Nummer 4: April 2012

04_2012_Boerenoorlog
Aan het begin van de 20-ste eeuw was Amsterdam in de ban van de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Aan het einde ervan bloeide de strijd tegen de aparatheid. De geschiedenis van de Transvaalbuurt weerspiegelt die omslag. De anti-Britse spotprent is van Soranus.

December 1900. Massaal gaan de Amsterdammers de straat op om een glimp van de grimmig kijkende Paul Kruger op te vangen. In Zuid-Afrika vechten nazaten van Nederlandse kolonisten tegen de Engelse overheersers. Hij is hun president en zoekt steun. Amsterdam is in de ban van de Boerenstrijd. Het sentiment gaat zover dat een nieuwe wijk ernaar vernoemd wordt: de Transvaalbuurt.

Paardekraal, Laing’s Neck, Tugela, Vaalrivier, Spitskop, Ingogo, Afrikaner, Louis Botha, Andries Pretorius, Christiaan de Wet, Pieter Retief: de vele straatjes in de nieuwe Transvaalbuurt in Oost hadden een eeuw geleden namen nodig. Dit keer werden het geen Nederlandse staatslieden, gelauwerde schilders, schrijvers of rivieren. De tijdgeest vroeg om een politiek statement, een steunbetuiging aan verwante zielen in het ver weg gelegen Zuid-Afrika. In Zuid-Afrika was in 1899 de Tweede Boerenoorlog uitgebroken tussen blanke Afrikaanse Boeren, nazaten van Nederlandse kolonisten, en de Britse overheersers. Nederland voelde een sterke verwantschap met deze Boeren. Er waren immers grote overeenkomsten in taal, geloof, cultuur en geschiedenis (zie kader). De keuze voor straatnamen die verwezen naar hun onafhankelijkheidsstrijd had een diepe emotionele lading.
De Transvaalbuurt was in 1903 op de tekentafel ontworpen door architect Hendrik Berlage en raakte langzaam maar zeker volgebouwd. Nog tijdens de ontwerpfase boog een commissie zich over de straatnamen. Het Nederlands-hervormde gemeenteraadslid Johan Adam Wormser jr. was de stuwende kracht achter de naamgeving van de Transvaalbuurt. Hij was een groot pleitbezorger voor de autonome rechten van de Boeren. In december 1900 organiseerde hij zelfs een bezoek van Paul Kruger, president van de Zuid-Afrikaanse Republiek Transvaal, aan Amsterdam. Een bezoek dat bepaald niet onopgemerkt voorbijging.
Kruger was door koningin Wilhelmina naar Nederland had gehaald. De bejaarde staatsman had zich vanwege de oorlog met de Britten in Mozambique teruggetrokken, waar hij in feite in ballingschap verkeerde. Om Kruger uit dit isolement te verlossen, stuurde zij het oorlogsschip Gelderland, dat hem naar Europa bracht. Vanuit Marseille maakte de president een Europese tournee om steun te verwerven voor zijn strijd. Zonder concreet resultaat werd hem in Den Haag verblijf aangeboden. Een jaar eerder al had de jonge vorstin (pas twintig jaar oud) het initiatief genomen voor een vredesconferentie in Den Haag, waar zij vergeefs trachtte Frankrijk, Duitsland en Rusland te overreden pressie uit te oefenen op Engeland. Ook de Nederlandse regering hield zich afzijdig om de Engelse betrekkingen niet te verstoren.

