, moet de minister van Koloniën zich tijdig van hun animeerende aanwezigheid verzekeren."

Beledigde katholieken
De dag vóór de officiële opening was het bouwleger uitgenodigd, met hun gezinnen. Directeur Martin Wolff (een kioskondernemer) prees de 120 mannen die "elf maanden lustig hadden gewerkt en zich nimmer waren te buiten gegaan aan sterken drank". Twee dagen later adverteerden zij hun dank aan het bestuur voor de "genotvollen Feestavond".
Niet iedereen genoot. Dagblad De Tijd maakte groot bezwaar tegen de belediging van de katholieken door de beeldengroep van "een dikke kloosterbroeder van bijna dierlijk voorkomen die zich te midden van wijnvaten en ledige flesschen ongepaste vrijheden veroorlooft tegenover een wanstaltig vrouwmensch". Betere publiciteit kon het Panopticum zich niet wensen. Met 12.000 bezoekers in de eerste paar weken zat de loop er meteen goed in. Men betaalde 50 cent entree, 25 cent voor de catalogus en een kwartje extra voor de gruwelkamer. De prijzen werden vanaf 1883 in september – van oudsher de kermistijd waarmee het theaterseizoen begint – gehalveerd en dat was het moment voor de Jordanezen om hun jaarlijkse uitstapje te maken.
'Het Pan' raakte in dat stadsdeel reuze populair, vooral om het griezelen. De boevenlijst in de catalogus gaf de usual suspects van die dagen weer: opnieuw internationale misdaad, maar nadat de Miljoenenjuffrouw, de sensationele oplichtster Jannetje Struik, was gearresteerd, kwam al snel een Nederlandse aanvulling. Zoals beloofd in de catalogus werden telkens nieuwe beelden en groepen geplaatst. Het koningshuis en andere prominenten gingen geregeld voor verversing naar het atelier op de zolders van het Panopticum. Het spookte er: "Overal kijken hoofden zonder lichaam u aan en staan hoofdelooze lichamen weg te krimpen van pijn. Een beulsoord schijnt het te weezen."
Prins Hendrik arriveerde in maart 1902, een jaar na zijn bruiloft, "vervaardigd door Professor Bart van Hove", zoals een sierlijk aanplakbiljet vermeldde. De prins-gemaal zou trouwens nog lang na de veiling van zijn wassen gestalte als een stijve hark worden gezien – "net een beeld uit het Panopticum".

Laatste adem
De directie deed haar best bezoekers te lokken met nieuwe spektakels. Eind 1911 prees men Naar het middelpunt der aarde aan, waarbij de toeschouwer onder geleide met een lift in druipsteengrotten neerdaalde en daar Mohammeds graf kon bezichtigen en de schatkamer van Aladdin. In diezelfde periode was er ook een reproductie te bewonderen van "La Giaconda, dit jaar uit het Louvre te Parijs gestolen". En de misdaad bleef nooit ver weg van het Panopticum. Ondanks vernieuwingen taande de belangstelling. Het bezoek liep terug van ruim 90.000 in de hoogtijdagen tot minder dan 20.000. Dividend werd er niet meer uitgekeerd.

De architect Willem Kromhout verbouwde de begane grond in 1912 tot een theater- en bioscoopzaal annex wandelgang. Doordat het souterrain er bijgetrokken was, had de ruimte iets weg van een overdekt zwembad. In 1915 kreeg de zaal een grotere toneelopening en meer zitplaatsen. Het heette nu Centraal Theater en was gescheiden van het museum. Op de jaarvergadering bleef men hoopvol, maar de oorlog verminderde het aantal bezoekers drastisch. Ook het wasbedrijf – waar tevens mannequinpoppen werden gemaakt – draaide met verlies. De aandeelhouders gispten in 1916 (de honorering van) de bestuurders. Het staat er nogal herkenbaar: grote verliezen waren ontstaan "doordat de maatschappij in het begin is overgekapitaliseerd, terwijl er een tiental jaren lang een onjuist beheer is gevoerd." De teloorgang was onafwendbaar. "La dame aux camélias" blies haar laatste adem uit, noteerde een van de aanwezigen op de veiling meesmuilend. Een jaar later verschenen de hoofdrolspelers uit de Grote Oorlog in een reizend panopticum. Zo eindigde "aardsche grootheid" op de kermis.
Van het mooie gebouw resten alleen afbeeldingen. De Amsterdamsche Bank, die er in 1919 een miljoen voor neertelde, liet het in 1965 slopen, waarmee ook een einde kwam aan het Centraal Theater. Of ergens nog een wassenbeeld rondwaart, is onbekend.
JESSICA VOETEN IS PUBLICISTE EN JOURNALISTE.

In november 1882 bracht de drukkerij van de Gebroeders Koster "met het oog op de lange winteravonden, St. Nicolaas- en Kerstfeesten" het Panopticum Kinderspel op de markt, een variatie op het ganzenbordspel. Op de middenplaat de vorstelijke huiskamer "in al haar werklijkheid nagebootst" met de tweejarige Wilhelmina en haar ouders. Rondom sprookjesscènes en wassenbeelden uit de actuele opstelling van het moment. Zo staat rechts (1 + 5) de zwendelaarster Jaantje Struik alias de 'Miljoenenjuffrouw', van wie in oktober een beeld was toegevoegd. Ze wordt geflankeerd door Zoeloeleider Cetshwayo en de keizer van Oostenrijk. Voorts poolreiziger Nils Nordenskiöld, generaal Karel van der Heijden, vorsten en regeringsleiders, de Duitse actrice en bedriegster Adèle Spitzeder en Charles Guiteau, moordenaar van de Amerikaanse president Garfield.


