Nummer 6: Juni 2012 - Executie op de Nieuwmarkt


Één keer stond er een guillotine op de Nieuwmarkt. Op maandag 15 juni 1812 rolden de hoofden van de 37-jarige Hester Rebekka Nepping, haar 22-jarige minnaar Gerrit Verkerk en de 25-jarige dienstmeid Adriana van Rijswijk. Ze waren schuldig bevonden in een opzienbarende vergiftigingszaak
06-2012_executie
Op maandag 15 juni 1812 ziet een grote menigte Amsterdammers op de Nieuwmarkt de hoofden rollen van drie ter dood veroordeelden. Voor het eerst én het laatst werd in de stad de guillotine gehanteerd. De bijl viel in een vergiftigingszaak die groot opzien baarde. Over hoofdverdachte Hester Rebekka Nepping verscheen zelfs een boekje.

“O, O sorgt tog voor mijn kinderen die soo veel van haar moeder tekort bennen gedaan. Og staa haar tog bij, hier ontvalt mijn de pen”, zijn de wanhopige woorden die de ter dood veroordeelde Hester Rebekka Nepping aan het papier toevertrouwt. Ze heeft vijf kinderen van vijf tot zestien jaar. In de brief zet ze vooral uiteen waar allerlei bijzondere spulletjes in huis te vinden zijn en aan wie die toekomen, onder andere “dat goutvissie met het glas”. En ze vraagt clementie voor haar jonge minnaar, die ook voor de bijl gaat: “Soo daar nog moogenlijkheit is om Verkerk van de doot te bevrijen, og doet het om sijn ionkheijt.”
Amsterdam is getuige van een drievoudige terechtstelling met de guillotine voor de Waag op de Nieuwmarkt. Een primeur voor de stad én Nederland. In juni 1810 was Holland ingelijfd bij het Franse keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Kort daarop werd het Franse strafwetboek ingevoerd, de Code Pénal, inclusief een nieuwe wijze van straffen. Zo gebeurde het dat in de tweede week van juni 1812 op de Nieuwmarkt in Amsterdam een schavot met guillotine werd opgericht. En dat op maandag 15 juni de valbijl viel en de hoofden rolden van de 37-jarige Hester Rebekka Nepping, haar 22-jarige minnaar Gerrit Verkerk en 25-jarige dienstmeid Adriana van Rijswijk. De twee vrouwen waren veroordeeld voor tweevoudige moord, Verkerk wegens medeplichtigheid. Hun slachtoffers waren Hesters echtgenoot Jan Brummelkamp en de kostgangster Elisabeth Berenburg-Vinjole.
De zaak baarde groot opzien. Nog in hetzelfde jaar publiceerde de vertrouwensman van hoofdverdachte Hester, dominee Willem Broes, een boekje met de alomvattende titel: Berigt omtrent het leven, het karakter en de laatste godsdienst-aandoeningen van de beruchte vergiftigster Hester Rebekka Nepping, met haar medepligtigen ter doodstraffe veroordeeld, om den moord van haar bijwoneresse, en van haren echtgenoot: tot leering en waarschuwing zamengesteld door W. Broes, die, in zijne betrekking van Leeraar bij de Hervormde Gemeente te Amsterdam, haar vele weken in de gevangenis bezocht had.

