Nummer 5: Mei 2012 - Aanslag op de Rembrandtbioscoop


05-2012_RembrandtbioscoopIn de nacht van 25 en 26 januari 1943 brandt bioscoop het Rembrandt Theater op het Rembrandtplein volledig af. Zat het verzet er achter of waren het de 'zware jongens van de Paardenstraat'?

In 1990 wist filmhistoricus Thomas Leeflang daarover stevige twijfel te zaaien. Maar er zijn nieuwe en sterke aanwijzingen voor een verzetsaanslag.

Al lang vóór de Tweede Wereldoorlog was het Rembrandt Theater hét theater voor het Duitse repertoire – dan nog zonder negatieve bijklank. ‘Het Rembrandt’ begon in 1902 als chic variététheater waar vooral veel Duitse operettes werden opgevoerd. Die waren razend populair. De Duitse invloed op de Nederlandse cultuur (Goethe en Heine, Beethoven en Strauss) was nog heel groot. Elke ontwikkelde Nederlander sprak wel een beetje Duits. En van Adolf Hitler had nog niemand gehoord.
Na de Eerste Wereldoorlog begon de Amerikaanse filmindustrie (‘Hollywood’) een fors tegenoffensief. Dat lieten de Duitsers niet op zich zitten. Via de ‘mantelorganisatie’ NV Hollandia verwierf het Duitse filmconcern UFA in 1918 de Amsterdamse theaters Plaza (Kalverstraat), Union (Heiligeweg) en Edison (Elandsgracht). In 1919 volgden het grote Luxor in Rotterdam en in de hoofdstad het Rembrandt Theater. De negatiefste reactie (“Duits gevaar voor onze theaters”) kwam van dagblad De Telegraaf, dat als pro-Engels dus anti-Duits te boek stond. De nieuwe huurder verbouwde het theater tot grote bioscoop. Hier draaiden vooral Duitse films gedraaid en met veel succes.* In de jaren twintig waren alle (stomme) films van de legendarische topregisseur Fritz Lang te zien, zoals Die Nibelungen en Metropolis.
In de jaren dertig deed de bioscoop het goed met verstrooiende Duitse films in het operette-, misdaad- en komediegenres, met acteurs/zangers als Heinz Rühmann, Zarah Leander of ‘onze’ Johan Heesters. Maar na Hitlers machtsovername in januari 1933 bracht de UFA ook nazistisch getinte films en journaalfragmenten uit, die veel Amsterdammers minder bevielen. Al in maart ontstonden tot rellen, toen Morgenrot van Gustav Ucicky werd vertoond, over een heldhaftige onderzeebootbemanning tijdens de Eerste Wereldoorlog. De galapremière in Berlijn met de hele nazitop illustreerde de oorlogszuchtige intentie. Vooral de Amsterdamse communisten protesteerden wekenlang fel, met pamfletten en fluitconcerten. Op het plein sloeg de politie de demonstranten met gummistok en blanke sabel uiteen. In de zaal werden stinkbommen gegooid en er was een poging tot brandstichting. Sindsdien had het Rembrandt Theater een ‘luchtje’.