 05-2015 -wezenWaar wezen vroeger speelden, heet de nieuwe tentoonstelling in de voormalige wezenkastjes op de binnenplaats van het Amsterdam Museum. Tot 1960 was in het museumgebouw het Burgerweeshuis gevestigd. Van 50 voormalige wezen en leidsters zijn de herinneringen verzameld, waarvan conservator Laura van Hasselt er zeven voor ons heeft uitgekozen.


Het komt vast door het prachtige 17de-eeuwse gebouw. Wie denkt aan het Burgerweeshuis denkt vooral aan lang, lang geleden. Aan tijden waarin de pest nog rondwaarde door Amsterdam en de dood nooit ver weg was. Het weeshuis is inderdaad nooit voller geweest dan in de Gouden Eeuw. Maar wie weet dat het tot 1960 op deze plek heeft bestaan? En dat er sinds de Tweede Wereldoorlog nog honderden kinderen zijn opgegroeid?
Onder de laatste generatie bewoners waren weinig 'volle' wezen. Dat was te danken aan de verbeterde gezondheidszorg in de 20ste eeuw, maar ook aan Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1940 nam de Weermacht het gebouw van de Inrichting voor Stadsbestedelingen in beslag. Stadsbestedelingen waren kinderen die onder toezicht van de stad stonden, omdat hun ouders niet voor hen konden zorgen of om welke andere reden dan ook. Zij gingen vanaf dat moment naar het Burgerweeshuis, waar ze ook na de oorlog bleven. Sommigen maar enkele weken, tot hun ouders weer beter waren, anderen jarenlang.
Interviews met oud-bewoners geven een indringend beeld van het dagelijks leven van al die kinderen, die het tijdelijk of voorgoed zonder hun ouders moesten stellen. De één herinnert zich vooral de vrolijke weeshuisvakanties in Bergen aan Zee, de ander het zondagse wachten op de vader die nooit kwam opdagen. De één denkt terug aan het voetballen op de binnenplaats, de ander aan de eenzaamheid van het samen alleen zijn. Sommigen herinneren zich nog het oude wezenkostuum dat ze op hoogtijdagen moesten dragen. Het eeuwenoude zwart-rode kostuum was afgeschaft in 1919, maar bij bijzondere gelegenheden stond het zo aardig op de foto...
De meeste geïnterviewden zijn positief over de zorg in het Burgerweeshuis. Maar een makkelijke tijd was het voor geen van allen. Hoe kan het ook anders als je eigen ouders niet voor je kunnen zorgen. Omdat ze dood zijn, ziek, gek of gewoon volkomen ongeschikt voor het ouderschap. Dat laat bij ieder kind zijn sporen na. Het is veelzeggend dat de meeste oud-bewoners geen enkel contact met elkaar hadden tot de reünie.

Geen dossiers
Dat is anders bij de oud-leidsters. Een aantal is al die jaren goed bevriend gebleven. Ze waren begin twintig toen ze bij het weeshuis kwamen. Het salaris was laag en het werk zwaar, maar alle geïnterviewde leidsters kijken terug op een bijzondere en mooie tijd in het Burgerweeshuis. Al was het ook voor hen soms tasten in het duister. Dossiers van de kinderen en hun gezinssituatie kregen ze niet in te zien. Je moest als leidster maar raden waar het gedrag van een kind vandaan kwam. Omgekeerd mochten er toen dingen wél die nu niet meer zouden kunnen. Een leidster kon best af en toe een lievelingetje uit het weeshuis een weekend mee naar huis nemen. Dat is tegenwoordig ondenkbaar.
In de loop van de jaren vijftig begon het denken over jeugdopvang te veranderen. Er waren steeds minder wezen, waardoor de grote omvang van de oude weeshuizen niet meer zo praktisch was. Bovendien pasten zulke grootschalige, onpersoonlijke opvangplekken niet meer bij de moderne pedagogische opvattingen. De oude tehuizen maakten plaats voor kleinere opvangeenheden. Liefst een pleeggezin, maar als dat niet kon een omgeving die zoveel mogelijk leek op een 'gewoon' gezin.
Het Burgerweeshuis verhuisde in 1960 van de Kalverstraat naar een nieuw gebouwencomplex aan het IJsbaanpad ontworpen door Aldo van Eyck. Dit nieuwe Burgerweeshuis bood plaats aan 125 kinderen. Jongens en meisjes werden niet meer gescheiden. Er waren geen grote zalen, maar juist kleine, met elkaar verbonden paviljoens, geïnspireerd op het motto: "Een kleine wereld in een grote, een grote wereld in een kleine, een huis als een stad, een stad als een huis, een thuis voor kinderen". Op deze plek vlakbij het Olympisch Stadion heeft het Burgerweeshuis nog tot 1991 bestaan.

Fragmenten uit interviews
Greet Voulgarakis-Gijs (1958-1961)
"De eerste dag dat ik in het weeshuis kwam, werd ik gebracht door mijn schoonzuster. Ze zei: 'We kopen een jurk en dan gaan we zondag naar je moeder toe.' Mijn moeder lag namelijk in het ziekenhuis. Toen kwamen we opeens in een groot pand met een grote poort. Ik dacht, dit is toch geen winkel? Ik werd opgehaald door één van de leidsters. We gingen de binnenplaats op en ik werd gewassen in zo'n grote ouderwetse tobbe. Je bent echt een kind, dus ik zei: 'Waarom word ik gewassen?' Ik was overstuur en ik rende terug, maar mijn schoonzuster was vertrokken. Ik voelde me zó in de steek gelaten."

Metty Reehorst-Valk (leidster, 1949-1954)
"'s Avonds voor het slapen gaan vertelde ik de jongens verhalen. Het liefst een spookverhaal, als het maar goed spannend was. Dan ging ik dat opvoeren, zo door de zaal lopend. Dat vonden ze het mooist. Echt voorlezen deed ik niet. Ik had wel een verhaal en daarop fantaseerde ik verder. Dat vonden ze heel fijn. Ja, en dan had ik ook een opdracht. Ze moesten, je wil het niet geloven, de handen boven de dekens houden. Wist ik met m'n 22 waarom."

