Nummer 5: Mei 2015

 05-2015 -wezenWaar wezen vroeger speelden, heet de nieuwe tentoonstelling in de voormalige wezenkastjes op de binnenplaats van het Amsterdam Museum. Tot 1960 was in het museumgebouw het Burgerweeshuis gevestigd. Van 50 voormalige wezen en leidsters zijn de herinneringen verzameld, waarvan conservator Laura van Hasselt er zeven voor ons heeft uitgekozen.


Het komt vast door het prachtige 17de-eeuwse gebouw. Wie denkt aan het Burgerweeshuis denkt vooral aan lang, lang geleden. Aan tijden waarin de pest nog rondwaarde door Amsterdam en de dood nooit ver weg was. Het weeshuis is inderdaad nooit voller geweest dan in de Gouden Eeuw. Maar wie weet dat het tot 1960 op deze plek heeft bestaan? En dat er sinds de Tweede Wereldoorlog nog honderden kinderen zijn opgegroeid?
Onder de laatste generatie bewoners waren weinig 'volle' wezen. Dat was te danken aan de verbeterde gezondheidszorg in de 20ste eeuw, maar ook aan Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1940 nam de Weermacht het gebouw van de Inrichting voor Stadsbestedelingen in beslag. Stadsbestedelingen waren kinderen die onder toezicht van de stad stonden, omdat hun ouders niet voor hen konden zorgen of om welke andere reden dan ook. Zij gingen vanaf dat moment naar het Burgerweeshuis, waar ze ook na de oorlog bleven. Sommigen maar enkele weken, tot hun ouders weer beter waren, anderen jarenlang.
Interviews met oud-bewoners geven een indringend beeld van het dagelijks leven van al die kinderen, die het tijdelijk of voorgoed zonder hun ouders moesten stellen. De één herinnert zich vooral de vrolijke weeshuisvakanties in Bergen aan Zee, de ander het zondagse wachten op de vader die nooit kwam opdagen. De één denkt terug aan het voetballen op de binnenplaats, de ander aan de eenzaamheid van het samen alleen zijn. Sommigen herinneren zich nog het oude wezenkostuum dat ze op hoogtijdagen moesten dragen. Het eeuwenoude zwart-rode kostuum was afgeschaft in 1919, maar bij bijzondere gelegenheden stond het zo aardig op de foto...
De meeste geïnterviewden zijn positief over de zorg in het Burgerweeshuis. Maar een makkelijke tijd was het voor geen van allen. Hoe kan het ook anders als je eigen ouders niet voor je kunnen zorgen. Omdat ze dood zijn, ziek, gek of gewoon volkomen ongeschikt voor het ouderschap. Dat laat bij ieder kind zijn sporen na. Het is veelzeggend dat de meeste oud-bewoners geen enkel contact met elkaar hadden tot de reünie.

Geen dossiers
Dat is anders bij de oud-leidsters. Een aantal is al die jaren goed bevriend gebleven. Ze waren begin twintig toen ze bij het weeshuis kwamen. Het salaris was laag en het werk zwaar, maar alle geïnterviewde leidsters kijken terug op een bijzondere en mooie tijd in het Burgerweeshuis. Al was het ook voor hen soms tasten in het duister. Dossiers van de kinderen en hun gezinssituatie kregen ze niet in te zien. Je moest als leidster maar raden waar het gedrag van een kind vandaan kwam. Omgekeerd mochten er toen dingen wél die nu niet meer zouden kunnen. Een leidster kon best af en toe een lievelingetje uit het weeshuis een weekend mee naar huis nemen. Dat is tegenwoordig ondenkbaar.
In de loop van de jaren vijftig begon het denken over jeugdopvang te veranderen. Er waren steeds minder wezen, waardoor de grote omvang van de oude weeshuizen niet meer zo praktisch was. Bovendien pasten zulke grootschalige, onpersoonlijke opvangplekken niet meer bij de moderne pedagogische opvattingen. De oude tehuizen maakten plaats voor kleinere opvangeenheden. Liefst een pleeggezin, maar als dat niet kon een omgeving die zoveel mogelijk leek op een 'gewoon' gezin.
Het Burgerweeshuis verhuisde in 1960 van de Kalverstraat naar een nieuw gebouwencomplex aan het IJsbaanpad ontworpen door Aldo van Eyck. Dit nieuwe Burgerweeshuis bood plaats aan 125 kinderen. Jongens en meisjes werden niet meer gescheiden. Er waren geen grote zalen, maar juist kleine, met elkaar verbonden paviljoens, geïnspireerd op het motto: "Een kleine wereld in een grote, een grote wereld in een kleine, een huis als een stad, een stad als een huis, een thuis voor kinderen". Op deze plek vlakbij het Olympisch Stadion heeft het Burgerweeshuis nog tot 1991 bestaan.