Nachtelijke vuurzee
Na mei 1940 lukte het nauwelijks meer om in Amsterdam een Hollywoodfilm te zien. Vrijwel alle bioscopen kwamen in handen van de UFA en de bezetters bepaalden centraal de programmering. In het Rembrandt draaiden nog altijd veel films om bij te zwijmelen of te lachen, maar dat waren Duitse, zoals Wiener Geschicht’n, Kora Terry, Dreimal Hochzeit en Quax der Bruchpilot. Er verschenen steeds meer nazipropagandafilms, bijvoorbeeld Hitlerjunge Quex, Heimkehr en Feldzug im Osten. En ook als de hoofdfilm een zoet liefdesverhaal was, werd in het voorafgaande filmjournaal de nazistische boodschap luid verkondigd. Die foute films draaiden in alle Amsterdamse UFA-bioscopen, maar het Rembrandt Theater was het vlaggeschip. Grote reclames voor de antisemitische films domineerden de gevel.
En toen kwam die nacht van 25 op 26 januari 1943. Tegen drie uur ’s nachts, bijna vijf uur na de laatste voorstelling, werd brand gesignaleerd in het theater. De verslagen van de gelijkgeschakelde pers waren vooral sensatiebelust. De Telegraaf kopte: “REMBRANDT-THEATER IN ASCH GELEGD. Nachtelijke vuurzee in Amsterdam. Gebouw geheel verwoest.” De verslaggever meldde: “Ongeveer kwart voor twee is ongeveer de helft van den voorgevel van het Rembrandt-theater omgevallen. Ongelukken gebeurden er niet bij. ’t Was een daverende slag en brokken baksteen vlogen tot bij het plantsoen. Door de dreuning sprong nog een waterleidingbuis. Het peristyle is grootendeels vernield. De zijmuren missen nu den steun en het laat zich aanzien, dat van het theater niet veel meer dan een ruïne zal overblijven, want er zal nog meer instorten of gesloopt moeten worden.”
Ook de volgende dagen waren de kranten er nog niet over uitgeschreven. Opnieuw De Telegraaf: “Evenals na den brand van het Paleis voor Volksvlijt, toen half Amsterdam langs de ruïne op het Frederiksplein defileerde, is er nu een pelgrimage naar het Rembrandtsplein, waar een schier onafgebroken stroom belangstellenden over de stille zijde trekt, om de overblijfselen van het Rembrandt-theater te zien. Het tramverkeer is nog omgelegd en het Bouw- en Woningtoezicht heeft besloten, ook de zijmuren, welke gevaar opleveren, om te trekken. Merkwaardig is het, dat de film-cabine de vlammen heeft kunnen tegenhouden.” Zo heel merkwaardig was dat niet, want bij de bouw van bioscopen kreeg isolering van de filmcabine veel aandacht. Jammer voor antifascisten was het wel, want de nitraatkopie van Die Goldene Stadt bleef gespaard en draaide een dag later alweer in bioscoop Roxy in de Kalverstraat.

Kwajongensstreek?
Was deze sensationele brand het gevolg van een kwajongensstreek of een verzetsdaad? Vast staat dat van begin af aan het gerucht ging dat het verzet er achter zat. Dat het een verzetsdaad was, werd in 1975 het stelligst verwoord door Vrij Nederland-journalist Jan Rogier in zijn bespreking van deel zes van De Jongs Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Rogier voegde aan diens beschrijving van de vermaarde aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister (maart 1943) toe dat de technische ploeg van de verzetsmensen (deels ook betrokken bij het illegale blaadje Rattenkruid) hun vertraagde brandbommen eerder hadden uitgeprobeerd in het Rembrandt Theater. De bommen waren na de laatste voorstelling, zoals gebruikelijk druk bezocht door Duitse officieren, onder de stoelen gelegd. Met succes. Helaas noemde Rogier geen enkele bron. En we kunnen het hem niet meer vragen, want hij overleed in 1986. Diverse auteurs (Karel Dibbets, Hans Mulder, Lidwien Marcus) namen zijn verhaal zonder nader onderzoek over.
Maar journalist en filmhistoricus Thomas Leeflang vond het allemaal niet erg overtuigend. Bij de voorbereiding van zijn boek De film in de oorlog (1990) wist hij enkele mensen op te sporen die bij het theater werkten toen de brand uitbrak. Een medewerkster zei dat zij de chef-operateur en een portier van brandstichting verdacht. Want die had ze later met elkaar horen smoezen over de vraag of een voorraad sterke drank bijtijds veilig was gesteld. Verder sprak Leeflang met een van de twee suppoosten die net als de nachtportier tijdens de brand waren meegenomen voor verhoor. “Zelfs de Duitsers geloofden niet in een aanslag vanuit het ondergronds verzet”, meende hij. “Wijzelf waren van mening dat wat zware jongens uit de Paardenstraat om de hoek brand op hun kerfstok hadden.” Ook uit het verslag van een vergadering van de Amsterdamse UFA-directie daags na de brand maakte Leeflang op dat niemand opzet vermoedde. Als de brand al echt is aangestoken, was dat volgens hem waarschijnlijk een ‘kwajongensstreek’. Zijn oordeel is nog vaak herhaald, bijvoorbeeld in de driedelige geschiedenis van de Amsterdamse bioscopen van Richard van Buren (Saturday Night at the Movies, 1998) en in het boek van Ingo Schiweck over de Duitse speelfilm in het bezette Nederland Weil wir lieber im Kino sitzen als in Sack und Asche (2002).