Jaap Brinkman (?-1946)
"In het begin kregen we een stenen bord en een lepel mee als we naar school gingen, want op de Elandsgracht was een gaarkeuken. Daar mochten de weeskinderen als eersten naar binnen. In de loop van de tijd sneuvelden er natuurlijk veel van die borden en dan kregen we een conservenblik mee, want dat kon geen kwaad. Daar kregen we soep in. Aardappelsoep, schillensoep of suikerbietensoep. In het weeshuis kregen we brood, allemaal twee boterhammen. Er waren vrij lange tafels, daar mocht je achter gaan zitten, op je stoel. Maar je mocht alleen naar die boterhammen kijken tot het moment dat er werd gezegd: 'eten'. Heel stiekem kon je die onderste boterham er vast uitpulken, zodat alleen die korst er nog lag.
Ik had altijd trek, geen 'honger', ik praat nooit over honger. Honger vind ik wat anders. In de gang van de grote zaal naar de toiletten stond een hele grote kist. Dat heette een hooikist. Daar werd pap, pudding die we 's avonds kregen, gelatinepudding, in gedaan. Er stond dan een pan in voor jongens die later kwamen eten. Waarschijnlijk was er weinig toezicht, want ik kan me nog herinneren dat het handje van Japie in de pan ging."

Marga Bolk (1946-1952)
"We hadden een vakantiehuis in Bergen aan Zee. We gingen daar vier weken naar toe in de zomer. Dan had ik een week lang heimwee naar Amsterdam. En als we weer terug waren, had ik heimwee naar Bergen aan Zee. Het was heel krakkemikkig, dat huis. Het stond min of meer op instorten, maar wij vonden het heerlijk. We hoefden niet zo netjes te doen en er werd niet zo op ons gelet. We hadden geen bedden, maar matrassen op de grond. Als we teruggingen namen we de matrassen weer mee naar Amsterdam. Die gooiden we uit het raam van de eerste etage en dan sprongen de waaghalzen er achteraan. Ik niet hoor! Op een gegeven ogenblik had het weeshuis geen geld meer voor het vakantiehuis. Toen zijn ze gefuseerd. Het volgende jaar was alles geschilderd en waren er hele mooie bedden. Daar vonden wij niks aan, we zeiden: 'Blèh, het lijkt wel een ziekenhuis!'"

Hillie Zobel-Van Geenhuizen (leidster, 1954)
"Zijn we daar toch bijna aan een kind blijven hangen. Een jongetje dat Sammie heette. Hij moet nu 60 zijn. Ik vond Sammie ontzettend leuk en hij mij schijnbaar ook. Ze noemden mij op een gegeven moment allemaal Sammie's moeder. Hij was ruim een jaar toen ik daar kwam. Als hij ziek was, ging ik bij zijn bed zitten in die grote zaal met kinderbedjes. Die jongen krijste ontzettend als mijn dienst erop zat, dan zat 'ie rechtop in dat bedje. Ik mocht hem meenemen naar huis, dat was ook zoiets aparts. Dat zou tegenwoordig ondenkbaar zijn. Ik woonde nog thuis en mijn ouders waren ook zo gek op hem. We kochten van alles voor hem. Ik was tweede op die afdeling. Ik zei: 'Mag ik Sammie meenemen?' en dan mocht hij het hele weekend mee.
Later zeiden mijn ouders: 'Zullen we niet proberen hem als pleeggezin op te nemen?' De Voogdijraad vond een pleeggezin voor hem in Utrecht, net toen we ermee bezig waren. Achteraf gezien veel beter hoor, want dat waren jonge mensen zonder kinderen. Er was afgesproken dat mijn ouders opa en oma zouden worden en ik zijn tante. Na een bezoek toen hij al groter was, wilden die mensen dat niet meer, want die jongen was iedere keer helemaal van slag. We hebben nog een keer een pakket met speelgoed opgestuurd met Sinterklaas of zo. Dat hebben ze ongeopend teruggestuurd en daarna is het contact helemaal verbroken. Wij vonden het heel erg. Het was alsof hij mijn echte kind was."

Marie Wezenberg (1942)
"Ik zat hier met mijn broertje net onder mij, die was zeven. Ik was hooguit achtenhalf. Het was in de oorlogstijd. Ik had nog een vader en een moeder, daarom vonden ze het gek dat ik in een weeshuis zat. Ik denk dat de reden was: de bombardementen. Dat we weg moesten en ze niet wisten waar wij allemaal heen konden, met dertien kinderen in totaal. Dus gingen er hier een paar naartoe en daar. In het weeshuis was denk ik plek voor twee kinderen. Mijn vader kon aardig met de directeur opschieten. Ik vond het hier knus. Het had iets vertrouwelijks. Sommige kinderen kregen bezoek op zondag, maar wij niet. Ik denk dat mijn ouders het daar veel te druk voor hadden. Mijn moeder was om de anderhalf jaar zwanger."