Fragmenten uit interviews
Greet Voulgarakis-Gijs (1958-1961)
"De eerste dag dat ik in het weeshuis kwam, werd ik gebracht door mijn schoonzuster. Ze zei: 'We kopen een jurk en dan gaan we zondag naar je moeder toe.' Mijn moeder lag namelijk in het ziekenhuis. Toen kwamen we opeens in een groot pand met een grote poort. Ik dacht, dit is toch geen winkel? Ik werd opgehaald door één van de leidsters. We gingen de binnenplaats op en ik werd gewassen in zo'n grote ouderwetse tobbe. Je bent echt een kind, dus ik zei: 'Waarom word ik gewassen?' Ik was overstuur en ik rende terug, maar mijn schoonzuster was vertrokken. Ik voelde me zó in de steek gelaten."

Metty Reehorst-Valk (leidster, 1949-1954)
"'s Avonds voor het slapen gaan vertelde ik de jongens verhalen. Het liefst een spookverhaal, als het maar goed spannend was. Dan ging ik dat opvoeren, zo door de zaal lopend. Dat vonden ze het mooist. Echt voorlezen deed ik niet. Ik had wel een verhaal en daarop fantaseerde ik verder. Dat vonden ze heel fijn. Ja, en dan had ik ook een opdracht. Ze moesten, je wil het niet geloven, de handen boven de dekens houden. Wist ik met m'n 22 waarom."

Jaap Brinkman (?-1946)
"In het begin kregen we een stenen bord en een lepel mee als we naar school gingen, want op de Elandsgracht was een gaarkeuken. Daar mochten de weeskinderen als eersten naar binnen. In de loop van de tijd sneuvelden er natuurlijk veel van die borden en dan kregen we een conservenblik mee, want dat kon geen kwaad. Daar kregen we soep in. Aardappelsoep, schillensoep of suikerbietensoep. In het weeshuis kregen we brood, allemaal twee boterhammen. Er waren vrij lange tafels, daar mocht je achter gaan zitten, op je stoel. Maar je mocht alleen naar die boterhammen kijken tot het moment dat er werd gezegd: 'eten'. Heel stiekem kon je die onderste boterham er vast uitpulken, zodat alleen die korst er nog lag.
Ik had altijd trek, geen 'honger', ik praat nooit over honger. Honger vind ik wat anders. In de gang van de grote zaal naar de toiletten stond een hele grote kist. Dat heette een hooikist. Daar werd pap, pudding die we 's avonds kregen, gelatinepudding, in gedaan. Er stond dan een pan in voor jongens die later kwamen eten. Waarschijnlijk was er weinig toezicht, want ik kan me nog herinneren dat het handje van Japie in de pan ging."

Marga Bolk (1946-1952)
"We hadden een vakantiehuis in Bergen aan Zee. We gingen daar vier weken naar toe in de zomer. Dan had ik een week lang heimwee naar Amsterdam. En als we weer terug waren, had ik heimwee naar Bergen aan Zee. Het was heel krakkemikkig, dat huis. Het stond min of meer op instorten, maar wij vonden het heerlijk. We hoefden niet zo netjes te doen en er werd niet zo op ons gelet. We hadden geen bedden, maar matrassen op de grond. Als we teruggingen namen we de matrassen weer mee naar Amsterdam. Die gooiden we uit het raam van de eerste etage en dan sprongen de waaghalzen er achteraan. Ik niet hoor! Op een gegeven ogenblik had het weeshuis geen geld meer voor het vakantiehuis. Toen zijn ze gefuseerd. Het volgende jaar was alles geschilderd en waren er hele mooie bedden. Daar vonden wij niks aan, we zeiden: 'Blèh, het lijkt wel een ziekenhuis!'"

