Nummer 3: Maart 2014 - Keizer van het Amstelveld

Kokadorus: de eerste stand-up comedian

03 2014 Inhoud-3-Koka-

Toch jammer. In het nieuwe boek over Amsterdamse ondernemers van 1850 tot 1950 ontbreekt een van de spraakmakendste kooplieden: Kokadorus. De beroemdste marktkoopman van de 20ste eeuw én de eerste nationaal vermaarde stand-up comedian.

Hij voelde zich Amsterdammer in hart en nieren en sprak met een sappig Jiddisj-Amsterdams accent. Maar hij werd geboren in Leeuwarden, onder de naam Meijer Linnewiel. Zijn vader Jacob was waarschijnlijk marktkoopman of venter. Een vetpot was het in ieder geval niet. Later vertelde Meijer dat in zijn ouderlijk huis “de dalles (ellende, armoede – red.) hofmeester” was.  
Zoals veel noorderlingen op zoek naar lotsverbetering verhuisde het gezin in 1879 naar het snel expanderende Amsterdam. Hun eerste adres was Kleersloot 2 bij de Nieuwmarkt; andere adressen in dat buurtje volgden. Meijer (derde van vijf kinderen) was toen twaalf jaar. Hij droeg ijverig bij aan het gezinsinkomen door na schooltijd in de Kalverstraat met lucifers te venten. Met zijn vindingrijke verkoopkreten had hij de lachers op zijn hand. Maar als verderop in de straat een politiehelm zichtbaar werd, maakte hij zich uit de voeten, want in die chique winkelstraat was straathandel streng verboden.
Net van school kreeg hij in 1881 een vaste standplaats op de maandagmarkt op het Amstelveld. Zijn plek was aan de waterkant tegenover kerk De Duif, bij de tweede lindeboom vanaf de Reguliersgracht. Geleidelijk bouwde hij een stevige reputatie op als standwerker.  Dat bleek vooral in 1895. Op het Museumterrein (nu Museumplein) werd de Wereldtentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen gehouden. Populair onderdeel was een nagebouwd quasi-17de-eeuws Hollands stadje, met als centrum een marktplein met waag. Bij de figuranten moest natuurlijk ook een welbespraakte marskramer zijn en de keus viel als vanzelfsprekend op die man van het Amstelveld.

Flippie den kwakzalver
Hij moest wel een opvallende naam hebben, zoals reizende praatjesmakers zich die in vroeger eeuwen aanmaten. Een van de organisatoren kwam aan met Kokodorus, ooit de naam van een bekende Antwerpse kwakzalver. Later gaf Linnewiel steevast een andere verklaring: “Mijn grootvader heette Ko, mijn grootmoeder heette Ka en mijn vader heet Dorus.” In dat bordkartonnen stadje Oud-Hollandt vierde Kokadorus vijf maanden lang triomfen, gehesen in een 17de-eeuws kostuum. Op de markt was hij doorgaans gekleed in pak met vest en een breedgerande hoed op.
Zijn optreden op de wereldtentoonstelling bracht hem nationale roem. Nog in 1895 verscheen de brochure Aanspraken van Flippie den kwakzalver van OudHollandt, bijgenaamd Mr. Kokadorus. (Waar dat ‘Flippie’ vandaan kwam, blijft een raadsel.) En in juni huwde hij Hendrika (Heintje) Cohen en betrok met haar Utrechtsedwarsstraat 88. Zij kregen vijf kinderen, waarvan alleen Barend (1897-1943) en Sophia (1900-1942) de eerste maanden overleefden. (Hij werd winkelier in tapijten, zij naaister. Met hun gezinnen werden zij door de nazi’s vermoord, dus nakomelingen van Kokadorus bestaan niet meer…)
Steeds vaker wisten evenementorganisatoren hem te vinden, vooral in de liefdadigheidssector.  Voor menig goed doel trad hij op als verkoper van lekkernijen of prullaria afgestaan door vriendelijke winkeliers of fabrikanten, en kreeg dan zelf ook een zakcentje of een kistje sigaren. Zijn eigen waren verkocht hij intussen nu en dan ook op andere markten dan het Amstelveld, zoals de Nieuwmarkt en het Waterlooplein, en ook wel eens op markten ‘in de provincie’.

