Nummer 2: Februari 2011 - Kameraden in de knokploeg van Koot



Kameraden in de knokploeg van Koot
Wie waren de WA’ers die de jodenbuurt introkken?
Tekst: Josje Damsma en Erik Schumacher

022011_inhoud-54Een van de vele vechtpartijen tussen Amsterdamse WA’ers en joodse knokploegen kostte in februari 1941 de nationaalsocialist Hendrik Koot het leven. Prompt maakte de NSB van hem een martelaar en al snel volgden de eerste razzia’s. Koot maakte op die voor hem noodlottige dag deel uit van een grote groep gewelddadige WA’ers. Wat was hun leefwereld?

In de namiddag van 11 februari 1941 ging de telefoon bij de familie Schwietert in Amsterdam. De heer des huizes moest zich zo snel mogelijk melden op het kantoor van de Weerbaarheidsafdeling (WA), de knokploeg van de NSB. Twee kameraden waren in de problemen gekomen in de jodenbuurt, en de WA wilde ‘poolshoogte nemen’. Meteen ging Herman Schwietert in zijn zwarte uniform op pad. Hij was niet de enige. Uit alle hoeken van de stad spoedden tussen de 40 en 50 WA’ers zich naar hun ‘vendelhuis’ op Singel 400. Hiervandaan marcheerden ze luid zingend via het Spui, het Rokin, de Nieuwe Doelenstraat en de Staalstraat naar het Waterlooplein in het hart van de jodenbuurt. Bij aankomst was het gelijk raak. Een gevecht barstte los met een grote groep veelal joodse tegenstanders. WA’er Hendrik Koot bleef na afloop zwaargewond liggen. Een paar dagen later gonsde het nieuws door de stad: Koot was dood.
De vechtpartij van 11 februari was de zoveelste in een lange reeks. De extreme tegenstellingen van de bezettingstijd waren op weinig plekken in Nederland zo voelbaar als in Amsterdam. Er woonden relatief veel joden en communisten. Daar kwam bij dat de Amsterdamse afdeling van de WA een van de actiefste van het land was. Op aansporing van de bezetter zochten de WA’ers voortdurend het gevecht met hun vijanden. Rondom het Rembrandtplein sleurden ze joden uit cafés om er bordjes op te hangen met ‘Voor Joden verboden’. Regelmatig trokken ze in formatie de jodenbuurt in, met hun knuppels in de aanslag. Joden en hun sympathisanten lieten dit niet zomaar over zich heen komen en vormden knokploegen. De jodenbuurt veranderde in een slagveld.
De dood van Koot was dus geen incident, maar de onvermijdelijke climax van een maandenlange strijd. Toch kwam het nieuws, met name voor nationaalsocialisten, als een grote schok. Onmiddellijk vormde zich in de propaganda van de Amsterdamse NSB een ware martelaarsmythe rondom Koot. De beweging schreeuwde al jaren moord en brand over de terreur van haar vijanden. De dood van Koot paste naadloos in dit gecultiveerde wereldbeeld van dappere strijd tegen massale tegenstand. Een ander gevolg was dat de openlijke confrontatie tussen de voor- en tegenstanders van het nationaalsocialisme hoger oplaaide dan ooit tevoren. De bezetter nam nu nog hardere anti-joodse maatregelen en sloot de jodenbuurt geheel af. Toen er in deze gespannen periode ook nog eens Duitse agenten werden aangevallen in de joodse ijssalon Koco reageerde de bezetter met de eerste razzia’s, waarop de Februaristaking uitbrak.

