Nummer 6: Juni 2012 - Zwaar geschut op dak wetenschapspaleis

Het is zeker niet het bekendste monument van Amsterdam, dat brede classicistische pand Kloveniersburgwal 29. Als de doorsnee Amsterdammer al weet dat het Trippenhuis heet, vraagt hij zich ongetwijfeld af wat hier met ‘trip’ bedoeld wordt. Was dit soms een reisbureau? En wat is het tegenwoordig? Nu het pand 350 jaar bestaat, zetten we de feiten nog eens op een rij.

De trouwe Ons Amsterdam-lezer zal wel weten dat het gebouw vernoemd is naar de gebroeders Louys en Hendrick Trip. Zij werden in 1605 en 1607 geboren in Dordrecht als zoon van Jacob Trip en Marguerite de Geer. Jacob handelde in zout, ijzer, koper en op den duur ook wapens. Hun oom Louys de Geer had in Zweden al een belangrijke positie opgebouwd als wapenhandelaar en wapenfabrikant. Dat was gouden handel, want in Europa heersten permanent oorlogen. Als twintigers gingen Louys en Hendrick daar een paar jaar bij hun oom in de leer. In 1631 begonnen zij een eigen firma “in wapenen, geschut, cogels & amonitie van oorloge” in Amsterdam.
Zonder gewetensbezwaar leverden zij onder meer aan Spanje, waarmee de Nederlandse Republiek tot 1648 de Tachtigjarige Oorlog uitvocht. Al snel werden de gebroeders geduchte concurrenten van hun oom. Door een strategisch huwelijk met Johanna de Geer, een ver familielid van oom Louys, kreeg Hendrick een geschutgieterij en ijzermijn bij Nyköping in handen. Daar werd veelgevraagd licht geschut gemaakt. Hun rijkdom nam sterk toe nadat oom in 1652 overleed en koningin Christina van Zweden de Trippen vrijstelde van exportbelasting voor het in Nyköping vervaardigde geschut. Louys Trip speelde later ook een rol in het stadsbestuur. Van 1674 tot 1679 was hij een van de vier burgemeesters en van 1678 tot zijn dood in 1684 bewindhebber van de VOC.
In 1655 besloten de inmiddels steenrijke broers een eigen huis te laten bouwen voor hun gezinnen en de firma. Tot dan toe hadden zij in huurhuizen gewoond. Er was nog ruimte op de Kloveniersburgwal, dichtbij de Nieuwmarkt.

Nachtwacht in de voorzaal
Als architect vroegen ze Justus Vingboons, jongere broer van de net wat beroemdere bouwmeester Philips Vingboons. Kenden zij Justus’ werk uit Zweden, waar hij in Stockholm het Riddarhus bouwde (1655) of wisten zij dat hij vlakbij woonde, in de Sint Antoniesbreestraat? Justus maakte een eikenhouten schaalmodel, dat nu nog te bewonderen is in de hal van het Trippenhuis. Door het (uiteindelijk niet gebouwde) koepeltorentje op het dak, doet dit ontwerp denken aan het nieuwe stadhuis op de Dam. De bouw startte in 1660 en was in 1662 af.
Hendricks gezin betrok het linkerdeel van het complex, Louys en de zijnen het rechterdeel. De scheidsmuur zat achter de (lang geblindeerde) middelste ramen. Opvallend zijn de acht Korinthische pilasters (neppilaren tegen de gevel) en de twee (oorspronkelijk vier) schoorstenen in de vorm van mortieren, stukken geschut met een korte vuurmond, een trotse verwijzing naar de lucratieve handel van de bewoners. Tot begin 18de eeuw bleef het huis eigendom van nazaten van de gebroeders Trip.
Het Trippenhuis werd in 1812 de vaste vergaderplek van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, dat vier jaar eerder door koning Lodewijk Napoleon, Letteren en Schoone Kunsten was opgericht en veel later in 1851 zou worden afgeslankt tot Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (KNAW). Eigenlijk heeft het Trippenhuis dit jaar dus twee jubilea te vieren. In 1817 werd bovendien het gloednieuwe Rijksmuseum in het pand ondergebracht. Rembrandts Nachtwacht hing in de grote voorzaal van de eerste verdieping en alle andere muren daar waren van boven tot onder bedekt met schilderijen. De KNAW kreeg in 1885 het rijk weer alleen, toen het Rijksmuseum zijn eigen ‘paleis’ betrok op de Stadhouderskade.
Vanuit het Trippenhuis wordt nog altijd het landbestuur geadviseerd over het wetenschapsbeleid en worden nu tevens zeventien wetenschappelijke instituten bestuurd: in Amsterdam het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), het Meertens Instituut, het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN) en het Spinoza Centre for Neuroimaging.

De Wintertuin
Meermalen figureerde het Trippenhuis in Nederlandse literatuur. Neel Doff beschrijft in Keetje Tippel hoe zij rond 1870 als loopmeisje voor een apotheek op de Zeedijk van de apothekerszoon hoort dat in dat grote huis daarginds de schilderijen van Rembrandt hangen. Als ze op en dag bij het huis daarnaast medicijnen heeft afgeleverd, wil ze die wonderen ook wel eens zelf gaan zien. “Een man die op een krukje zat, hield me tegen met zijn hand. ‘Wat kom je hier doen?’ ‘Ik wil de schilderijen en prentjes van Rembrandt zien.’ ‘Jij? Je hoepelt nu meteen op, of ik zál je rembrandten!’”
Een gestileerde tekening van het Trippenhuis siert bovendien alle delen van J.J. Voskuils romanreeks Het Bureau. Daarin verwerkte hij zijn ervaringen (1957-1987) als volkskundige bij het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkundige, het huidige Meertens Instituut. Tot 1969, toen het naar de Keizersgracht verhuisde, zat dit in de voormalige Anna Visscherschool achter het Trippenhuis, met ingang via Nieuwe Hoogstraat 17. Sinds de restauratie van 1993 staat hier de ‘Wintertuin’ van de KNAW, een congresruimte met heel veel glas. In de eerste delen steekt instituutsdirecteur Anton Beerta (geïnspireerd op dr. Piet Meertens) voortdurend door de tuin over van het Bureau (het instituut) naar het Hoofdbureau (het Trippenhuis), om er met KNAW-bestuurders te beraadslagen.
De KNAW vierde in 2008 al haar 200-jarig bestaan en doet dit jaar niets aan beide nieuwe jubilea, laat men ons weten. Rondleidingen zijn er ook niet meer. Maar één troost: wél is bij de KNAW (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) voor slechts € 9,90 de dvd Het Trippenhuis verkrijgbaar, vol prachtige beelden van het pand in heden en verleden.