Nummer 1: Januari 2013 - Schrijven voor een scheet en drie knikkers

Souteneur Haring Arie was een rasechte verhalenverteller01_2013_Haring_Arie

‘Haring’ Arie Elpert (1923–1995) was een van Amsterdams beroemdste souteneurs. Vier boeken schreef hij over zijn turbulente leven en in een prachtige documentaire over de Wallen vervulde hij de hoofdrol. Ons Amsterdam kreeg een kijkje in het manuscript van zijn uitvoerige biografie die in de maak is
.

"Die ouwe zanger wou ook nog een knikker in het bakkie gooien door heel hard te gaan zingen, maar toen hij met ze dronken toges wilde uithalen, vloog z’n oorlogsgebitje meters ver tussen de vol bezette tafeltjes en hij maar roepen: ‘Me snajem, waar is godverdomme me baksnajem.’ Hier, riep er één en haalde z’n eigen vretensbak uit ze snavel en hier, riep weer een ander. ‘Krijgen jullie allemaal de pestpokke,’ brulde die grootlul woest en dook links en rechts onder de tafeltjes, maar z’n gebit was pleite en nergens te vinden.”
Was getekend Haring Arie, in zijn boek Recht voor z’n raap (1972). Onverbloemd en met gevoel voor humor opgetekend in het onvervalste Bargoens waarmee hij opgroeide in het vooroorlogse Amsterdam. Tot ver buiten de Wallen werd hij er beroemd mee.
Adrianus Bernardus Antonius Elpert wordt op 7 februari 1923 geboren als oudste zoon van Marie en Arie Elpert sr. Moeder bestiert een logement, vader is salonbediende op de grote vaart en daardoor vaak lang van huis. Een dochtertje wordt geboren. Daarna nog een, waarvan Arie senior niet de vader is. Het meisje overlijdt, het gezin valt uiteen. Omdat de moeder niet voor haar kinderen kan of wil zorgen worden de vierjarige Adriaantje en zijn zusje naar ‘gestichten’ voor weeskinderen gebracht. Het jochie is nog niet zindelijk, dus dompelen de nonnen hem dagelijks in koud water. Jaren later schrijft Arie:
“… omdat ik vaak in bed piste, kreeg ik na vieren niks meer te drinken. Dus dronk ik stiekem op de speelplaats, omringd door hoge muren met glas erop, tegen het vluchten, als het had geregend, gewoon op me buik liggend uit een plas regenwater. En als het niet had geregend, gewoon uit de pot van de wc.”
De jongen zal nog tot zijn achttiende in bed plassen, wat hem weinig hoopvol stemt ooit te zullen trouwen.

Wonen bij stiefmoeder
Na anderhalf jaar neemt moeder, die met haar minnaar samenwoont, haar zoontje  weer in huis, maar draagt hem spoedig over (Arie gebruikt later zelf de term ‘weggeven’) aan een vrouw die hij niet kent met wie vader inmiddels samenleeft. Deze stiefmoeder maakt zijn jeugd tot “een hel”, memoreert Arie later, zoals in deze aantekening:
“En vanaf die tijd werd ik gewoon rebels, en begon alles te haten en te wantrouwen. Me vader was haast nooit thuis, die moest vaak naar een vergadering, en kwam dan meestal dronken thuis. En dat alles werd op mij door me stiefmoer verhaald, met niks kon ik goed doen, zelfs die keer dat ik zelf moest leren me hoge zwarte schoenen te poetsen, ze gaf me een borsteltje en een lappie met een doosje schoensmeer. Wat deed ik me best, op mijn manier poetste ik ze keurig netjes, en gaf ze netjes aan dat wijf, en daar begint me dat wijf opeens te krijsen, dat ik niks kon en gilde dat ik, stommeling, de zolen niet had gepoetst. En ik angstig klootzakje, moest het overdoen, en ging de zolen en hakken van onderen keurig insmeren en met het doekje uitwrijven. En gaf ze toen trots aan dat kolerewijf. Ze pakt ze aan, en begint als een gek te blèren terwijl ze me die schoenen midden in mijn gezicht gooide, precies op me lip. Ik was zo in paniek dat ik van schrik en angst begon te huilen, en had in tijd van een poep en een scheet een lip zo dik als zo’n Zoeloe neger. Dat wijf was zeker geschrokken, en waste me gezicht af met een washandje, met koud water, en zei toen tot me grootste verbazing, hier Adje, heb je twee centen, ga maar gauw wat te snoepen halen, en als je vader vraagt hoe je aan die dikke lip komt, ben je gevallen, begrepen Adje, en der ogen spraken voor mij toen boekdelen, en inderdaad heb ik me vader verteld dat ik op straat was gevallen, wat had ik een angst voor dat mens, wat een moeder voor me moest voorstellen.”