Overtuigde nationaalsocialisten
Zeventig jaar na dato hebben we dankzij historisch onderzoek een redelijk inzicht in de gebeurtenissen en de gevolgen van de knokpartij op 11 februari. We kennen de plek van Koot in de geschiedenis. Maar over Schwietert weten we niets. Koot was die dag slechts een van de tientallen WA’ers die vrijwillig in het halfdonker het hol van de leeuw binnenmarcheerden. In Den Haag was al een WA’er vermoord, dus de mannen wisten wat ze op het spel zetten. Dat risico waren zij blijkbaar bereid te lopen in de strijd tegen hun joodse stadgenoten. De vraag dringt zich op wat hen bezielde. Wat waren het voor mannen die hun leven op het spel wilden zetten om met joden te vechten?
Voor ons boek Hier woont een NSB’er deden we onderzoek naar ‘gewone’ Amsterdamse NSB’ers in bezettingstijd. Dankzij het politieverslag kennen we de namen van een aantal WA’ers die op 11 februari aan de zijde van Koot vochten. Willekeurig kozen we er tien: Frans Erbe (destijds 40 jaar oud), Antonius van Erve (30), Johan van Grol (37), Johannes Heijl (48), Adolf Langkemper (42), George Lommerse (48), Johannes Pietersma (24), Philip Ruppert (33), Herman Schwietert (29) en Jan Woud (20). De naoorlogse getuigenissen van henzelf en van mensen uit hun omgeving over hun gedrag in bezettingstijd, opgeslagen in de archieven van Bijzondere Rechtspleging, maken het mogelijk om hun doopceel te lichten. De combinatie van deze bronnen biedt een uniek inkijkje in de leefwereld van sommige van de meest gewelddadige NSB’ers van het land.
Uit de juridische dossiers blijkt dat de tien WA’ers stuk voor stuk overtuigde nationaalsocialisten waren. Bijna allemaal waren ze voor de oorlog al lid geweest van de NSB of hadden in ieder geval interesse in het nationaalsocialisme getoond. Bovendien gaven ze in hun getuigenissen aan écht in het nationaalsocialisme te hebben geloofd. Lommerse was bijvoorbeeld overtuigd geraakt van het fascisme tijdens een verblijf in Italië, waarop hij zich in 1934 aanmeldde bij de NSB. Aangezien de WA de keurtroep van de beweging was, hoeft het geen verbazing te wekken dat de WA’ers zo fanatiek waren. Hun idealisme sloot opportunisme overigens niet uit. Sommige WA’ers hoopten door hun lidmaatschap een (betere) baan te krijgen, en dat lukte vaak ook.

Ontheemde mannen
Net als in het hele land kwamen de Amsterdamse NSB’ers uit alle lagen van de bevolking. Toch is er wel iets specifieks te zeggen over de maatschappelijke achtergrond van de tien WA’ers. Opvallend aan deze groep is dat de meesten van hen een ontheemde indruk maken. Ze waren vaak werkloos, kwamen uit gebroken gezinnen, waren zelf gescheiden, hadden psychische problemen of waren niet sterk verbonden aan een kerkgemeenschap. Woud had zijn vader bijvoorbeeld al voor zijn geboorte verloren, terwijl zijn moeder naar Nederlands-Indië was vertrokken en haar zoon bij vreemden had achtergelaten. Wellicht was de non-conformistische stap om lid te worden van de WA sneller gemaakt wanneer iemand ook in andere opzichten niet aan de geldende normen voldeed.
De WA-mannen lieten zich door de dood van Koot niet afschrikken. Integendeel, net als de overige Amsterdamse NSB’ers zetten de tien WA’ers hun strijd met extra volharding voort. Bijna allemaal kwamen ze daardoor in de loop van de oorlog in Duitse dienst terecht. De bezetter had namelijk al snel zijn oog laten vallen op de mannen van de WA. Dat waren nuttige krachten voor de strijd tegen de joden, de Russen en het verzet. De nieuw opgerichte Vrijwillige Hulppolitie moest de bezetter assisteren. Iedereen mocht hiervoor solliciteren, maar in de praktijk werden alleen WA’ers aangenomen. Onder hen waren Langkemper, Pietersma en Schwietert. De hulppolitie werd ingezet om joden uit huis te halen. Sommige WA’ers maakten overuren. Zo arresteerde Langkemper op eigen houtje joden die zonder ster over straat gingen. Hij verraadde daarnaast joodse kennissen, zodat hij zelf in hun huis kon gaan wonen.
Ook op andere manieren maakte de bezetter gebruik van de WA’ers. Woud, Van Erve en Van Grol vochten aan het oostfront. Woud keerde gewond terug, terwijl Van Erve klachten kreeg die tegenwoordig misschien onder de diagnose ‘posttraumatische stress-stoornis’ zouden vallen: zenuwtoevallen in zijn slaap, urineverlies en moeite met spreken. Anderen profiteerden juist van hun collaboratie. Van Grol kreeg een baan bij Liro, de nepbank die de roof van joodse bezittingen coördineerde. Pietersma nam als stroman van de bezetter een meubelzaak over waarvan de eigenaar gedeporteerd was. Praktisch al onze WA’ers werden tegen het einde van de oorlog gerekruteerd voor de Landstorm of de Landwacht, om het front te verdedigen of aan het thuisfront de orde te bewaken –zelfs de gemankeerde Van Erve.