Bezoek Paul Kruger
Nu Kruger in Nederland was, zag Wormser zijn kans om een lang gekoesterde wens in vervulling te laten gaan. Hij zou namens de gemeente Amsterdam en als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging de president fêteren op een bezoek aan de hoofdstad.
Wormser stond pal voor de Afrikaanse zaak. Zijn christelijke overtuiging speelde daarin een belangrijke rol. Van professie was hij boekhandelaar en uitgever van voornamelijk orthodox-christelijke publicaties, waarbij ook politieke en maatschappelijke standpunten ruim aandacht kregen. De firma Höveker & Wormser beheerde een keten van boekwinkels, ook twee in Zuid-Afrika. Daarmee droeg hij belangrijk bij aan het bestendigen van de Nederlandse taal en het christelijk geloof in de Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat. Naarmate Wormser zich meer betrokken voelde bij de Afrikaner zaak, liet hij zijn uitgeverij een hele reeks boeken verzorgen over dit onderwerp. Onder andere uitvoerige (auto)biografieën van de Boerengeneraals Christiaan de Wet, Koos de la Rey en Piet Joubert.
19 december 1900 was de grote dag. In de stromende regen reed het presidentiële salonrijtuig het Centraal Station binnen. In de koninklijke wachtkamer werd Kruger ontvangen door het organisatiecomité. Voorzitter Wormser viel de eer te beurt het staatshoofd als eerste toe te spreken; het hele verdere verblijf zou hij hem begeleiden. Een koor van 700 zangers bracht een huldezang op het Stationsplein. Vervolgens bezocht Kruger het stadhuis en het Afrikaans Tehuis aan de Nieuwe Herengracht, een opvanghuis voor ballingen uit de Kaapkolonie. De volgende dag bezocht hij een eredienst in de Nieuwe Kerk, waarna een groots defilé werd gehouden in het Paleis voor Volksvlijt. Onder de genodigden waren kinderen van 109 Amsterdamse scholen. Ondanks de regen was het een geslaagd bezoek, dat massa’s mensen op de been had gebracht.

De eerste straten
Terwijl Kruger in Europa vergeefs op zoek was naar bondgenoten, verslechterde de situatie in Zuid-Afrika. De Boerenlegers hadden zich teruggetrokken achter de Tugelarivier in Natal, waar generaal Louis Botha op de heuvel Spitskop (ook Spionkop) een zwaarbevochten overwinning wist te behalen. De Britten verhardden in hun strijd. Boeren die in veroverd gebied waren achtergebleven, voornamelijk vrouwen en kinderen, werden vastgezet in concentratiekampen. Vele duizenden van hen bezweken onder de omstandigheden. Op 31 mei 1902 gaven de Boeren de ongelijke strijd op. De twee republieken gingen verder als provincie, met de toezegging van onafhankelijkheid op termijn. En het Afrikaans werd officieel als taal erkend.
Kruger zag het vanuit Nederland allemaal gebeuren. Hij zou niet terugkeren en overleed in 1904 in een Zwitsers kuuroord. Inmiddels was in Nederland een campagne opgezet om de Boeren een hart onder de riem te steken. Koningin Wilhelmina had er persoonlijk voor gepleit dat Nederlandse gemeenten een eresaluut zouden geven aan de Afrikaanse verwanten. Tientallen gemeenten reageerden en vernoemden huizen, parken, straten en wijken naar personen of gebeurtenissen uit de Eerste en Tweede Boerenoorlog. In Haarlem, Leiden, Den Haag, Rotterdam, Dordrecht, Arnhem, Tilburg, Leeuwarden, Hengelo en Vaassen kwamen Afrikaner- of Transvaalbuurten.
De eerste straten in de Amsterdamse Afrikanerbuurt, zoals het wijkje in het begin werd genoemd, kregen in 1904 hun naam. De Pretoriusstraat, de Retiefstraat en enkele zijstraten, waaronder de De la Reystraat en de Laing’s Nekstraat. In die laatste straat bouwde Patrimonium in 1914 haar allereerste woningen. Dat kan geen toeval zijn. Johan Wormser was betrokken bij het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium. Begin 20ste-eeuw begaf de vakvereniging zich op het gebied van sociale woningbouw.
Maar het was de Algemene Woningbouwvereniging (AWV) die in 1911 de eerste gesubsidieerde woningen in de pas ontgonnen Transvaalbuurt bouwde. De straat en het plein waar deze woningen kwamen, kregen in 1912 de naam Transvaalstraat en Transvaalplein. Tegelijk werd de Ringkade hernoemd tot Transvaalkade. Deze straten hebben de buurt haar uiteindelijke naam geven.