Straatboefje in Disteldorp
Na vijf verhuizingen binnen tien maanden vestigt het gezin zich in 1930 aan de overkant van het IJ in Disteldorp, waar vader nu broodbezorger is. Op de Van der Pekschool is ‘Attie’, zoals de buurtkinderen hem noemen, een dromer, die bij het horen van scheepstoeters in gedachten naar verre landen afdwaalt. Varen!, dat is wat hij wil. Door zijn gebutste vertrouwen in volwassenen ontwikkelt hij een grote liefde voor dieren. Van zijn stiefmoeder krijgt hij geen genegenheid en vader kiest vooral partij voor haar. Er wordt een halfbroertje geboren.
Met zijn echte moeder heeft de jongen nauwelijks contact. Hij ontbeert liefde en aandacht. “En dat maakte me ergens gemeen, dat wil zeggen, je gaat alles om je heen haten.” Arie’s autobiografische verhalen over het gemis van een liefhebbende moeder doen denken aan het relaas van Ciske de Rat. Hij is zich van deze parallel bewust, maar in zijn notities merkt hij op dat hij om dat verhaal “schamper moet lachen”.
De jeugdige Arie is een straatboefje. Knikkeren, slootjespringen, zwemmen in het Noordhollandsch Kanaal, fikkie stoken op het koeienlandje, voetballen bij De Volewijckers. Vanaf zijn veertiende heeft hij diverse baantjes, zoals kappersknecht, bijrijder, nageljongen, koksmaat, lichtmatroos, fietskoerier en spoelknecht bij Tip van Bootz. Nadat hij daar van de likeur heeft ‘geproefd’, loopt een woordenwisseling uit op een vechtpartij. Gevolg: ontslag op staande voet. “Dat was m’n eerste straf die ik opliep door drank”, vertelt Arie in zijn debuut Haring Arie. Een leven aan de Amsterdamse zelfkant (1968).

Op drift in ’40-’45
Dan bezet het Duitse leger ons land. Arie is zeventien en de vele baantjes zat. Na zijn eerste ‘krakie’ wordt hij het huis uit gezet. Goede zeden en matig drankgebruik lapt hij aan zijn laars, hij zwerft dag en nacht rond in Noord of de binnenstad.
De bezetter knijpt Nederland uit, overal is gebrek aan geld en levensmiddelen. De jonge gauwdief scharrelt erop los: “Ik ging uit stelen, oplichten, zakkenrollen en soms pijnloos beroven. In die jaren ging ik net zo makkelijk inbreken als ik nu een bioscopie pik.”
In de logementen waar Arie verblijft, zal hij zich vaak eenzaam hebben gevoeld. Het vele gevoos in bed of portiek is opwindend, maar respect voor vrouwen houdt de jongeman er niet aan over. Wel heeft hij op een dag “een tikker opgelopen die liep als een klok”. Grote schrik, maar niet voor lang: “Een paar weken was ik heel voorzichtig en flepte ik netjes met een gummi-tje aan m’n haan. Maar dat was van korte duur. Een tijdje later ramde ik weer links en rechts zonder ballonnetje.”
In het cabaretcafé van Mien Kalkhoven leert Arie een meisje kennen met wie hij enige weken verkering heeft, maar langdurige relaties gaat hij niet aan. Zijn leven verloopt steeds grimmiger. Als een op drift geraakt schip verandert zijn thuishaven voortdurend: ouderlijk huis, logement, zeemanshuis, politiebureaus, huis van bewaring, werkkamp, hokken met een scharrel, gedwongen tewerkstelling. De laatste oorlogsmaanden trekt hij als vogelvrije arbeidsdienstweigeraar door Duitsland, waar waanzin hoogtij viert:
“Wij zagen hoe een stuk of vijf Russen een meisje van een jaar of twaalf haar kleren van het lijf rukten. Ze hadden hun broek al naar beneden gedaan. Het werd me zwart voor m’n ogen. Wild van woede pakte ik een zware steen en sloeg een van die gasten er midden mee in z’n porum. Brullend sloeg hij tegen de grond. Zijn gezicht leek wel uit elkaar gespleten. Ik sloeg waar ik raken kon.”

Eigenzinnige vechtersbaas
Na de bevrijding verdient Arie de kost als zeeman, maar dat verveelt snel en hij hervat in Amsterdam zijn oude leven van handeltjes en wandeltjes. Hij komt in aanraking met het souteneurschap. Inmiddels heeft hij een imposant uiterlijk: gespierd torso, getatoeëerde armen, golvend blond haar en priemende blauwe ogen. Geld is altijd een probleem. Hij besluit met haring te gaan venten in cafés.
“Ik was er altijd na enen ’s nachts, dus er kwamen alleen maar mensen uit de kroegen. Altijd was er dan wel zo’n dronken lor, die m’n emmer omver probeerde te schoppen. Ik gaf zo’n broger dan meteen een vreselijke klap op z’n kanus. Dikwijls bracht ik dan de nacht door op het posthuis, waar ze me meestal schofterig behandelden. Maar ja, je moest toch wat voor je handel over hebben.”
Arie wordt een notoire vechtersbaas met een heel eigen rechtvaardigheidsgevoel. Hij beziet het leven met de blik van een verschoppeling, ontwikkelt een behoudende en opportunistische kijk op de maatschappij. En tegen wil en dank kruist dan tóch de liefde zijn pad. “Ik kreeg verkering met een meisje waar ik verliefd op was geworden. Dat was me nog nooit overkomen. Dat gevoel! Ik was voor het eerst echt verliefd.” Arie’s eerste liefde is een nichtje van Johnny Jordaan en Willy Alberti. Het stel gaat samenwonen, maar na een jaar loopt de relatie stuk. Daarna ontmoet hij Mien Sligte (Blonde Mien), de vrouw van zijn leven, met wie hij samenblijft.