Sporen van arsenicum
Het was allemaal begonnen met het overlijden van Hesters echtgenoot Jan Brummelkamp op 11 november 1811. Al snel deden geruchten over vergiftiging de ronde. Het was de omgeving niet ontgaan dat er tussen Hester en haar overbuurman Gerrit Verkerk al enige tijd een “ongeoorloofde verkering” bestond. Ze deden ook weinig dit te verbergen. De 13-jarige Johanna (Naatje) Elsmeijer, een weeskind dat door een aalmoezeniershuis als dienstmeisje bij de Brummelkamps was geplaatst, verklaarde later hoe zij had gezien: “dat Gerrit Verkerk bij de juffrouw in de kamer zittende het ligt uitblies en op haar schoot ging zitten en haar dikwijls kuste, dat zij meermalen door de reet van de deur loerende gezien heeft dat Gerrit Verkerk aan juffrouw Brummelkamp de rokken opligte en op haar ging liggen.” De rechter liet een onderzoek instellen naar Brummelkamps dood. Bij de autopsie werd aan zijn maagsappen een knoflookachtige geur opgemerkt, die duidde op de aanwezigheid van arsenicum.
Al deze gebeurtenissen speelden zich niet af in Amsterdam, maar in Wijk bij Duurstede, waar het echtpaar op dat moment woonde. Ze kwamen wel uit Amsterdam vandaan. Hester was er in 1774 geboren als dochter van meesterschilder en -glazenmaker Johannes Nepping en Cornelia Schram. Haar man had een “rijkbeklante tabaksaffair”. Maar hij dronk veel, maakte schulden en verloor zijn nering. Ze verhuisden naar Loenen aan de Vecht, vervolgens Hilversum, later Hal en uiteindelijk Wijk bij Duurstede. Hester, haar dienstbode en haar minnaar waren in Amersfoort in het huis van bewaring gezet en vandaar op 15 januari 1812 overgebracht naar Amsterdam om te worden berecht.
Nadat bij Brummelkamp arsenicumvergiftiging was vastgesteld, verzocht de keizerlijke procureur te Amersfoort tevens om een gerechtelijk onderzoek naar de dood van de voormalige kostgangster Elisabeth Berenburg-Vinjole en van Hesters vader Johannes (Jan) Nepping. Beiden waren eerder onder verdachte omstandigheden overleden. De eerste op 2 september 1811, de tweede op 8 november, drie dagen voor zijn schoonzoon. Vader Nepping was in 1811 bij zijn dochters gezin ingetrokken, omdat hij oud, ziekelijk en “niet wel bij zinnen” was. Sectie wees ook bij hen op arsenicumvergiftiging, maar alleen de moord op de vrouw werd Hester ten laste gelegd.

Geestelijk verzorger
Hester, Adriana en Gerrit ontkenden eerst alles, maar toen Adriana begon te praten, bekenden de andere twee ook vrij snel. Adriana had haar werkgeefster het idee ingefluisterd om vrouw Berenburg te vergiftigen met arsenicum, ook het gif gekocht en in het eten van de kostgangster gedaan. De vergiftiging van echtgenoot Jan lukte pas bij de tweede poging, toen Gerrit zich ermee ging bemoeien. De eerste keer hadden de vrouwen het gif in zijn jenever gedaan en was Jan alleen maar ziek geworden. Gerrit meende dat het beter via zijn eten kon. Ditmaal kocht hij de arsenicum. De vrouwen bereidden Jans laatste maal, nog die dezelfde nacht overleed hij.
Het hof had dominee Broes aan Hester toegewezen om zich “ter vermaning en vertroosting” te bekommeren om haar geestelijke verzorging. Hester vertelde hem haar levensverhaal, toonde zich godsvruchtig, maar niet geheel berouwvol. Zijn eerste indruk van haar beschrijft hij aldus: “Ik zag een welgekleede burgervrouw, van een middelbaar statuur, met kleine gevleeschde handen, vol en niet onbevallig van aangezicht.” Haar ogen waren neergeslagen, maar toch zag hij daarin “de ellende van haren tegenwoordige staat.” Hij vindt haar zwarte rouwkleding “huichelachtig”. Als hij Hester enkele keren heeft gesproken, oordeelt hij: “Ze had een goed verstand, een vast geheugen, een snel begrip en gezond oordeel. […] Haar voorkomen was vriendelijk, hare manieren beleefd, zij sprak niet onaangenaam, en wist aardig te bedanken voor de geriefelijkheden, welke men haar, in haar ongelukkige lot toebracht.”
Hester mag overspelig zijn geweest, ze was niet zonder schaamte. Ze kleedde zich netjes en “pleegde zich met kiesheid uit te drukken over wellust.” Bovendien “heeft haar overspelig verkeer zich telkens tot éénen minnaar tegelijk bepaald.” Broes meent dat ze voor Verkerk echte romantische gevoelens had. Ze wilde niet alleen het bed met hem delen, maar ook “lot en dagelijkse omgang”. Ze was dan ook zeer geschokt toen Verkerk tegen de rechter zei: “Hoe zou ik dat vrouwmensch met hare 5 kinderen ooit hebben willen trouwen?” Maar Hesters karakter had een keerzijde. Ze was gewelddadig en er heerste in haar “van kinds af aan een grote onverschilligheid omtrent de moeite en de smart van anderen.” Ook was ze verkwistend.