Saar van Rupsland
Hoe populair hij was, bleek wel tijdens zijn onvergetelijke huldiging wegens 25 jaar standwerkerschap op het Amstelveld, op maandag 15 oktober 1906. Voor zijn komst had zijn assistent Nathan van den Berg alias ‘Cheffie’ (tevens kruier op het Weesperpoortstation) een podiumpje met heesters versierd. Een grote menigte stond te wachten toen om kwart voor tien de twee rijtuigen waarin de familie Linnewiel en de feestcommissie arriveerden. Kokadorus werd uitvoerig toegesproken en kreeg een grote krans om zijn nek. Toen greep de jubilaris zelf het woord en maakte trots gewag van gelukstelegrammen van de Duitse keizer, de koning van Engeland en de ‘Saar van Rupsland’ en o ja, ook van vriend Teddy Roosevelt, de baas van het verre Amerika… “Nu begint hij te verkoopen”, vervolgt de verslaggever van De Telegraaf. “Eerst een glazensnijder en messen, dan speelkaarten. Maar het publiek dringt zoo op, dat er van geregeld werk geen sprake meer kan zijn.” ’s Middag volgde nog een uitvoerig receptie thuis (Nieuwe Keizersgracht 28) en ’s avonds een huldiging in een bomvol Carré, waar hij een rolletje speelde in de populaire revue Koning Kniezoowat in Amsterdam van Frits van Haarlem. Niemand minder dan Louis Davids, die de liedjes had geschreven, huldigde hem als “masseur van de lachspieren”.

Prins Hendriks bretels
Hoe moeten we ons een doorsnee optreden op het Amstelveld voorstellen? Het tijdschrift De Kunst beschreef het in 1911 zo: “Op den hoek van Prinsen- en Reguliersgracht troont hij op zijn kar, als ware hij de koning van ’t geheele Amstelveld! Ziet hem daar staan met zijn guitig gezicht, zijn gullen lach, zijn frissche bolle wangen, het roode mutsje op zijn zwart-kroezig haar! Hoort hem spreken, hoort hem zingen! Met zijn oolijke stem, zijn vloed van woorden, zijn leuke moppen, dringt hij een ieder tot luisteren. Zoo één, dan bezit Kokadorus het talent koopman te zijn. In zijn soort is hij een genie. Zóó prullerig kan de waar niet wezen, of hij weet ze nog met een kwinkslag aan de man te brengen.”
Zijn handelswaar was zeer divers. Vaak lederen portefeuilles en allerhande messen, maar ook postpapier, zakboekjes, potloden, pannensponzen, sleutelringen, bretels en eetgerei.
Die portefeuilles kon hij naar eigen zeggen voor een spotprijs verkopen omdat hij de regering de Leerplichtwet had ingefluisterd, die bepaalde dat ook voor Jan met de Pet portefeuilles van leer gemaakt moesten worden in plaats van geperst papier. Bij alle groten der aarde stond hij naar eigen zeggen in een goed blaadje. Prins Hendrik droeg uitsluitend door hem geleverde bretels. En op de om de haverklap plaatsvindende ontwapeningsconferenties dineerden de afgevaardigden met zijn vorken en messen!

Verwarming Noordpool
Journalist Jan Feith hoorde hem uit en noteerde enkele van zijn marktpraatjes in het boekje Op het Amstelveld, Mémoires van Professor Kokadorus (den Echte!) uit 1909. Een fragment uit een van die marktpraatjes, steevast ingeleid door Cheffie met een slag op een gong: “Burgers van Amsterdam, Edam, Volendam, Monnikendam, Durgerdam, Veendam Appingedam en Naatjevandedam, burgers van Nederland, burgers van de Zuidpool en omringende ijsbanen, gedempte burgers van de Zuiderzee en aanverwante binnenwateren, burgers van de wereld en omliggende gemeenten! Dames en heren, ziehier een aantal artikelen die wij u presenteren en aanrecommanderen en die wij u zonder mankeren zullen weten aan te smeren. Ja, jullie denken dat die Kokadorus maar een beetje voor God en Vaderland staat weg te liegen, maar dat is niet zo. Ik zal het jullie maar vertellen: ik ben benoemd tot directeur van de Maatschappij tot Verwarming van de Noordpool. Nee, mensen, dat moeten jullie niet wegpurmerendernachtboten! Ja, ja, jullie zullen me nog eens missen, als ik de Noordpool aan het verwarmen ben. Ik zie nog gebeuren dat jullie me met z’n allen komen terughalen: voorop het college van burgemeester en vetsjouwers, en dan jullie allemaal. … Cheffie, we gaan beginnen, en bij m’n gezond, ik ga niet eerder van het Amstelveld vandaan of alles moet weg zijn!”
Bij de mobilisatie in 1914 werd hij ingehuurd om her en der in het land de manschappen op te vrolijken. En dat leidde in 1915 weer tot het boek Kokadorus op het oorlogspad. Zijn herinneringen van een jaar oorlog. Nóg een onmiskenbaar teken van zijn roem: in 1916 werd voor het eerst een van zijn conferences op de plaat gezet.