Contact met anderen
Wie in het eerste oorlogsjaar met de WA de jodenbuurt binnenmarcheerde, bevond zich kortom op een weg die vaak naar verregaande collaboratie leidde. De knokploeg van de NSB functioneerde als kweekvijver voor de bezetter. Dat wil niet zeggen dat de tien WA’ers een speelbal in Duitse handen waren. Niemand dwong ze om te collaboreren. Dat bewijst het geval van Lommerse. Hij was te oud voor het oostfront, maar hielp ook niet bij deportaties en weigerde dienst in de Landwacht. Hij wilde geen gevaar meer lopen. De enige consequentie was dat hij met pijn in het hart zijn lidmaatschap van de NSB moest opzeggen.
Onze tien WA’ers waren niet alleen nationaalsocialist. Ze waren ook vader, echtgenoot, buurman, vriend en collega. Lommerse vertrok, nadat hij zijn lidmaatschap had opgezegd, op stel en sprong naar Oisterwijk. Daar woonde zijn ex-vrouw, die hem had verlaten omdat hij zijn lidmaatschap van de NSB niet wilde opzeggen. Nu zijn affaire met het nationaalsocialisme was stukgelopen, hoopte Lommerse zijn andere liefde nog te kunnen redden.
De meesten van de tien WA’ers kenden dit probleem niet. Zij trouwden binnen de beweging. Heijl ging er zelfs met de weduwe van Koot vandoor. Toch is het verhaal van Lommerse tekenend. Zijn vrouw verafschuwde zijn overtuigingen, maar werd evengoed verliefd op hem. Voor het persoonlijke contact tussen Amsterdamse NSB’ers en buitenstaanders gold in het algemeen dat politieke meningsverschillen niet altijd overheersten. We zien het bij de tien WA’ers. Pietersma maakte zich als Duitse stroman in zijn meubelzaak zeer populair onder zijn werknemers. Toen de rechtmatige eigenaar na de oorlog uit het kamp terugkeerde, verzocht die de rechter om Pietersma zacht te straffen. Hij wilde deze gewaardeerde kracht graag in dienst nemen.
Zelfs mensen die veel van de NSB te vrezen hadden, namen individuele WA’ers soms nog in vertrouwen. Lommerse bleef over de vloer komen bij zijn joodse kennissen. Woud had een vriendin die onderduikers verborg. Toch bleef hij welkom bij haar thuis. Ze kon zich niet voorstellen dat hij haar zou verraden. Dat gebeurde ook niet. Hij hielp later zelfs iemand onderduiken. In ons boek laten we zien dat Amsterdammers in het algemeen anders dachten over individuele NSB’ers dan over de verafschuwde NSB als geheel.

Slot
Wat waren het voor mannen, die met Koot de jodenbuurt introkken? Wie de wandaden van onze tien WA’ers kent, kan niet anders dan zich verbazen dat ze soms ook tot prettig contact met andersdenkenden in staat waren. Sommigen van de WA’ers passen in het profiel dat je verwacht van de gewelddadige antisemiet: bruut, meedogenloos, de weg kwijt. Maar van anderen vraag je je af wat ze in het gezelschap van Koot zochten. Door hun keuze voor het nationaalsocialisme kwamen ze, dikwijls onder Duitse leiding, in een spiraal van geweldpleging terecht. Maar die keuze maakten ze zelf, iedere dag dat ze bij de NSB bleven. Het is de crux van het verhaal: in extreme omstandigheden hebben extreme keuzes extreme gevolgen.