Irene Maas-Meerhoff (1958-1961)
"Je werd hier opgenomen in de massa. We hadden een hoop leidsters die nooit kinderen hadden gehad en zich dus helemaal niet konden inleven. Die hadden al hun kennis uit boekjes. Later dringt dat tot je door, als je zelf kinderen hebt. Je kon echt merken dat ze geen binding hadden met de kinderen, denk je dan. Tenminste, zo heb ik dat ervaren.
Als kind in tehuizen heb je geleerd dat je iedere keer afscheid moet nemen. Eerst toen je klein was en daarna in dat pleeggezin. Dus je hecht je ook aan niemand. Ik was zeventien toen ik wegging uit het Burgerweeshuis. Ik kwam bij oudere mensen op kamers. Ik wilde van al die ellende af. Dan weer hier en dan weer daar. Ik wilde iets voor mezelf. Dat is ook gelukt."
LAURA VAN HASSELT IS CONSERVATOR BIJ HET AMSTERDAM MUSEUM.
MEER LEZEN: WWW.HART.AMSTERDAMMUSEUM.NL/BURGERWEESHUIS
LODEWIJK WAGENAAR, IN HET WEESHUIS. DE ZORG VOOR DE BURGERWEZEN VAN AMSTERDAM 1580-1960 (AMSTERDAM, 2009)

Ruim 60 oud-bewoners en -leidsters van het Burgerweeshuis kwamen in februari bijeen op een reünie georganiseerd door het Amsterdam Museum in museumcafé Mokum. Sommigen met man, vrouw, kind of kleinkind. Vroeger was het café de plek waar de kinderen op zondag bezoek konden ontvangen – als ze het geluk van bezoek hadden. Nu waren ze zelf gast in hun oude tehuis. Bejaard inmiddels, maar vol van jeugdherinneringen die ze eindelijk samen konden ophalen.
De reünie was onderdeel van een groter project rond de geschiedenis van het weeshuis. Dezelfde dag opende het museum op de binnenplaats een nieuwe, permanente tentoonstelling over het Burgerweeshuis in de voormalige wezenkastjes, die in de 18de eeuw zijn gebouwd voor het gereedschap van de weesjongens. Het museum lanceerde ook een website met verhalen van de laatste generatie uit het Burgerweeshuis. Conservator Laura van Hasselt en Lidwien Jansen spraken bijna 50 oud-bewoners en -leidsters.


05-2015-Shaffy-affiche'Het Shaffy was de artistieke bijenkorf van het experimentele theater'

Als de Shaffyzaal in februari 1968 opent, zijn de jaren zestig alweer bijna voorbij, maar nog lang niet helemaal. Na provo brengt in mei 1968 de Parijse studentenrevolte de legendarische slogan 'de verbeelding aan de macht' in de wereld, weer een jaar later bezetten studenten in Amsterdam het Maagdenhuis. Een nieuwe tijd in de geschiedenis van de stad is begonnen. Provo Luud Schimmelpennink omschrijft later het collectieve gevoel: "Het was alsof we de wereld naar onze hand konden zetten." Die sfeer heerst ook in het Shaffy Theater.

Al ruim vóór de oprichting van het Shaffy Theater was er in de hoofdstad sprake van een nieuwe culturele trend. Jonge makers van buiten het gevestigde theatercircuit toonden alternatief cabaret in kleine zalen. Een van de bekendsten van deze nieuwe lichting was de half-Russische Egyptenaar Ramses Shaffy – het enfant terrible van het Nederlandse toneel. Met de productie Shaffy Chantant, die in oktober 1964 in première ging in het Amsterdamse Miranda Paviljoen, vestigden hij en zangeres Liesbeth List hun naam. De pers loofde Shaffy's literair-poëtische cabaret met zijn on-Hollandse joie de vivre. Na een periode van tournees wilde hij een eigen plek in Amsterdam.

Psychedelische kleuren
Eind 1967 viel zijn oog op Felix Meritis, het pand van de Communistische Partij van Nederland (CPN) aan de Keizersgracht. Hij maakte er de roemruchte happenings en provadya's mee van Ad Visser, Koos Zwart en Fluxus-kunstenaar Willem de Ridder. Alternatieve avonden met dans, theater, film, poëzie, lichtshows en livepopmuziek inclusief goochelacts, naaktdanseressen en seksfilms. In deze omgeving voelde Shaffy zich thuis. Zijn manager Thijs Chanowski – bekend als producent van de Fabeltjeskrant – sloot een huurovereenkomst met de CPN. Een bovenzaal aan de achterkant van het pand kreeg psychedelische kleuren met in het hart een grote vijfpuntige ster en een inrichting met spoorbielsen en Perzische tapijten van het Waterlooplein: de Shaffyzaal was geboren.
De nieuwe voorstelling Shaffy Chantate (februari 1968) was een groot succes. In de weekends werden de balkons volgepropt en van een tweede rij voorzien; elke avond moesten er vele tientallen mensen worden weggestuurd die op de bonnefooi naar Felix Meritis waren gekomen. Toch kwam de productie niet uit de kosten vanwege de torenhoge investeringen in zaalinrichting en techniek. Chanowski trok zich daarom terug uit de onderneming en zijn werknemer Steve Austen, destijds al twee jaar roadmanager van Ramses Shaffy, nam als zelfstandig producent het roer over. Hij sloot een huurovereenkomst met de CPN en kreeg van Shaffy toestemming om diens naam als merk te gebruiken en ook anderen in de Shaffyzaal te programmeren.

Alternatief
Op 21 januari 1969 opende het Shaffy Theater met Shaffy Verkeerd, waaraan het trio Louis van Dijk en het trio Thijs van Leer meededen. Een van de vele gasten was Rob van Houten, die later naam maakte met zijn flamboyante Funhouse-shows. Vanaf het eerste seizoen gebruikten ook anderen de nieuwe zaal, onder wie de liedjesschrijver Lennaert Nijgh en Teater Terzijde (1965-1969), Nederlands eerste politieke multimediale theatergroep onder leiding van regisseur Annemarie Prins. Zelf bleef Ramses Shaffy niet lang in het pand. Al in het tweede seizoen zette hij zijn carrière elders voort, alhoewel hij nog jarenlang regelmatig terugkwam om als gastheer op te treden in het theater dat zijn naam droeg.
Het Shaffy Theater werd dé plek voor artistiek alternatief Amsterdam. In korte tijd nam het aantal voorstellingen explosief toe. Ruim 300 stonden er in het voorjaar van 1972 op het programma, met bijna 25.000 betalende bezoekers. Een paar jaar na de oprichting nam het Shaffy Theater ook de Zuilenzaal, de Concertzaal en twee grote ruimtes aan de voorkant van het pand in gebruik. In de rechterruimte kwam de kassa, in de linker (de voormalige CPN-koffiekamer) het café met een kleine, donkerrode bar, die midden jaren zeventig plaats maakte voor een knalroze/blauwe bar tegen de achterwand.

