Nummer 3: Maart 2012 - Wederopbouwarchitect Herman Knijtijzer

03_2012_Herman_Knijtijzer

Herman Knijtijzer had een eigenschap die onder architecten schaars is: hij was bescheiden en zich ervan bewust dat hij geen grootheid was. Waarschijnlijk zou hij zich moeilijk hebben kunnen voorstellen dat er een halve eeuw na de bouw een actiegroepje zou opstaan om te pleiten tegen sloop van een ontwerp. Toch is dat wat er nu gebeurt. In Amsterdam-West verzetten burgers zich tegen de voorgenomen afbraak van wat nu liefderijk de Knijtijzerpanden worden genoemd.

Herman Knijtijzer werd in 1914 geboren in een aan Amsterdam verknochte familie die iets met bouwen had. Zijn vader was administrateur op een architectenbureau en ontpopte zich later als makelaar. Na de middelbare school deed Herman samen met zijn broer Johan mts-bouwkunde. Ze studeerden in 1934 af. Daarna had hij betrekkelijk veel korte betrekkingen bij architectenbureaus, waar hij het snel bracht tot eerste tekenaar. In de avonduren studeerde hij verder aan wat later de Academie van Bouwkunst ging heten. Hij kreeg er les van de vrijwel in vergetelheid weggezakte Frist Eschauzier. Knijtijzer zou hem gedurende zijn hele leven als leidsman beschouwen. Een ongebruikelijke keuze voor een Amsterdamse architect. Want Eschauzier is een van de grondleggers van de traditionalistische Delftse School, al ontwierp hij ook het Amstel-hoofdkantoor aan de Mauritskade.

Grote invloed op Knijtijzer had ook de luttele jaren oudere Jan van der Linden, de antroposofische architect van het fraaie gebouw van de Kasvereeniging (tegenwoordig Kas Bank) uit 1932 in de Spuistraat. Knijtijzer werkte op zijn bureau toen de oorlog uitbrak. Waarschijnlijk waren ze meer collega’s dan baas en patroon; ze ondernamen bijvoorbeeld samen een studiereis naar Zwitserland. Van der Linden was in de oorlog een van de eerste architecten die weigerde zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten en hem werd het werken toen onmogelijk gemaakt. Knijtijzer vond via zijn vader onderdak bij een klein bureau waar al tijdens de bezetting werd gewerkt aan de wederopbouw van Den Helder. Zo ontliep hij mogelijke tewerkstelling in Duitsland. Ondanks de oorlog zag hij gelegenheid mee te doen aan een aantal architectuurprijsvragen, onder andere voor een boerderij met theeschenkerij in het nog jonge Amsterdamse Bos.

Vrijzinnig geloof

In 1943 trouwde Herman Knijtijzer met Johanna de Jongh. Ze legden de basis voor een bescheiden architectuurdynastie: hun dochter en zoon werden beiden binnenhuisarchitect – een tweede dochter overleed kort na de geboorte. Kleinzoon Jurrian studeerde vorig jaar als architect af op een in het oog lopend studieontwerp voor een moskee aan de Amsterdamse grachten en bestiert nu het nieuwe Amsterdamse architectenbureau Knijtijzer.

Kort na de oorlog, in 1946, begon Herman Knijtijzer zijn eigen bureau, voorlopig onder één dak bij Van der Linden. Zijn eerste Amsterdamse opdracht was de inrichting van een boekhandel aan de Keizersgracht. Al spoedig groeide het bureau naar een half dozijn medewerkers. De vermaarde Piet Blom (van de kubuswoningen in Rotterdam) liep er eind jaren vijftig stage, maar had het er niet erg naar zijn zin. Hij hielp als tekenaar mee aan de uitwerking van flats in Amsterdam-West maar vond dat verschrikkelijke architectuur. Zijn eigen werk zou een heel andere richting ingaan. Hij schonk Knijtijzer bij zijn afscheid nog een plakboek met ontwerpschetsen.