Hillie Zobel-Van Geenhuizen (leidster, 1954)
"Zijn we daar toch bijna aan een kind blijven hangen. Een jongetje dat Sammie heette. Hij moet nu 60 zijn. Ik vond Sammie ontzettend leuk en hij mij schijnbaar ook. Ze noemden mij op een gegeven moment allemaal Sammie's moeder. Hij was ruim een jaar toen ik daar kwam. Als hij ziek was, ging ik bij zijn bed zitten in die grote zaal met kinderbedjes. Die jongen krijste ontzettend als mijn dienst erop zat, dan zat 'ie rechtop in dat bedje. Ik mocht hem meenemen naar huis, dat was ook zoiets aparts. Dat zou tegenwoordig ondenkbaar zijn. Ik woonde nog thuis en mijn ouders waren ook zo gek op hem. We kochten van alles voor hem. Ik was tweede op die afdeling. Ik zei: 'Mag ik Sammie meenemen?' en dan mocht hij het hele weekend mee.
Later zeiden mijn ouders: 'Zullen we niet proberen hem als pleeggezin op te nemen?' De Voogdijraad vond een pleeggezin voor hem in Utrecht, net toen we ermee bezig waren. Achteraf gezien veel beter hoor, want dat waren jonge mensen zonder kinderen. Er was afgesproken dat mijn ouders opa en oma zouden worden en ik zijn tante. Na een bezoek toen hij al groter was, wilden die mensen dat niet meer, want die jongen was iedere keer helemaal van slag. We hebben nog een keer een pakket met speelgoed opgestuurd met Sinterklaas of zo. Dat hebben ze ongeopend teruggestuurd en daarna is het contact helemaal verbroken. Wij vonden het heel erg. Het was alsof hij mijn echte kind was."

Marie Wezenberg (1942)
"Ik zat hier met mijn broertje net onder mij, die was zeven. Ik was hooguit achtenhalf. Het was in de oorlogstijd. Ik had nog een vader en een moeder, daarom vonden ze het gek dat ik in een weeshuis zat. Ik denk dat de reden was: de bombardementen. Dat we weg moesten en ze niet wisten waar wij allemaal heen konden, met dertien kinderen in totaal. Dus gingen er hier een paar naartoe en daar. In het weeshuis was denk ik plek voor twee kinderen. Mijn vader kon aardig met de directeur opschieten. Ik vond het hier knus. Het had iets vertrouwelijks. Sommige kinderen kregen bezoek op zondag, maar wij niet. Ik denk dat mijn ouders het daar veel te druk voor hadden. Mijn moeder was om de anderhalf jaar zwanger."

Irene Maas-Meerhoff (1958-1961)
"Je werd hier opgenomen in de massa. We hadden een hoop leidsters die nooit kinderen hadden gehad en zich dus helemaal niet konden inleven. Die hadden al hun kennis uit boekjes. Later dringt dat tot je door, als je zelf kinderen hebt. Je kon echt merken dat ze geen binding hadden met de kinderen, denk je dan. Tenminste, zo heb ik dat ervaren.
Als kind in tehuizen heb je geleerd dat je iedere keer afscheid moet nemen. Eerst toen je klein was en daarna in dat pleeggezin. Dus je hecht je ook aan niemand. Ik was zeventien toen ik wegging uit het Burgerweeshuis. Ik kwam bij oudere mensen op kamers. Ik wilde van al die ellende af. Dan weer hier en dan weer daar. Ik wilde iets voor mezelf. Dat is ook gelukt."
LAURA VAN HASSELT IS CONSERVATOR BIJ HET AMSTERDAM MUSEUM.
MEER LEZEN: WWW.HART.AMSTERDAMMUSEUM.NL/BURGERWEESHUIS
LODEWIJK WAGENAAR, IN HET WEESHUIS. DE ZORG VOOR DE BURGERWEZEN VAN AMSTERDAM 1580-1960 (AMSTERDAM, 2009)

Ruim 60 oud-bewoners en -leidsters van het Burgerweeshuis kwamen in februari bijeen op een reünie georganiseerd door het Amsterdam Museum in museumcafé Mokum. Sommigen met man, vrouw, kind of kleinkind. Vroeger was het café de plek waar de kinderen op zondag bezoek konden ontvangen – als ze het geluk van bezoek hadden. Nu waren ze zelf gast in hun oude tehuis. Bejaard inmiddels, maar vol van jeugdherinneringen die ze eindelijk samen konden ophalen.
De reünie was onderdeel van een groter project rond de geschiedenis van het weeshuis. Dezelfde dag opende het museum op de binnenplaats een nieuwe, permanente tentoonstelling over het Burgerweeshuis in de voormalige wezenkastjes, die in de 18de eeuw zijn gebouwd voor het gereedschap van de weesjongens. Het museum lanceerde ook een website met verhalen van de laatste generatie uit het Burgerweeshuis. Conservator Laura van Hasselt en Lidwien Jansen spraken bijna 50 oud-bewoners en -leidsters.