Knokploeg
Deze bar was het eerste echte theatercafé in de stad. Anders dan in andere theaters kon je er niet alleen tijdens de koffiepauze, maar ook vóór en na de voorstellingen drankjes bestellen. Het café werd een trefpunt waar spelers en publiek de voorstellingen met elkaar doornamen en bleven hangen, alsook een populair blowcentrum. Ze konden er tot zes uur 's ochtends doorgaan – de politie liet zich niet zien, dat stond de CPN niet toe.
De CPN en het Shaffy Theater waren geheel verschillende circuits, maar hadden een goede verstandhouding. Austens toenmalige echtgenote Ineke – sinds 1971 publiciteitsmedewerker van het Shaffy Theater – herinnert zich: "Toen ze merkten dat het Shaffy een directeur had die zelf ook een bezem hanteerde, kon eigenlijk alles. Ze hielpen ons vaak. Op een gegeven moment hadden we een Vlaamse voorstelling over de nationaalsocialist Cyriel Verschaeve. We wisten dat Glimmerveen-aanhangers stennis wilden komen trappen. In de straten rond Felix paradeerde de politie te paard. De CPN wilde geen politie in het pand, dus kregen we van de partij een knokploeg. Toen die neonazi's binnen met eieren begonnen te gooien, gooide die knokploeg ze eruit." [Joop Glimmerveen was een Haagse neonazi, die in 1974 voorzitter werd van de extreemrechtse Nederlandse Volksunie, red.] Het door een CPN-dame bemande portiershokje midden in de gang naar de theaterzalen valt achteraf te zien als het symbool van de wonderlijke, maar destijds vanzelfsprekende samensmelting van de functies van het gebouw: enerzijds CPN-hoofdkantoor en krantenredactie van De Waarheid, anderzijds thuishaven van uiteenlopende kunstartiesten en podiumbeesten.

Bijenkorf
De grote bloei beleefde het Shaffy in de jaren zeventig, de hoogtijdagen van hippies en flowerpower. Het succes was te danken aan de kwaliteit van de vaste bespelers: Neerlands Hoop (het duo Freek de Jonge en Bram Vermeulen met hun geheel eigen, dwarse opvatting over cabaret); toneelgroep Baal (toneel en muziektheater onder leiding van regisseur Leonard Frank en met medewerking van componisten Willem Breuker en Louis Andriessen); het Onafhankelijk Toneel (theatermakers en beeldend kunstenaars die een geheel nieuwe speelstijl in het theater introduceerden waarin de acteur zelf centraal stond) en Hauser Orkater (beeldend muziektheater met als spil de broers Van Warmerdam, die nog steeds actief zijn als makers van film, theater en muziektheater). Ook op het gebied van de moderne dans (Krisztina de Châtel en Stichting Dansproduktie) en hedendaagse muziek (de STAMP-concerten onder leiding van saxofonist en componist Theo Loevendie) bood het Shaffy de nieuwste ontwikkelingen. Bovendien was in het pand een van de eerste filmhuizen van Amsterdam gevestigd.
Het Shaffy Theater speelde een centrale rol in het leven van jonge kunstenaars en kunstminnaars. Wie in het weekend onder de pannen wilde zijn, ging naar het Shaffy. Om te zien en gezien te worden, om te versieren en versierd te worden en om zich te laven aan de niet te stuiten golf van culturele vernieuwing. Er waren in sommige zalen wel drie voorstellingen achter elkaar te zien. En dan kon je ook nog naar een nachtvoorstelling gaan en naar livemuziek in het café. Rudolf Lucieer, destijds acteur bij toneelgroep Baal: "Nergens anders buitelden al die theatervormen in hun verscheidenheid zo over elkaar als in het Shaffy Theater: de artistieke bijenkorf van het experimentele."

Kaartjesscheurders
Het Shaffy Theater had ook een heel andere bedrijfsfilosofie dan de grote, traditionele schouwburgen. Enkel slagzinnen maakten dat duidelijk: 'Shaffy, het theater waar alles kan', 'Het aanbod bepaalt de vraag' en 'Het theater voor makers, niet voor toeschouwers'. "Je kon vandaag bedenken dat je morgen wilde optreden. Je kon er ook voor kiezen geen pauze te houden of een aantal maanden in het theater te staan, zaken die in het commerciële theaterbestel waren uitgesloten", vertelt Steve Austen. "Bij ons was altijd plek, want we konden altijd nachtvoorstellingen inlassen. We maakten gewoon plek als we het de moeite waard vonden."
Ook de interne bedrijfscultuur week af van wat naoorlogs Nederland gewend was. Er waren collectieve vergaderingen, waarin iedereen zijn zegje kon doen. Steve Austen, die zichzelf zag als "een verlicht despoot", had uiteindelijk wel het laatste woord, al was dat lang niet altijd duidelijk.
Hoe het eraan toeging, vertelt medewerkster Linda Snoep, aangenomen als 'kaartjesscheurder': "Tijdens de wekelijkse vergadering op maandagochtend, die door alle medewerkers en dus ook de kaartjesscheurders werd bezocht, werd werkelijk alles ter tafel gebracht en tot het gaatje bediscussieerd, helemaal in jarenzeventigstijl, waarin beslissingen democratisch en collectief genomen moesten worden. (...) Niet alleen de verstoppingen in de wc werden besproken, maar ook alle voorstellingen. Wat vonden we ervan en waarom? Ook werden daar de uitnodigingen voor voorstellingen buiten het Shaffy verdeeld. De bedoeling was om bij een volgende vergadering verslag te doen en een beoordeling te geven of deze voorstelling al dan niet geschikt was voor programmering in het Shaffy."