Geloof was voor Knijtijzer was zeer belangrijk, zoals in de eerste helft van de vorige eeuw geloof in Nederland een veel grotere rol speelde dan nu. Hij hing een vrijzinnige variant aan, dezelfde waaruit bijvoorbeeld ook de VPRO is ontstaan. Hij was remonstrants, een richting die geloof als een persoonlijke aangelegenheid beschouwt en wars is van dogmatiek. In zijn jonge jaren sloot hij zich zelfs aan bij De Composieten, een groep jonge kunstenaars die zich toelegde op religieuze kunst. Samen met anderen ontwierp Knijtijzer het verenigingsgebouw aan de Binnenkant. Hij woonde er ook een tijdje.

Kerktorens

Gedurende zijn hele loopbaan ontwierp hij regelmatig kerken – niet in Amsterdam, overigens. Het ontwerpen van een kerktoren was voor hem het summum. Dat was een “zuiver architectonische daad”: er was immers hoegenaamd geen program van eisen. Als zijn meest geslaagde werk beschouwde hij het klooster voor de Zusters Capucinessen in het Gelderse dorpje Babberich uit 1975 (inmiddels afgebroken). Hij was er speciaal trots op dat hem als niet-katholiek deze opdracht was gegund.

Religie klonk ook door in de opvattingen die Knijtijzer ten beste gaf over architectuur: de geestelijke hygiëne die religie met zich meebracht, moest zijn pendant hebben in de ruimtelijke hygiëne van de gebouwde omgeving. Dat klinkt naar het strakke, onversierde beton van het Nieuwe Bouwen. Maar het rauwe, onversneden functionalisme van de Nieuwe Zakelijkheid was Knijtijzer toch te gortig. Hij kwam uit bij wat later wel het ‘zachte modernisme’ werd genoemd: toch een klein beetje symmetrie en ornament in plaats van puur functioneel. Hij streefde naar de “harmonie van het contrast”, zoals hij het zelf formuleerde. Knijtijzer bezigde wel vaker enigszins cruijffiaans aandoende paradoxen: “Traditie is de continuïteit van de vernieuwing”, is er ook zo een.

Knijtijzerpanden

Hij bouwde vooral in de wederopbouwtijd, toen vooral in Amsterdam de woningnood groot was. Die moest met beperkte budgetten snel worden verkleind. Zijn scheppingen laten het hedendaagse hart niet echt harder kloppen, maar Knijtijzer wist er meestal iets meer van te maken dan de wegwerparchitectuur van veel collega’s in die dagen. Dat is nog het best te zien aan de vier woonblokken die hij in 1955 in opdracht van woningcorporatie Rochdale aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West neerzette. Ze zijn wat subtieler dan het merendeel van wat er toen in de Nederlandse buitenwijken werd neergezet. Bijzonder is de combinatie van portiekflats op de onderste vier verdiepingen en galerijflats op de drie bovenste. Die laatste waren voor alleenstaanden, een doelgroep die in de volkshuisvesting van de jaren vijftig nog nauwelijks op de kaart stond. Betrekkelijk nieuw in de volkshuisvesting waren de liften, ook al gingen die alleen naar de hoogste verdiepingen.

Deze ‘Knijtijzerpanden’ staan nu op de nominatie te worden afgebroken in het kader van de stedelijke vernieuwing. Maar de vraag is of het zover komt. Steeds meer buurtbewoners hebben waardering voor de eigenwijze bouwsels, die zelfs liefkozend “de parels van West” worden genoemd. Kleinzoon Jurrian studeert op de mogelijkheid om de flats te behouden en in hun oorspronkelijke kleuren terug te brengen. Aan de Jan Voermanstraat in West, te zien vanaf de A10, staan ook een paar flats van Knijtijzer, van een conventioneler ontwerp. Ze stammen uit 1960. Ook het rijtje lage winkels met woningen aan de Burgemeester de Vlugtlaan is van Knijtijzer (1956).