Thuis een ander mens
Aan Arie’s loopbaan als haringventer komt een eind. “Ik, die graag een haringkarretje had willen hebben, kreeg het niet klaar. Dan had ik nooit pooier geworden.” Dat het toch die kant opgaat, is voor niemand een verrassing, ook niet voor Arie. Maar het is de haring waaraan hij zijn bijnaam dankt – en die zal hij nooit meer kwijtraken.
Haring Arie schopt het tot plaatselijke en zelfs landelijke bekendheid. Maar thuis is hij een ander mens. Zijn leven lang worstelt hij met de spoken uit zijn jeugd en uit de oorlog. Angstdromen, slapeloosheid, kleine of grote ontsporingen. Arie heeft zichzelf vaak niet onder controle en is zich daarvan pijnlijk bewust. Hij bezweert zijn demonen door te schrijven. Kladblokken, schriften vol. Schrijven als therapie. Schrijven om te vergeten.
“Maar ik schrijf alleen maar op, wat me hart me ingeeft en hoe ik het zelf beleef, en proef, voor de rest kunne ze me kloten kussen, en als ze nooit meer een boek van me uitgeven, zal me dat ook aan me reet roesten, alleen ga ik lekker door met schrijven, want dat is ten eerste goed voor het gestel, en ik doe het ook nog graag, of ze het nu wel of niet uitgeven, ik weet zeker dat het later, ook al ben ik dan niet meer, er wel weer eentje komt, die van me schrijverij een boek in elkaar flanst.”

Rasverteller
Als schrijver is Haring Arie bij het grote publiek nauwelijks nog bekend. Haring Arie. Een leven aan de Amsterdamse zelfkant (1968), Haring Arie. Tweede boek (1969), Recht voor z’n raap (1972) of De sarkast (1989), wie kent die titels nog? Vraag je mensen of ze Haring Arie kennen, dan vallen meestal de woorden Wallen, hoeren en pooier.
Arie was een ongeschoold schrijver, maar wel een rasechte verhalenverteller met een olifantengeheugen en aandacht voor detail. Zijn ontdekker was Clé Souren, die in 1968 uit Arie’s manuscripten een selectie maakte. Hij besefte meteen het potentieel van ’s mans vertelkunst. Souren weet het nog precies: “Ik kende Martin Ros, redacteur bij De Arbeiderspers, omdat ik weleens lectorwerk voor die uitgeverij deed. Ik zei: “Martin, ik heb iets, volgens mij is dat een bestseller, fantastisch.” Desgevraagd herinnert Ros zich dat het eerste boek goed is verkocht: “Nou, toch zeker zo’n 30-40.000 exemplaren.” Arie profiteerde weinig van het commerciële succes: de opbrengsten van zijn twee Arbeiderspersboeken zijn grotendeels door de belastingdienst geconfisqueerd. Naar eigen zeggen is hij er niet meer dan ‘een scheet en drie knikkers’ wijzer van geworden.

Uniek taalgebruik
Er is weleens beweerd dat Arie zijn boeken niet zelf heeft geschreven. Clé verzekert mij echter dat Arie’s teksten volledig authentiek zijn: “Ik heb weinig aan het taalgebruik zelf veranderd. Dat klonk goed, gewoon zoals het was. Ik had het alleen maar verpest als ik daar zou hebben ingegrepen.” Arie’s nagelaten ongepubliceerde manuscripten leveren het onomstotelijke bewijs van zijn auteurschap. Zijn grove en spreektalige woordgebruik is in de literatuur van die jaren uniek; tijdgenoten als Jan Cremer en Jan Wolkers lijken ineens braveriken.
Zijn verhalen behoren tot de ‘bekentenisliteratuur’. Andere Amsterdammers in dit genre zijn taxichauffeur Harry Boting (Wie geeft me jatmous?) en ex-gedetineerde Wil Klijssen (Op de punt van een naald). Ook Albert Mols (bordeel)verhalenbundels Wat zien ik… en Haar van boven vallen in die categorie. Wat hij schreef heeft sterke raakvlakken met de recente ontboezemingen van de tweelingzussen Martine en Louise Fokkens in Ouwehoeren en Ouwehoeren op reis over hun leven in de prostitutie.
Het is tijd voor een herwaardering van Haring Arie. Hij schreef om zijn sores te vergeten, maar was zoveel meer dan een drankzuchtige lastpost, zoveel meer dan een knokgrage souteneur. Hij wist zijn lezers bij de kladden te grijpen. Hij ontroerde en vermaakte hen met zijn levensverhaal op de Wallen.

Tekst: F. Baggen
F. Baggen is corrector en redacteur. Hij schrijft een biografie over Haring Arie en is nog op zoek naar getuigenissen van mensen die Arie en zijn familie hebben gekend (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.).