Steve Bikoplein
De buurt is maar langzaam volgebouwd. Straatnamen zijn tot 1926 toegewezen. In 1915 was de Krugerstraat aan de buurt. Dit was overigens niet de vroegste vernoeming naar Kruger binnen de regio Amsterdam. De Watergraafsmeer – toen nog deel van de gemeente Nieuwer-Amstel – had al sinds 1901 een Krugerstraat. Met de annexatie van deze wijk door Amsterdam in 1924 werd de Krugerstraat hernoemd tot Zacharias Jansestraat. Als één van de laatste kreeg de Danie Theronstraat haar naam (vernoemd naar een in 1900 gesneuvelde legeraanvoerder).
De buurtbewoners van de Transvaalbuurt hebben zich over het algemeen weinig aangetrokken van de historische betekenis van de straatnamen. Pas veel later kregen de Zuid-Afrikaanse verwijzingen weer een politieke lading. In de jaren zeventig groeide in Nederland het protest tegen het apartheidsregime dat was voortgekomen uit het Afrikaans nationalisme. Daarmee kwam de Boerenoorlog in een heel ander daglicht te staan. De Transvaalbuurt was de ideale plek om een nieuw statement te maken. In 1977 werd een verzoek ingediend om het Pretoriusplein te vernoemen naar Steve Biko. Een prominente voorvechter van burgerrechten in Zuid-Afrika, die een jaar eerder in gevangenschap om het leven was gekomen. Aanvankelijk was het de bedoeling meerdere straten te vernoemen naar anti-apartheidsactivisten. Zo waren er plannen om de President Steynstraat de naam van Winnie Mandela te geven.
Het voornemen de straatnamen te wijzigen riep bij oudere buurtbewoners veel protest op. Zij wezen op de tragische oorlogsgeschiedenis van de wijk. De Duitse bezetter had van de uitgesproken Joodse Transvaalbuurt een afgesloten getto gemaakt: Judenviertel II. Vrijwel alle Joodse bewoners zijn afgevoerd. Nu zou hen ook nog de straatnamen worden afgenomen, alsof de slachtoffers nooit hebben bestaan. Dat was onverdraaglijk. Uiteindelijk ging de gemeente alleen akkoord met de naamgeving van het Steve Bikoplein.

Comité Historische Straatnamen
Zo’n tien jaar later kreeg deze geschiedenis een vervolg. In de Ambtelijke Werkgroep Transvaalbuurt ontsproot het initiatief tot de oprichting van een anti-apartheidsmonument. Kunstenaar Pépé Grégoire vervaardigde in 1986 een sculptuur tegen apartheid en uitsluiting. Daarmee waren beide historische lijnen in de buurt aan de orde gesteld. Een locatie voor het monument werd gevonden op de hoek van het Krugerplein en de Louis Bothastraat. Enkele leden van de werkgroep hadden moeite met de naam Botha. Die deed teveel denken aan Pieter Willem Botha, premier (1978-1984) en president (1984-1989) van Zuid-Afrika en voor velen het gezicht van het apartheidsbewind. Zij stelden voor de straat te vernoemen naar Albert Luthuli, president van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) in de jaren vijftig en zestig, voorstander van geweldloos verzet en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede.
Er ontstond een splitsing in de werkgroep. De leden die tegen wijziging waren organiseerden zich in Comité Historische Straatnamen. Wil Erents-de Brave: “Het was het jaar dat Nelson Mandela vrij zou komen en linkse politieke partijen wilden zich solidair tonen door de straat naar Luthuli te noemen. Tien jaar eerder hadden we van de gemeente zwart-op-wit gekregen dat er geen straatnamen meer gewijzigd zouden worden. Nu moesten we toch weer in actie komen.” Het werd een juridische strijd. Uiteindelijk kwam er een compromis. Onder het nieuwe straatnaambordje Albert Luthulistraat is een tweede bordje geplaatst met de vermelding ‘Voorheen Louis Bothastraat’. Een nieuwe veldslag in de Transvaal was voorkomen.