ANWB-kantoor

Knijtijzer bouwde veel scholen in West en ook elders in de stad. Op het Frederiksplein verbouwde hij in 1954 De Vluchtheuvel (midden 19de eeuw), waar zijn kinderen naartoe gingen en hij zelf in het bestuur zat (hij trad af voor hij de opdracht kreeg). In 1989 werd het gebouw afgebroken en vervangen door een nieuwe school, nadat hij geweigerd had een extra verdieping te ontwerpen. De Kweekschool voor de Detailhandel – tegenwoordig het Stelle College – bij de Berlagebrug werd door Knijtijzer in 1956 ontworpen en sedertdien maar liefst vier keer door hemzelf verbouwd, het laatst in 1983 (en daarna weer door anderen).

Met kantoren en andere bedrijfspanden hield Knijtijzer zich maar weinig bezig. Hij verbouwde in 1961 de bank H. Albert de Bary aan de Keizersgracht (voortgekomen uit en later opgegaan in de Deutsche Bank). Hotel Nieuw-Slotania aan de Slotermeerlaan heeft hij samen met Pieter Rinse Bloemsma ontworpen. Wellicht zijn bekendste pand is het ANWB-kantoor aan het Museumplein, uit 1958. Illustratief voor Knijtijzer is de anekdote dat hij het kantoor had ontworpen in rode baksteen, waaruit ook de belendende villa’s waren opgetrokken. Maar op de bouwplaats arriveerde een vrachtauto met gele baksteen. Knijtijzer liet het maar zo. Bij nader inzien paste het wel in zijn filosofie van ‘harmonie in contrast’.

In zijn latere carrière concentreerde Knijtijzer zich op verbouwingen en restauraties, vooral in de Amsterdamse grachtengordel. Voor de historische binnenstad had hij een recept. Architecten en stedenbouwkundigen moesten daar op drie manieren mee omgaan: “Heldhaftig – in het heden staand; vastberaden – de toekomst tegemoet tredende; barmhartig – het verleden beschouwende.”

Monumentenlijst

Bestuurlijke functies vielen hem toe, in de architectenwereld en daarbuiten. Hij was bijvoorbeeld lid van de welstandscommissie in Amsterdam, maar ook in Blarcium, Naarden en Heemstede. In 1968 werd hij lid van de commissie-Dooijes. Dit drietal heren (behalve typograaf Dick Dooijes en Knijtijzer ook de katholieke architect Aat Evers) stelde in opdracht van de gemeente een lijst op met alle monumenten in Amsterdam (of eigenlijk twee lijsten: een tot 1850 en later nog een van 1850 tot 1940). Een huzarenklus. Pas in 1993 verscheen het eindrapport. Er werd uitgerekend dat zij in een kwart eeuw ruim 5000 kilometer te voet hadden afgelegd. De inmiddels 79-jarige Knijtijzer kreeg er de zilveren medaille van de gemeente Amsterdam voor.

In die jaren publiceerde Knijtijzer ook veel, soms in opvallend scherpe bewoordingen. Vlak na de oplevering in 1984 trok hij bijvoorbeeld scherp van leer tegen het P.C. Hoofthuis, de letterenfaculteit van de UvA ontworpen door Theo Bosch. Dat gebouw viel bij het Amsterdamse publiek in uitgesproken goede aarde, maar Knijtijzer kon er slechts “onbarmhartige kneuterigheid” en “glazige ijdelheid” in ontwaren. Het verguisde en in 1994 afgebroken Burgemeester Tellegenhuis – beter bekend als het Maupoleum – in de Jodenbreestraat vond hij daarentegen prachtig.

Zijn stempel heeft hij niet op de architectuurgeschiedenis kunnen drukken. Dat was voor Herman Knijtijzer niet weggelegd – iets wat hij zelf ook wel wist. In 1985 schreef hij: “Wel hoopte je als jong architect dat je één keer iets zou maken dat belangrijk is voor de architectuur, maar ouder geworden besef je dat je dat ene werk nooit zult maken, tenzij je zo begaafd bent als een De Klerk, een Rietveld of een Eschauzier.”

Tekst: Sjaak Priester