Nummer 2: februari 2012 - Krakers redden Haarlemmerpoort


02_2012_Haarlemmerpoort
Al sinds de opening in 1840 staat de Haarlemmerpoort ter discussie. Begin 20ste eeuw werd sloop ternauwernood afgewend, maar eind jaren zestig leek het doek toch te vallen.
Tot krakers de rechtervleugel betrokken.

De Haarlemmerpoort? “Lomp”, vond een waarnemer al in 1844, vlak na de bouw. De kritiek is nooit meer weggeweest. Een ratjetoe van bouwstijlen, onzorgvuldig neergezet, een naargeestig hekwerk dat de levendige Haarlemmerdijk afsluit. Maar sloopplannen werden nooit doorgezet. En nu is Amsterdams laatste stadspoort niet meer weg te denken. Het kan verkeren. Wel is er opnieuw gesteggel over de bestemming.

De foto’s liegen er niet om. Het zijn de jaren zeventig: een donkergrijze Haarlemmerpoort staat in de stutten, om de ronde uitbouwen zijn stalen kabels gespannen. Het gebouw is verwaarloosd, wordt bewoond door enkele oudere echtparen en een grote hoeveelheid duiven. De poort staat letterlijk weg te rotten. Als op 26 mei 1978 de rechtervleugel wordt gekraakt, komt er een ommekeer: het gebouw staat ineens op de politieke agenda. Dat is – naast woonruimte – ook precies de bedoeling van de krakers. Wijkcentrum Gouden Reael geeft steun en ook de buurt sympathiseert met de actie. Er is inmiddels verzet tegen de plannen van de gemeente met de destijds flink onttakelde buurt. De sloop van de Haarlemmerhouttuinen was in 1971 voltooid; wat daar restte was niets dan een kale vlakte.
Frans Rein Jurrema, een van de vier krakers van het eerste uur: “Met de kraakgroep Staatsliedenbuurt hadden we het tijdstip zo gepland, dat de grote fietsdemonstratie van ‘Amsterdam fietst’ langs zou komen als we de spandoeken uitrolden. Daarmee hadden we meteen veel publiciteit te pakken. Ik was als eerste binnen. Het was een grote hal, de vloeren waren eruit op een kleine rand na waar je net kon staan. Het zwevende deel was onbewoonbaar. Tegen de politie die poolshoogte kwam nemen zeiden we: ‘Hier wonen wij’. We moesten er uit. Maar toen zij vertrokken, zijn we opnieuw naar binnen gegaan en gebleven.” Daarna begon het grote opknappen: vloeren leggen, elektra en riool aanleggen, duivenpoep verwijderen en op de enorme zolder een aantal kamers inbouwen. De gemeente was officieel de eigenaar, maar liet de daaropvolgende jaren niets van zich horen.

Lappen en spiegels
Wie waren de bewoners en gebruikers? In de linkervleugel eenhoog woonde sinds begin jaren zestig het echtpaar Schmidt, dat voor de aanleg van de IJtunnel zijn huis op Rapenburg had moeten verlaten. Op de begane grond had kunstenares Jenny Hazenberg van de gemeente een werkruimte gekregen voor Stichting Para. De hieraan verbonden kunstenaars maakten deel uit van de alternatieve scene van de jaren zeventig. Met lappen, spiegels, licht en geluid schiepen zij ‘droomruimtes en sprookjespaleizen’. Ook de onderdoorgang van de poort werd door hen onderhanden genomen. Hazenberg en haar Mexicaanse vriend Chico waren destijds bekende verschijningen: zij liepen op hoge, zilverkleurige plateauzolen en in gewaden met engelenvleugels door de stad. De krakers woonden in het rechterdeel en op de zolder van het gebouw. In hun kielzog kregen een zeefdrukkerij, het woonspreekuur Haarlemmerbuurt en het kraakpandenoverleg er eveneens onderdak. En er was een oefenruimte voor groepjes.
In 1986 blikte de dan 80-jarige Leo Schmidt nog eens terug op zijn woongeschiedenis in de poort. “Toen we naar de Haarlemmerpoort verhuisden was het de naam woning niet waard. Maar het was groot en had een authentieke sfeer. (…) Ik vond het fantastisch dat die krakers erin kwamen. Eerst woonden ze niet aan mijn kant, maar later zijn ze via het dak naar mijn vleugel gekomen. Van twee woningen hebben ze er wel acht gemaakt en gedeeld met andere krakers. Het zijn hele fijne jongens waar je goed mee kon praten.”
De Haarlemmerpoort was slechts één van de vele gekraakte panden in de stad; naar schatting telde Amsterdam in 1981 zo’n 9.000 krakers. Begin jaren tachtig begon de gemeente kraakpanden aan te kopen en zo te legaliseren om er jongeren – vaak waren dat de oorspronkelijke krakers – te huisvesten. Een financiële stimulans hiervoor was dat de landelijke HAT-regeling voor jongerenhuisvesting vanaf 1980 ook van toepassing was op kraakpanden.* In totaal kocht de gemeente 200 kraakpanden aan.