Dure koeken
Dat Kokadorus’ handelswaar minder perfect was dan hij beweerde, wist iedereen: men gunde hem graag zijn geestige bedrog. Maar er waren grenzen. In alle levensbeschrijvingen tot nu toe werd een vervelend akkefietje verzwegen. In september 1924 werd Kokadorus ingehuurd voor een liefdadigheidsloterij tijdens de jaarlijkse kermis in Zaandam, ten gunste van de Vereniging Kindervoeding. De prijzen (poppen en koeken) kocht hij zelf in. Hij zei er zelf niks aan te willen verdienen, maar toen hij na afloop blij meldde dat de loterij f 1102,- had opgeleverd, rees er toch enige twijfel bij het bestuur. Bij nader inzien verklaarde Kokadorus dat het eigenlijk f 1282,34 had moeten zijn: rekenfoutje! Hij zuiverde het verschil aan. Het bestuur was tevreden, maar een wakkere politieagent kwam met een onaangename verrassing. Hij had van winkeliers vernomen dat de poppen niet (zoals Kokadorus beweerde) f 2,60 hadden gekost maar hoogstens f 1,75, en de koeken niet 64 maar slechts 24 cent. De werkelijke winst was minstens f 2400,-! In de pers verschenen berichten met smalende koppen als ‘Kokadorus als philantroop’ en de betrapte koopman haastte zich het totale bedrag af te dragen. De Zaanse politie maakte nog wel proces-verbaal op wegens verduistering. Of hij is vervolgd, is onduidelijk.
De misstap lijkt zijn populariteit niet blijvend te hebben geschaad. Drie jaar later rond zijn 60ste verjaardag (maart 1927) stonden er weer juichende stukken in de krant. Zijdelings werd vermeld dat hij niet of nauwelijks meer als marktkoopman optrad. De Telegraaf: “De laatste jaren werkt hij bijna uitsluitend op Fancy Fairs en voor liefdadige doeleinden. Op zijn zestigste jaar heeft hij nog niets van zijn levendigheid en humor ingeboet. En hoewel hij zich eigenlijk uit het publieke leven der markten teruggetrokken had, bestaat er kans dat hij dezen zomer voor enkele maanden zijn oude beroemde standplaats op het Amstelveld weer zal gaan innemen.”

Meijer de Hond
Kokadorus leek een man van de wereld, maar er was ook een andere Meijer Linnewiel. Thuis (van 1922 tot kort voor zijn dood Jodenbreestraat 97-II) was hij een toegewijde en bovendien een vrome jood. Op vrijdagavonden en zaterdag (sabbat) trad hij nergens op, ook niet in Carré! Hij was dik bevriend met ‘volksrabbijn’ Meijer de Hond en lid van zijn vereniging Touro Our (De leer is het licht).
Na z’n 60ste ging zijn gezondheid achteruit. Uit de Marktkaarten (inschrijvingen als marktkoopman) blijkt dat hij die laatste jaren een standplaats had op het Waterlooplein (als koopman in “kleeden en ongeregeld”), maar dat hij meer dan eens moest worden gemaand die plaats geregelder te bezetten. Op 27 mei 1933 overleed hij op zijn laatste adres (Swammerdamstraat 25-hs). Volgens joods gebruik werd hij daags daarop begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg. Even prijkte weer de naam van de ‘Keizer der Nederlandse standwerkers’ op de voorpagina van kranten en weekbladen.

Peter-Paul de Baar