Theater met een K
Snoep maakte zelf gebruik van deze mogelijkheid en rolde in de programmering. Nadat Steve Austen in de zomer van 1978 het Shaffy Theater als directeur had verlaten, namen zij en zijn jongere broer Matti de programmering over. Zij brachten 'de Belgen' naar Amsterdam, nog vóór de opening van het Vlaams cultureel centrum De Brakke Grond. In 1981 organiseerden ze twee Belgische manifestaties in het Shaffy Theater. In alle zalen waren doorlopend voorstellingen. Op het programma stond onder meer Theater geschreven met een K is een Kater, het debuut van theatermaker en beeldend kunstenaar Jan Fabre. Een jaar later haalden zij de Belgische danseres en choreografe Anne Teresa De Keersmaeker naar het Shaffy met de voorstelling Fase. Voor beide Vlamingen was het de start van een succesvolle internationale carrière.
In de jaren tachtig werd alles anders in de stad en in het Shaffy Theater. Voor Amsterdam begon het decennium met de grote krakersrellen in de Vondelstraat en twee maanden later het oproer tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix op 30 april 1980. In 1981 verkocht de CPN Felix Meritis aan de gemeente Amsterdam. In september 1984 trad voormalig Hauser Orkater-lid Dick Hauser aan als nieuwe directeur van het Shaffy Theater. Hij werd geconfronteerd met grote veranderingen in het theaterbestel. Het zogeheten margetheater kreeg steeds meer invloed op het gevestigde theatercircuit. Dankzij het succes van het Shaffy Theater was er vraag ontstaan naar vlakkevloertheater (publiek op dezelfde hoogte als het toneel) en kleine zalen met een flexibel podium. Amsterdam kreeg zo een geheel nieuw theatercircuit. Zelfs ontstond er nog een 'derde circuit' voor beginnende jonge theatermakers, vaak in kraakpanden.

Shaffy-Onmisbaar-Marathon
Veel gezichtsbepalende groepen trokken nu weg uit het Shaffy of werden niet meer door Hauser geprogrammeerd. Vaste bespelers als Maatschappij Discordia (een afsplitsing van het Onafhankelijk Toneel) en de mimegroepen Nieuw West en Carrousel trokken aanmerkelijk minder publiek dan een aantal groepen in de jaren zeventig. Bovendien verliep de zoektocht naar jonge theatermakers bepaald niet over rozen. Een nieuwe generatie diende zich pas een paar jaar later aan.
Het tij keerde. Eind september 1988 lanceerde de Amsterdamse wethouder van cultuur Minnie Luimstra (CDA) het plan om de subsidie in te trekken en het pand toe te wijzen aan De IJsbreker, het centrum van hedendaagse muziek. Het theater bood tegenspel met een grote Shaffy-Onmisbaar-Marathon (29 oktober 1988), maar het mocht niet baten. De gemeenteraad stemde in met de subsidiebeëindiging.
Toch gaf het theater zich niet gewonnen. Een nieuwe zeskoppige directie (Steve Austen, Jan Joris Lamers, Chris de Jong, Matti Austen, Hugo de Greef, Nele Hertling) nam het roer over en kondigde aan in het pand een Europees Centrum voor Kunst en Wetenschap te vestigen. Nog geen jaar later viel de Berlijnse muur en was het nieuwe Europa een feit. En het Shaffy? Dat begon aan een nieuw tijdperk als discussiecentrum – maar dat is een weer een heel ander verhaal.
LOES GOMPES IS JOURNALIST EN PROGRAMMAKER. SAMEN MET MEREL LIGTELIJN SCHREEF ZIJ GESCHIEDENIS VAN FELIX MERITIS; SPIEGEL VAN AMSTERDAM, UITGAVE STICHTING FELIX MERITIS & ROZENBERG PUBLISHERS, 2007


 Het Rode Vendel moet in mei 1940 de politie assisteren bij de arrestatie van NSB'ers05-2015-gebroken-geweertje.  Als op 10 mei 1945 de Duitsers Nederland binnenvallen, zijn het de sociaaldemocratische burgerwachters die als eersten in Amsterdam in het geweer komen. Negen maanden eerder had een groep prominente SDAP'ers op initiatief van partijleider Koos Vorrink hun weerzin tegen de vrijwillige burgerwacht opzij gezet en het eigen afdeling opgericht: het Rode Vendel. Het pacifisme was passé vanwege de dreiging van Hitlers Duitsland.


Wie denkt dat vroeger alle sociaaldemocraten met een gebroken geweertje op hun revers liepen, heeft het mis. Neem Koos Vorrink (1891-1955), voor de oorlog partijleider van de SDAP en na 1945 van de Partij van de Arbeid. Als jongeman al zweert hij het pacifisme af en zijn diensttijd besluit hij als officier. Rond 1930 toont hij zijn scepsis over ontwapening. Hij is bang voor het succes van zowel Hitlers NSDAP als Stalins terreur in de Sovjet-Unie. De democratie wordt van alle kanten belaagd. Als de Duitse dreiging toeneemt, wil hij het leger in, maar daar is het partijbestuur tegen. De burgerwacht lijkt een goed alternatief. En dan vooral de Vrijwillige Burgerwacht Amsterdam (VBA), zodat hij de hoofdstad tot op het allerlaatst kan verdedigen.
De zaken vallen op hun plaats in augustus 1939. Op de 24ste wordt de voormobilisatie afgekondigd, de algemene mobilisatie volgt enkele dagen later. In Amsterdam moeten de burgerwachters wegens een tekort aan politieagenten bewakingsdiensten lopen bij belangrijke gebouwen, zoals elektriciteitscentrales en stations. De burgerwacht was jarenlang voor sociaaldemocraten een vijand, omdat de organisatie in november 1918 was opgericht naar aanleiding van de halfslachtige revolutiepoging van SDAP-leider Troelstra. Maar die tijd is voorbij. Onder Vorrinks leiding is de SDAP een gewone parlementaire partij geworden; vanaf 10 augustus 1939 telt het kabinet zelfs twee 'rode ministers'.
Rond die tijd praat VBA-commandant kolonel H.R. Boeree met SDAP-wethouder Emanuel Boekman. Na het gesprek belt Boekman zijn partijgenoot Chris Meijer, die op de secretarie van het stadhuis werkt, en vertelt dat Boeree de socialisten graag bij zijn organisatie wil hebben. Meijer is meteen vóór en samen met zijn goede vriend Henk van Laar, onderwijzer en gewezen reserveofficier, en Tees Gulden, zoon van een SDAP-raadslid, gaat hij naar Boeree. De ontmoeting mondt uit in de oprichting van een sociaaldemocratisch vendel, officieel het Vendel van de Moderne Vakbeweging geheten, in de wandelgangen het Moderne of Rode Vendel.