Vinnige vrouw
Geldgebrek bracht Hester op Elisabeth Berenburg-Vinjole. Hester en Jan namen vanaf 1810 kostgangers in huis om hun schamele inkomen aan te vullen. In april 1811 kwam het echtpaar Berenburg in huis. De 83-jarige Reinier Berenburg had bij de notaris een overeenkomst afgesloten, waarbij hij f 3000,- toezegde aan zijn hospes als zij hem en zijn 67-jarige vrouw tot aan hun dood onderhield. Ook bij het overlijden van één van hen zou zij geld uitgekeerd krijgen. Dat mevrouw Berenburg een zeer onaangename vrouw bleek, maakte de moord eenvoudiger.
De moord op haar echtgenoot was deels “uit walging” voortgekomen, deels omdat hij haar geluk met Verkerk in de weg stond. Het huwelijk was vanaf begin af aan niet goed, schrijft Broes. “Na een klein getal van zoete maanden […] neigde het huwelijk tot tweedracht, koelheid, wederzijdse minachting en tot overheersing van de kant der vrouw en onderwerping van de man. In haar gemoedstoestand was een grote vinnigheid van welke man en kinderen veel geleden hebben. Zij had haar man een aantal malen ook stevig geslagen.” Jan was een alcoholist die nauwelijks geld binnen bracht. Broes schrijft dat Hester vroeger een “aardig en mooi meisje” was, dat haar ouders “deftige en welvarende lieden” waren, die haar een “eerlijke en godsdienstige opvoeding” hadden gegeven. Maar ja, “onkuische drift” en “booze wrevel” kúnnen een ziel vergiftigen.
Nadat het vonnis was uitgesproken, raadde de rechter de drie veroordeelden aan zich in de weinige tijd die ze nog hadden aan “het berouw en de godsdienst te wijden.” Hester toonde zich tegenover Broes zeer gelovig: “Wat groot voorregt dat mijn doodvonnis, tegen alle uitzigt, zoo lang blijft uitgesteld! Te voren, in mijne valsch blijmoedige hoop, wenschte ik hoe eerder hoe liever te sterven! Nu, ziende, hoe veel er aan mijne booze ziel te doen is, beschouw ik iedere dag als winst, en dank ervoor.” Met het berouw was het minder gesteld. Ze had spijt van de moord op haar man, vertelde ze Broes, niet van die op de oude, “knorrige” vrouw Berenburg.

Ramen vol met dames
Op 15 juni 1812 stroomde de Nieuwmarkt vol nieuwsgierigen, schrijft de Amsterdammer Willem de Clercq (1795-1844) in zijn dagboek. Terechtstellingen vonden in Nederland in het openbaar plaats. Ter afschrikking, zo was de achterliggende gedachte, maar voor velen waren ze een welkome afwisseling van het saaie, dagelijks bestaan. Pas sinds kort vonden de openbare strafvoltrekkingen in Amsterdam naast de Waag op de Nieuwmarkt plaats. Eeuwenlang was dit gebeurd bij het stadhuis op de Dam. Maar toen Lodewijk Napoleon, de broer van keizer Napoleon in 1808 hier zijn intrek nam, werden deze vertoningen op zijn aandringen verplaatst naar de Nieuwmarkt.
Er is een tekening van de terechtstelling die vrolijk, bijna pittoresk aandoet en suggereert dat hoogstens een paar honderd mensen kwamen kijken. Maar volgens De Clercq was het plein bomvol en Broes rept over “duizenden belangstellenden”. Ze staan er rustig bij. In werkelijkheid ging het er bij executies veel chaotischer aan toe, met geschreeuw en gedrang en zelfs vechtpartijen om de beste plek te bemachtigen. Niet alleen ‘het gewone volk’ was geïnteresseerd. “Alle ramen zaten vol met dames”, noteert De Clercq. Hij zag dat ook op het plein de menigte vooral uit vrouwen bestond. De aantrekkingskracht van openbare strafuitvoeringen op het schone geslacht wordt vaak als feit opgemerkt in ooggetuigenverslagen.
Een van de twee vrouwelijke veroordeelden – Hester? – staat op het schavot achter een plank waaraan ze zal worden vastgemaakt. Straks wordt de plank horizontaal gelegd en onder het mes geschoven. Vreemd genoeg heeft de guillotine op de prent een recht mes. Een vergissing van de tekenaar. De bouwtekening laat een schuin mes te zien: hét vernieuwende kenmerk van deze executiemethode.
Dominee Broes ontpopt zich in zijn boekje als een tegenstander van de doodstraf, wellicht omdat hij Hester té goed leerde kennen. De laatste twee weken voor de executie had ze geen trek meer in “gewone spijzen”, schrijft hij, en at ze vooral “verfrissende salades en beschuit”. Ze had angstige momenten, waarin ze uitriep: “Waar nu heen! Ik de allerbooste der menschen! Mijn uur daar! […] Morgen mijn vonnis [..] Mijn zonden verschrikkelijk en mijn berouw zo laat, zo gebrekkig.” Maar snel kon het weer anders zijn: “Hoe wonderlijk bedaard vond ik haar de volgende morgen.”

