Nummer 10: oktober 2012 - De vergeten stichster van het Stedelijk Museum

10-2012_Suasso

Met een legaat en een grote “collectie merkwaardigheden” stond Sophia Adriana Lopez Suasso-de Bruijn aan de basis van het Stedelijk Museum. Maar dat wilde al snel liever niks meer van haar weten.

Een weduwe met “een collectie merkwaardigheden” stond aan de basis van het Stedelijk Museum met zijn onlangs geopende hypermoderne aanbouw. Zoals de nieuwe vleugel in de volksmond al snel de ‘badkuip’ werd genoemd, zo heette het hoofdgebouw in de eerste jaren het ‘Suasso Museum’, naar de stichtster. Maar na haar dood klonken minder flatteuze geluiden over de 3900 voorwerpen, die in elf stijlkamers op de begane grond te zien waren.

Het Stedelijk Museum van architect Adriaan Willem Weissman, dat op 13 september 1895 de deuren opende, had zijn ontstaan te danken aan het legaat van de weduwe Sophia Adriana Lopez Suasso-de Bruijn (1816-1890). Zij liet haar huis en bezittingen na aan de gemeente Amsterdam met het doel een museum te stichten in haar woning aan de Kloveniersburgwal.
Haar huis bleek te klein en er waren ook andere instellingen die expositieruimte zochten, zoals de Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst en de driejaarlijkse ‘Tentoonstelling van Levende Meesters’. B&W besloten daarom een nieuw pand te laten bouwen, waarin ze alle drie zouden worden ondergebracht. De schenking van ƒ 150.000,- door de vooraanstaande, kunstminnende familie Van Eeghen maakte het financieel mogelijk.
“Het is nog niet zoo heel lang geleden dat een zonderling rijtuig door Amsterdam rondreed, zóó ouderwetsch, dat er waarschijnlijk geen tweede van dien bouw te vinden zou zijn geweest. Op de portieren prijkte een wapen. In het rijtuig zaten drie oude dames, allereenvoudigst gekleed, te dommelen. Wie getroffen werd door het ongewone van dat verouderde rijtuig en die stemmige, grijze dames, zou van de meeste Amsterdammers niet de geringste inlichting gekregen hebben. De dames leefden afgezonderd in een ouderwetsch huis op de Kloveniersburgwal. Zij waren zusters. Eene van haar, de eigenlijke vrouw des huizes, Sophia Adriana de Bruijn, was weduwe.”
Zo beschrijft Jan Eduard van Someren Brand, eerste conservator van het Stedelijk Museum, de grondlegster van de Suasso-collectie in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift (1901). Sophia was in 1816 in Amsterdam geboren, als dochter van een koopman. In 1860 trouwde ze met de gefortuneerde jonkheer Augustus Pieter Lopez Suasso (1804-1877), een telg uit een rijke Portugees-Joodse familie. Waarschijnlijk kenden ze elkaar al in 1841, maar ze konden pas trouwen toen de vader van Augustus Pieter was overleden. Haar niet-Joods zijn en lagere afkomst waren hem vermoedelijk een doorn in het oog. Augustus Pieter was een vermogend man en kon al op zijn 28ste gaan rentenieren van zijn aandelen en obligaties.

Kisten vol aankopen
Een grote liefhebberij van Augustus Pieter was het verzamelen van munten en penningen van de provincie Holland. Van deze verzameling maakte hij een catalogus, die na zijn dood werd uitgegeven. Zijn weduwe schonk de collectie aan het Amsterdamse gemeentearchief. Later is de verzameling in het Stedelijk Museum ondergebracht en nu wordt hij beheerd door het Amsterdam Museum.
Het echtpaar Lopez Suasso – dat kinderloos bleef – maakte jaarlijks vele reizen. Ze waren zelfs meer dan een jaar op huwelijksreis. Augustus en Sophia bezochten onder andere Engeland, Frankrijk, Italië, Griekenland, Turkije en zelfs Rusland. Hun huis op de Kloveniersburgwal naast de Oudemanhuispoort werd gedurende hun afwezigheid beheerd door een zuster van Sophia. Zij nam de vele vooruitgestuurde kisten en koffers met aankopen in ontvangst.
De dood van Augustus Pieter maakte een einde aan de reizen. Maar Sophia Adriana ging door met verzamelen. Op 1 juli 1887 kocht ze zelfs de hele inboedel van Museum Het Broekerhuis aan de Amstelveenseweg: de oorspronkelijke inrichting van een woning in Broek in Waterland, die voor het publiek was opengesteld door eigenaresse Aaltje Fregeres. Met deze collectie kwam mevrouw Lopez Suasso in het bezit van een grote hoeveelheid meubels, huisraad, schilderijen en kleding.
Het zouden deze voorwerpen zijn waarmee in 1900 een reeks stijlkamers van het Stedelijk Museum werd ingericht. In haar testament uit 1890, het jaar van haar overlijden, had zij de gemeente Amsterdam tot haar enige erfgenaam benoemd. Voorts had zij bepaald dat “al de in haren boedel aanwezige porselein-, lak-, brons, goud- en zilverwerken, schilderijen, horlogiën, bijouterieën, gelakte meubelen, antiquiteiten, kerk- en andere boeken niet zullen worden verkocht, maar voor het publiek, tegen betaling van een gulden per persoon, tentoon- en toegankelijk zullen worden gesteld, bij wijze van museum, onder de naam van ‘Sophia Augusta Stichting’.”