Rode Vendel
Vorrink en Van Laar worden ingedeeld bij de Infanterie Brigade. De eerste als majoor in de functie van inspecteur van de Vendels der Moderne Vakbeweging, de tweede als kapitein in de functie van commandant van het vendel. Verder treffen we bij de infanterie nog de sociaaldemocraat Jan Stoovelaar, die adjudant wordt. Gulden is eerste luitenant bij de vervoerafdeling en Meijer doet als sergeant-majoor de administratie van het vendel.
Alle mannen kennen elkaar uit de AJC, de jeugdbeweging van de SDAP. Vorrink was jarenlang de leider, Van Laar organiseerde de natuurkampen, Stoovelaar zette het Rode-Valkenwerk op (voor de leden tussen twaalf en zestien jaar) en was net als Meijer betrokken bij de ordebewakingsdiensten van zowel AJC als SDAP. Zij weten dus wat organiseren is en hun achterban kent hen als leiders.
Voor de werving voor het Rode Vendel wordt ook het sociaaldemocratische dagblad Het Volk gebruikt. Op 8 september 1939 verschijnt daarin een oproep om lid te worden van de VBA, ondertekend door enkele kopstukken van de partij, overigens zonder dat verdere partijinstanties zijn gehoord. Het bericht valt op. In het communistische Volksdagblad, voorloper van De Waarheid, vormen de oprichters van het Rode Vendel een dankbaar onderwerp van spot en kritiek. Uiteindelijk zal het vendel uit zo'n 125 à 150 man bestaan.
Het is trouwens niet uniek dat de socialisten een apart vendel krijgen. Zoiets gebeurde wel vaker. In dezelfde periode komt er bijvoorbeeld ook een apart studentenvendel bij de VBA. Maar de situatie weerspiegelt wel de oude scheiding: na zoveel jaren vijandigheid is het moeilijk elkaar te vertrouwen. Boeree zegt in Het Volk nadrukkelijk dat er geen sprake is van de voortzetting van de oude verdeeldheid. Hij meent dat het goed is de mannen onder eigen leiding apart te houden; dan verloochent niemand het eigen karakter. In de praktijk verblijven de oorspronkelijke burgerwachters vooral boven in de sociëteit van het VBA-verenigingsgebouw (het mooie Huydekoperhuis, Singel 548) en de leden van het Rode Vendel onder in hun kelderruimte.

Mei 1940
De sociaaldemocraten oefenen hard, wat zich uitbetaalt tijdens de Duitse inval op 10 mei 1940: eerder dan de andere burgerwachters verschijnen ze op het Singel en zonder op Boeree te wachten, breken ze de wapenkamers open en zetten ze de gracht af. Wat ze moeten gaan doen weten ze nog niet; politietaken liggen voor de hand. Vorrink daagt nu ook op (tot dan toe heeft hij de leiding overgelaten aan Van Laar) en meet zich een uniform aan. Al snel vertrekt hij weer voor overleg op het partijsecretariaat. Als hij terugkeert, meldt hij dat is afgesproken dat ieder zich zelf moet redden als het misgaat.
Dan komt eindelijk een opdracht: het vendel moet de politie assisteren bij de arrestatie van NSB'ers en deze bewaken in de veilinghal op het terrein van de Centrale Markthallen. Het bevel komt van het hoofdbureau van politie, waar burgemeester Willem de Vlugt en procureur-generaal Johan August van Thiel een crisiscentrum hebben ingericht. Net als alle andere procureurs-generaal in den lande bezit Van Thiel een lijst met namen van 'staatsgevaarlijken' in zijn rechtsgebied, die hij dient op te pakken bij een vijandelijke inval. Het gaat om vreemdelingen en Nederlanders met nationaalsocialistische en extreemlinkse sympathieën. In het ressort Amsterdam zijn dat 328 landgenoten en ongeveer 500 buitenlanders.
Van de regering heeft Van Thiel de rijksinrichting in Hoorn gekregen om 900 mensen in op te bergen. Maar op het moment van internering is daar niets klaar. De marine – die de gevangenis in gebruik heeft als opslagplaats – heeft haar spullen niet weggehaald, waardoor er nog geen 100 man in kunnen. Nog erger wordt het als niet alleen de mensen van de lijst worden gearresteerd, maar iedereen die maar verdacht lijkt. In die vier meidagen worden alleen al in het rechtsgebied Amsterdam 10.000 mensen opgepakt. En dan arriveren er ook nog eens treinen vol gevangenen uit andere steden.