Bijzondere woonplek
De Haarlemmerpoortbewoners werden om de tafel genood met monumentenzorg en de afdeling stadsvernieuwing volkshuisvesting. Zij hadden de eerste keus welke architect de restauratie zou uitvoeren. Het werd architectenbureau Hubers en De Boer. Maarten de Boer: “Ze vroegen ons ook omdat wij de kraakwereld kenden; zelf woonde ik in een kraakpand op de Nieuwmarkt. Ik was nog echt een jonkie, de Haarlemmerpoort was mijn tweede opdracht. We zijn er gaan kijken. Mijn eerste woorden tegen de bewoners waren: ‘De nieuwe woningen worden twee keer zo klein en twee keer zo duur als nu. Gaan jullie met ons door of niet?’ Dat wilden ze, dus konden we aan de slag. Ik zocht naar een oplossing waarin zowel de oorspronkelijke als de nieuwe bewoners zich konden vinden.”
De grootste ingreep werd de verplaatsing van het trappenhuis geweest. Andere ingrepen waren de extra schietgaten op zolder – “Dat kostte nog enige moeite, de muren zijn daar 1.10 meter dik” – extra ramen voor meer daglicht en driedubbeldik geluidswerend glas. Nieuw waren ook de twee dakterrassen, voor iedereen toegankelijk. De Boer: “Het mooie is dat het gebouw van binnen helemaal symmetrisch is, terwijl de woonvormen verschillend zijn.”
Na anderhalf jaar konden de bewoners terugkeren; de feestelijke opening vondplaats op 7 december 1985. Sindsdien bevat de poort een woningwetwoning en zestien HAT-eenheden, waaronder vijf groepswoningen voor twee en een groepswoning voor vier personen. Met de restauratie ging wel de sfeer van het oude pand verloren, vindt Jurrema. De balkenconstructie en de kap zijn nog authentiek, evenals op de begane de grond de steunzuilen voor de overkapping. Maar voor wie er woont, blijven de plek en het uitzicht zonder weerga.
De poort is een bijzondere woonplek, vinden ook Gertie Jaquet, Annemarie Vollebregt en Guido Egas (bewoners sinds resp. 21, 11 en 7 jaar). “Wij voelen ons verantwoordelijk voor dit historische gebouw en zijn er echt zuinig op. We hebben zelf bij Ymere aangekaart dat er onderhoud gepleegd moet worden. Die wil het pand grondig gaan renoveren, wat inhoudt dat we er uit moeten en waarschijnlijk niet kunnen terugkeren.”
Ymere zou graag de bestemming van het pand gewijzigd zien, maar is daarvoor afhankelijk van het stadsdeel. “Met normaal onderhoud los je de problemen niet op, vandaar de renovatie. Maar het is onmogelijk de Haarlemmerpoort te renoveren tot een woongebouw dat aan alle huidige eisen voldoet. Daarvoor moet je het monumentale karakter aantasten en dat wil Ymere niet, net zomin als de gemeente en Monumentenzorg dat zouden goedkeuren”, zegt woordvoerder André Bakker van Ymere.
Het laatste woord hierover is nog niet gesproken. Weer rommelt het rond de Haarlemmerpoort, zoals dat gedurende haar hele bestaan het geval is geweest. Maar sloopplannen voor dit karakteristieke gebouw zijn gelukkig al lange tijd en voorgoed van de baan.

*HAT staat voor Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens.

Van feestelijke opening (1840) naar feestelijke opening (1985)
1840: 29 november feestelijk opening ter ere van koning Willem II; bestemming: accijnsbureau
1866: accijnsheffing wordt afgeschaft; poortfunctie verdwijnt door verplaatsing brug
1877: rechtervleugel in gebruik genomen als brandweerkazerne
1889: gemeenteraad besluit tot sloop; er wordt geen onderhoud meer gepleegd
1900: gemeenteraad besluit dat de poort behouden blijft; tot 1961 is de linkervleugel in gebruik als politiepost met twee cellen
1966: in verband met een nieuwe radiaalweg langs de spoorlijn naar Haarlem moet de poort verplaatst naar de ingang van de Haarlemmerdijk; dit roept verzet op bij oudheidkundige verenigingen en blijkt bovendien te duur
1972: diverse gebruikers, zoals politie (opslagruimte), Grondbedrijf Publieke Werken en zeven bewoners, o.a. in de bedrijfswoning; de kelder is bestemd als schuilkelder (met BB-bordje)
1975: gemeenteraad besluit tot restauratie
1976-1977: getouwtrek over de financiën; B&W besluiten tot een ‘romprestauratie’; de poort staat dan al meer dan tien jaar in de stutten
1978: rechtervleugel van de poort wordt gekraakt
1982: op de gemeentebegroting voor 1983 wordt f 68.000,- gereserveerd voor herstel
1983: de plannen zijn rond, Rijk en gemeente (Monumentenzorg) zijn akkoord; wel moet er nog extra geld gezocht
1984: restauratie (f 2,5 miljoen, anderhalf jaar)
1985: 7 december feestelijke opening