Jarenlang ordenen
Elf stijlkamers werden samengesteld uit de door Sophia verzamelde objecten, onder leiding van conservator Van Someren Brand. Hij benutte daarbij oude houten betimmeringen en wandbespanningen uit panden van onder andere de Heren- en Keizersgracht die waren gesloopt om plaats te maken voor de doorbraak van de Raadhuisstraat. Zo werden een 17de-eeuwse keuken, een Louis XV-kamer, een Empire-kamer en een kamer met 18de-eeuwse wandschilderingen van Jurriaan Andriessen overgebracht naar het museum.
Pas op 1 augustus 1900 waren de stijlkamers voor het publiek toegankelijk. Tot die tijd was Van Someren Brand bezig met het ordenen en indelen van de enorme collectie van ruim 3900 voorwerpen. In een van de stijlkamers was ook een grote passie van mevrouw Lopez Suasso te zien. In twee omvangrijke vitrines werden gouden en zilveren horloges, sieraden, miniatuurzilver en zilveren gebruiksvoorwerpen tentoongesteld. De gouden horloges in de vorm van een bloem, een insect of een zwaan en oorhangers met cameeën en mozaïek kocht zij op haar reizen door Europa en later bij juweliers en veilinghuizen in Amsterdam. Een van de eikenhouten vitrines had ze zelf nog laten maken naar een voorbeeld in het Rijksmuseum. Die werd pas na haar dood geleverd.
Het jaar na de opening oordeelde conservator Van Someren Brand weinig positief over Sophia’s verzamelwerk. “Want hoeveel deze vrouw ook in haar lange leven aangekocht en bewaard heeft, een verzamelaarster te wezen was haar niet gegund. Om te kunnen verzamelen moet men een klein vonkje genie hebben”, schreef hij kritisch, om niet te zeggen neerbuigend in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift.
Dat vonkje had Sophia volgens hem allesbehalve. Een geboren verzamelaar wist zich te beperken én wist van het verzamelde een eenheid te maken. Zij kocht echter alles wat los en vast zat en stapelde haar verworven schatten vervolgens op in haar huis zonder er verder nog naar om te kijken. De verspreiding van ruime hoeveelheden kamfer was het enige onderhoud dat ze pleegde. De aankoop van het interieur van het Broekerhuis was in de ogen van Van Someren Brand al helemaal een bewijs van onkunde: deze meubels waren slimme namaak voor toeristen en eerder van het Waterlooplein afkomstig.

Opgedoekt
De Suasso-verzameling verkeerde nog in wanorde toen het Stedelijk Museum in 1895 al open ging op de bovenetage met werken van hedendaagse meesters. De Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst had haar schilderijen uit het Rijksmuseum naar het nieuwe museum laten overbrengen. Het is deze collectie die uiteindelijk het hart van het Stedelijk Museum zou gaan vormen. Sophia’s verzameling raakte al snel op de achtergrond.
Tegenwoordig worden haar juwelen, kledingstukken en accessoires bewaard in het Amsterdam Museum. Ze geven een prachtig beeld van de 19de-eeuwse smaak van de gegoede burgerij en van het vakmanschap van toenmalige horlogemakers en goudsmeden. Maar in de eerste helft van de 20ste eeuw werd dit niet meer gewaardeerd. Bovendien had mevrouw Lopez Suasso bepaald dat de collectie voor één gulden te bezichtigen was, terwijl het Stedelijk Museum zelf maar tien cent kostte, waardoor er niet veel bezoek kwam. Tussen 1913 en 1940 bezochten gemiddeld 329 personen per jaar de Sophia Augusta Stichting. Pas in 1941 bepaalde de Hoge Raad dat de hoge entreeprijs kon worden ingetrokken.
Tijdens het directeurschap van Willem Sandberg (1945-1962) werden enkele stijlkamers opgedoekt en andere verplaatst of tot kantoor omgebouwd, zodat ze alleen op verzoek te bezichtigen waren. In de jaren zestig werd naar een mogelijkheid gezocht om de Sophia Augusta Stichting elders onder te brengen. Het Stedelijk Museum wilde zich helemaal richten op moderne kunst en er was gebrek aan ruimte door de groeiende collectie. Men had zich al eerder ontdaan van de andere kleine musea in het Stedelijk Museum, zoals het Medisch Pharmaceutisch Museum en de verzameling van de Schutterij.
In 1971 werd besloten de stijlkamers en de verzameling-Lopez Suasso tijdelijk op te slaan, tot er een betere behuizing was gevonden. Die is er tot op heden niet. Enkele onderdelen, zoals het plafond van Jacob de Wit, vonden onderdak in Museum Willet-Holthuysen. In het vernieuwde Rijksmuseum zal de mahoniehouten stijlkamer uit 1748 worden ingebouwd.
De collectie is ondergebracht in het Amsterdam Museum, maar de naam Sophia Augusta Stichting is verdwenen – haar streven voort te leven via een museum op basis van haar verzameling leed uiteindelijk schipbreuk. Heel af en toe, bijvoorbeeld als het Stedelijk Museum iets te vieren heeft, komen de naam en de grondlegster weer tevoorschijn.

Tekst: Hester Wandel
H. Wandel studeerde kunstgeschiedenis en museologie aan de UvA en is conservator van het Zaans Museum te Zaandam. Ze schreef in 1996 een doctoraalscriptie over de verzameling van het echtpaar Lopez Suasso. In 2000 maakte ze een tentoonstelling over de juwelen.