Duizenden geïnterneerden
Na schifting sluit Van Thiel uiteindelijk 6500 mensen op. Om ze te kunnen interneren neemt hij behalve de Hoornse gevangenis en veilinghal, ook de Stadsdoelen (Kloveniersburgwal) en jeugdhotel De Laurier in de Jordaan in gebruik. Ten slotte maakt hij ook de Levantkade vrij, waar normaliter Chinese zeelieden verblijven. Achteraf noemt hij de hele situatie mensonwaardig. Op papier klopte alles, maar in de praktijk ontbrak het veelal aan voldoende sanitair en moesten gevangenen het zonder hun medicijnen stellen.
Later is een aantal geïnterneerden niet mals over hun gevangenschap. Jan de Haas, een nationaalsocialistische journalist, beschrijft in Vijf dagen terreur zijn verblijf in de Markthallen en het oostelijk havengebied. "In Amsterdam wordt aan een troep jodenuitvaagsel wapens in handen gegeven: Dat noemt men de 'Burgerwacht'...." Hij beschrijft hoe de gevangenen op het hoofdbureau worden verzameld en vandaar naar de Markthallen gereden. Ze krijgen nauwelijks te eten of te drinken. De nacht brengen ze door op ligstro of stoelen, omringd door burgerwachters die loop en bajonet op hen gericht houden. De volgende dag worden ze naar het Oostelijk Havengebied gebracht. "Voor we in de bussen zitten krijgen we burgerwachtmajoor Koos Vorrink nog te zien: De marxistische bons, knapenschender nummer 1, jarenlang beroepsopruier van argelooze Nederlandsche arbeiders, bekijkt ons met hautaine minachting. Om kwart voor drie vertrekken we, hetgeen tegelijkertijd het afscheid van de Burgerwacht-joden beteekent."
Het nieuwe onderkomen bevalt beter en na de capitulatie mogen de gevangenen naar huis. Kort daarop regent het bij de politie aangiften van vermissing en beschadiging van spullen; Van Thiel ontvangt 250 klachten van wederrechtelijke vrijheidsberoving, die overigens nergens op uitdraaien omdat hij de namenlijsten vernietigt.

Verzetsgroep
Hoe gaat het verder met het Rode Vendel na 15 mei 1940? De leden moeten van Boeree hun wapens inleveren. Uit angst dat de Duitsers hun namen en adressen zullen vinden, vernietigen zij hun archief. Vorrinks poging om via IJmuiden naar Engeland te komen mislukt. Boeree biedt Van Laar, Stoovelaar en Meijer zijn zeewaardig jacht aan om weg te komen; hij beseft dat vooral zij gevaar lopen, omdat zij uitvoerig in de pers hebben gestaan. Een lid van het dagelijks bestuur van de VBA, bankier Edgar Fuld van Lippmann Rosenthal, gaat met hen mee. In een paar auto's vertrekken ze: Van Laar, Meijer en Stoovelaar met hun gezinnen, Fuld met zijn oude moeder.
Maar in Noord-Holland zijn de autowegen vol vluchtelingen en terugkerende militairen. Er is geen doorkomen aan. Boerees schip is onbereikbaar en vluchten via IJmuiden lukt ook niet. Er zit niets ander op dan terug te keren. Onderweg overnachten ze in Fulds buitenhuis bij Bloemendaal. De volgende morgen gaan de mannen gewoon weer naar hun werk. De verwachte arrestaties blijven uit, omdat de Duitsers eerst willen proberen de Nederlanders met zachte hand in hun kamp te krijgen. Wel heffen ze meteen de Burgerwacht op.
De top van het Rode Vendel komt al snel illegaal bijeen, nu als verzetsgroep, met als kern Van Laar, Chris Meijer, Jo Grannetia en Guus Tresstorf. Ze willen na de bevrijding (die ze dichtbij wanen) helpen bij de ordehandhaving om chaos te voorkomen. Intussen zitten ze niet stil. Ze sluiten zich aan bij de grotere groep-Vorrink en nadat deze is opgerold bij andere verzetsgroepen. Al die tijd houden ze zich bezig met hulp aan onderduikers en met spionage.

Hulppolitie
De hele bezetting lang houdt Van Laar contact met de progressieve politiecommissaris W.H. Schreuder van het bureau Raamplein. Door middel van telegrammen bespreken zij hun plannen met de regering in Londen. Hun zorg betreft vooral de naoorlogse ordehandhaving en het herstel van de democratie. De twee mannen vrezen namelijk de Ordedienst, een verzetsgroep van oud-legerofficieren die de voorkeur geeft aan een staatsvorm zonder parlement en politieke partijen.
Uiteindelijk moet de OD zich schikken. De verzetsgroep-van Laar en de OD stellen zich begin 1945 beide onder het gezag van de hoofdcommissaris die Amsterdam na de bevrijding zal krijgen. Van Laar zelf wordt benoemd tot commandant van wat dan de Hulppolitie heet. Als de oorlog voorbij is groeit de 'rode' groep hulpagenten rond Van Laar – inmiddels circa 600 man – uit tot een korps van alle gezindten van 2500 man sterk.
De teruggekeerde regering laat de Hulppolitie voortbestaan. Nog steeds onder de Amsterdamse korpschef krijgt de groep een nieuwe toekomst als het Korps Vrijwillige Politie. Reden voor deze beslissing is een nieuwe angst: nu voor de communisten, die in Oost-Europa zo machtig zijn geworden en zich misschien ook hier gaan roeren. Een groep gezagsgetrouwe burgers die zonodig de politie kan bijstaan, lijkt geen gek idee. Tot 1951 blijft Van Laar de commandant van dit korps. De taak van de vrijwillige agenten bestaat uiteindelijk vooral uit hulp bij het begeleiden van grote manifestaties en bij de handhaving van de verkeersveiligheid. In deze hoedanigheid krijgt het Amsterdamse voorbeeld al gauw elders navolging en worden de politievrijwilligers een landelijke aangelegenheid. Nog altijd zijn er vrijwilligers bij de politie actief.

NORA VAN LAAR (1956) IS NEERLANDICA EN DOCHTER VAN HENK VAN LAAR.