De vijfde poort in successie
De officiële naam is Willemspoort, maar de Amsterdammers noemen de poort op het Haarlemmerplein sinds jaar en dag de Haarlemmerpoort. Het huidige poortgebouw is de vijfde poort die in de loop der eeuwen aan de Haarlemse kant van de stad gebouwd werd. Bij elke stadsuitbreiding schoof hij naar het westen op.
De eerste poort verrees bij de Martelaarsgracht en werd in 1506 afgebroken. De tweede, een hoger en steviger exemplaar met vier ronde torens, stond aan het einde van de Korte Nieuwendijk en werd door de stadsmuur met de Haringpakkerstoren verbonden. In 1593 werd om de Herengracht – de toenmalige stadsgracht – een aarden wal met houden stadspoorten gelegd. Waar nu de Herenmarkt is kwam de derde Haarlemmerpoort te staan, met twee ophaalbruggen en een hamei (voorpoort). In 1612 werd hij alweer gesloopt.
In 1615 kwam op ongeveer de plek van de huidige poort de vierde Haarlemmerpoort, naar een ontwerp van Hendrick de Keyser. Het was een fraai gebouw van blauwe arduinsteen, de laatste versie met een echte verdedigingsfunctie. Aan de veldzijde werd het gebouw beschermd door twee bolwerken en de Singelgracht. De brug over de Singelgracht en de doorgang vertoonden een bocht, zodat er van buitenaf niet de stad in kon worden geschoten. In 1837 werd dit poortgebouw wegens bouwvalligheid gesloopt.
Drie jaar later verrees naast de plaats van de oude poort het huidige gebouw, naar een ontwerp van Cornelis Alewijn, destijds hoofd van Stads Publieke Werken. Het kloeke neoclassicistische gebouw bestaat uit een “corinthische zuilengang, geflankeerd door gepleisterde vleugelspoortgebouwen die opzij elk een halfronde uitbouw hebben. Het fries is rijk gedecoreerd met een aan de keizerlijke Romeinse architectuur ontleend siermotief”, aldus d’Ailly in zijn Historische Gids van Amsterdam.

Een triomfboog
Op 29 november 1840 werd de Willemspoort ingewijd, als een “arc de triomphe” voor koning Willem II, die daags zijn inhuldiging zou beleven. Het Algemeen Handelsblad van die dag bericht: “Even buiten de Haarlemmerpoort, welker opening voor deze plegtige gelegenheid was voorbehouden, en die ter herinnering daaraan den naam van Willemspoort verkregen heeft, werd Z.M. door den Heer Burgemeester en Wethouders (…) hartelijk en roerend toegesproken.” Het muziekkorps van de Amsterdamse Schutterij heft het Wilhelmus aan en er wordt een lange stoet (“trein”) gevormd. “Ternauwernood had Z.M., met den nu samengestelde trein, den Haarlemmerdijk bereikt, of van alle zijden weergalmde de lucht van het: Leve de Koning! Leve Willem II.” Hoofdpersoon van de openingsdag was duidelijk de koning en niet de nieuwe poort; onderaan het artikel vermeldt de verslaggever nog even dat die een “prachtig aanzien” bood.
Het gebouw wordt accijnskantoor en huisvest de commiezen die de stedelijke belastingen moeten innen. In 1866 verdwijnt de accijns en daarmee deze bestemming. De brug wordt dan verplaatst naar de zuidzijde, waarmee de doorgang doodloopt op de Singelgracht en de poortfunctie verdwijnt. Het gebouw komt als het ware in een uithoek te staan. Vanaf die tijd is er regelmatig sprake van plannen om de Haarlemmerpoort te slopen. Dat gebeurt uiteindelijk niet dankzij een combinatie van bestuurlijke weifelmoedigheid, geldnood en verzet van heemschutverenigingen en burgers.

Tekst: Diet Scholten.
Diet Scholten is journalist.