Zijt welgemoed
’s Ochtends vroeg op de dag van het vonnis werd de “wettelijke aankondiging van haar doodstraf” aan Hester en Adriana medegedeeld in het Nieuwe Werkhuis, waar ze verbleven, en dat deze binnen zes uur zou worden voltrokken. (Gerrit zat in het Rasphuis aan de Heiligeweg.) Hester zat drie uur lang doodstil tegenover Broes, slechts twee keer onderbrak ze de stilte voor gebed. Ze was “verkwikt door de slaap” en voelde zich lichamelijk goed. Om 10.00 uur werden de twee voor ‘eerste bode’ Jacob Schelte geroepen, die hen naar de Waag moest begeleiden. Hij liep voor de wagen met beide vrouwen uit.
Broes zag haar daar weer, in een ruim vertrek waar bij zijn binnenkomst grote stilte heerste. “Zij sprak nu nog al veel met mij, somwijlen met levendigheid; behield voorts hare rustige, peinzende houding, zonder traan of trekking van schrik.” Vlak voor Hesters executie schonk hij haar vergeving: “Ik zeide ten laatste met plegtigheid: Dat het zekere oordeel over het lot harer ziel tot den Alwetenden alleen behoorde; dat ik echter, volgens de betuigde verfoeijing harer zonden, en volgens haar betuigde nederig geloof aan Jezus Christus, den eenigen Zaligmaker, in den naam mijnes Heeren daar verklaarde: Vrouwe! Uwe zonden zijn u vergeven! Zijt welgemoed!”
Broes’ medelijden was oprecht. “Welk menschenhart zoude niet in het overvloedigste medelijden zich over u uitstorten.” Hij eindigt zijn vertoog met een waarschuwing, tegen “onkuische drift” en “booze wrevel” die de ziel kan binnendringen, opdat het de lezer niet zou vergaan zoals Hester. Hij lijkt geheel Hesters vriend te zijn geworden. Hij toont zich trots op zichzelf dat hij haar tot aan haar einde toe heeft bijgestaan: “Hoe streelde het mij, dat ik, sterk genoeg van lichaam en geest […] niet genoodzaakt was geweest om in de jongste oogenblikken haar te verlaten!”
De terechtstelling beschrijft hij niet. Was de aanblik hem teveel? De Clercq is iets mededeelzamer: “De executie verliep gelukkig voorspoedig. Het dienstmeisje leek bijna flauw te vallen. Verkerk beval zijn ziel aan God en Jezus Christus aan en madame Brummelkamp zei geen woord. Één slag en een mensenleven is geëindigd.” In die volgorde is het gegaan.

Slechts twee keer is de guillotine daarna in Nederland nog gebruikt (in Den Haag). Na Napoleons ondergang in 1813 werd veel Franse wet- en regelgeving weer teruggedraaid. De houten stellage van de guillotine werd jarenlang door de Koninklijke Academie van Wetenschappen gebruikt “om er voor den ijk ellen en duimstokken aan af te meten.” Het Amsterdamse valbijlmes is uit het archief van het stadhuis verdwenen; Museum de Gevangenpoort in Den Haag bezit er nog wel een. Het laatste doodvonnis in Amsterdam werd in 1854 voltrokken. Tien jaar na de laatste executie in Nederland in 1860 werd de doodstraf afgeschaft.

Tekst: Anja Krabben
A. Krabben is journalist. Zij heeft samen met Roy de Beunje Stichting ThemaTijdschriften opgericht. Vorig jaar waren de uitgaven gewijd aan Napoleon. Voor de eerste uitgave dit jaar getiteld 1812 schreef zij eerder een artikel over deze executie met de guillotine.