Aanloop naar de Tweede Boerenoorlog
De Tweede Boerenoorlog heeft een voorgeschiedenis van 350 jaar: zover als de Nederlandse bemoeienis met Zuid-Afrika teruggaat. In 1652 werd op Kaap de Goede Hoop, het zuidelijkste puntje van Afrika, een bevoorradingspost van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gesticht. Het gebied raakte geleidelijk gekoloniseerd. Niet alleen opvarenden van de VOC bleven achter op de Kaap. Ook volksverhuizers, avonturiers en religieuze vluchtelingen streken er neer. Onder hen ook veel Duitsers, Walen en Hugenoten. Deze melange is goed terug te zien in familienamen zoals Krüger, Herzog, De la Rey en Cillier. Of in die van de in 2010 vermoorde nationalist Eugène Terre’Blanche.
Nederland verloor de controle over de kolonie in 1806. Terwijl Nederland was ingelijfd bij Frankrijk, werd het bestuur van de Kaapkolonie tijdelijk overgedragen aan de Britten, die het nooit meer zouden teruggeven. De Britse overheersing wakkerde onder de voormalige kolonisten het Afrikaner nationalisme aan. De Afrikaner Boeren (de naam komt van de Britten en is vervolgens als geuzennaam geadopteerd) koesterden hun Nederlandse afkomst, met als basis de nationale driekleur, de Nederlandse taal en niet in de laatste plaats de Nederlands Hervormde Kerk.

Alles sal reg kom
Nederland maakte geen aanstalten de verloren kolonie terug te winnen. De Afrikaners moesten hun eigen bontjes doppen. Het gevoel van verwantschap leefde pas weer op na de Eerste Boerenoorlog van 1880-1881. Uit onvrede met het Britse bestuur trokken vanaf 1834 duizenden Afrikaners weg uit de Kaapprovincie. In het stroomgebied van de Vaalrivier, in het noordoosten van Zuid-Afrika, stichtten zij twee autonome republieken: Transvaal en Oranje Vrijstaat. Belangrijke leiders van deze ‘Grote Trek’ waren Piet Retief, Sarel Cillier, Gerrit Maritz en Andries Pretorius (naamgever van de hoofdstad Pretoria).
De Britten zouden deze afgelegen gebieden met rust hebben gelaten, als er rond 1870 geen rijke diamantvelden en goudaders waren ontdekt. Ze maakten aanspraak op de noordelijke provincies. President Johannes (Jan) Brand van Oranje Vrijstaat wist nog een poos de vrede te bewaren onder zijn beroemde adagio: “Alles sal reg kom, as ons almal ons plig doe”.

De Eerste Boerenoorlog
Maar in 1880 moesten de Transvaalse Boeren dan toch de strijd aanbinden voor hun onafhankelijkheid. Onder leiding van hun kersverse president Paul Kruger en de generaals Pieter Joubert en Marthinus Pretorius (zoon van A. Pretorius) besloot een volksraad bij het plaatsje Paardenkraal tot militair optreden. Op de berg Majuba bij de strategisch gelegen bergpas Laing’s Nek wachtte een inderhaast gemobiliseerd Boerenleger de vijandelijke troepen op. Tegen alle verwachtingen in werd de veel grotere Britse troepenmacht verslagen. Bij deze slag sneuvelden slechts twee Boeren, tegen 92 Britten.
De overwinning van de Boeren deed het bloed bij veel Nederlanders sneller stromen. De twee autonome republieken hadden hun bestaansrecht bekrachtigd. Met tegenzin schikten de Britten zich in deze status quo. Nederland had er nu twee taalverwante staten bij gekregen. Die taal was een belangrijke factor, al had het Afrikaans wel een eigen ontwikkeling doorgemaakt.

Tekst: Daniel Metz
D. Metz is cultuurhistoricus.