‘Sabotagemässiger Terrorakt’
Precies 50 jaar na de brand verdiepte NRC-redacteur Henk van Gelder zich in de zaak. Hij vond Leeflangs bronnen erg vaag, indirect en tegenstrijdig. Zelf zocht en vond hij welingelichte bronnen bij het voormalig verzet. Zo kreeg hij cameraman Peter Staugaard aan de lijn, die kortweg erkende dat hij de bom gemaakt had, maar niet zelf geplaatst. Verder wilde hij er geen woord over kwijt: “Ik heb die periode afgesloten.” Hij sprak ook Guusje Wolffensperger-Rübsaam, destijds geliefde van de vermaarde verzetman Gerrit van der Veen en dus ‘dicht bij het vuur’. Zij had gehoord dat de brand het werk was van de Rattenkruid-groep. Voor Van Gelder aanleiding hun opruiende stencilblaadje maar eens in te zien.
En zowaar, in het nummer van februari 1943 vond hij een gedetailleerd recept voor het maken van brandbommen, met behulp van een lucifersdoosje, een stukje celluloid, geconcentreerd zwavelzuur en kaliumchloraat met suiker. Alvorens dat mengsel zelf ontbrandt “heeft men ruimschoots gelegenheid zich onopvallend te verwijderen.” De redactie memoreert de recente bioscoopbrand en wijst op “de volmaakte eensgezindheid waarmee iedereen in dit verband het woord ‘sabotage’ gebruikte.” Cryptisch volgt daarop: “Wij willen de vraag of hier inderdaad sabotage in het spel was, laten rusten. Maar wel willen wij constateren (…) dat geen daad te gering of onbelangrijk mag worden geacht, omdat haar propagandistische waarde altijd boven haar letterlijke betekenis uitstijgt.”
Het ultieme juridische bewijs zal er wel nooit komen. Maar Van Gelders betoog wordt versterkt door nieuwe aanwijzingen die na 1995 boven water zijn gekomen en waarover hier voor het eerst wordt bericht. Allereerst zijn er inmiddels ook Duitse bronnen over de brand gevonden. Daaruit blijkt dat de Duitsers wel degelijk geloofden in politieke sabotage. Nog op de dag van de brand zelf meldden de Amsterdamse UFA-directeuren Künzig en Daudey aan het hoofdkantoor te Berlijn: “De oorzaak voor het ontstaan van de brand is voorlopig natuurlijk nog niet met zekerheid vast te stellen. Wij vermoeden echter dat een terroristische sabotageactie [‘Sabotagemässiger Terrorakt’] voor de hand ligt, temeer omdat onze ervaringen met soortgelijke brandstichtingaanslagen in het Rotterdamse Luxor-Palast daartoe aanleiding geven. Ook al omdat normale oorzaken zoals brand in de projectieruimte, kortsluiting, een defect van de verwarming of weggegooide sigaren of sigaretten uitgesloten kunnen worden.” (Vertaling auteur)

De Rattenkruidjongens
Enkele dagen later stelde schade-expert W. Fiedler eveneens vast dat sabotage de oorzaak was van de brand, maar ook dat het eigen personeel van het theater er niets mee van doen had: “Als oorzaak voor de brand kan overtuigend sabotage genoemd worden. Hieraan heeft echter geen van de personeelsleden van het theater deelgenomen, want die zijn allemaal verhoord door de Hollandse politie en de Duitse Sicherheitsdienst en daarna vrijgelaten.” (Vertaling auteur.) Meteen na de brand werden extra veiligheidsmaatregelen getroffen, want de schrik zat er goed in. ‘Berlijn’ drong er telefonisch en schriftelijk op aan dat niet alleen de theaters maar ook de kantoren en de door de UFA ingepikte Nederlandse filmstudio’s beter bewaakt zouden worden.
En er zijn nog meer nieuwe aanwijzingen die wijzen op een verzetsdaad. Henk van Gelder vertelde ons onlangs dat hij destijds een paar dagen na zijn NRC-publicatie in 1995 was gebeld door historicus Salvador Bloemgarten. Die wist zeker dat het een aanslag was geweest. En wel uit eerste hand, want het was hem verteld door zijn eigen broer, Rudi Bloemgarten, een van de ‘Rattenkruidjongens’. “Een paar weken te voren kwam hij langs op mijn onderduikadres in Alkmaar en vertelde in een paar woorden wat ze van plan waren. Er moest iets gedaan worden tegen die Duitse propagandafilms. Later kwam hij me opgetogen vertellen dat het werkelijk gebeurd was. ‘Máár’, zei hij, ‘een paar anderen zijn ons vóór geweest!’ Daar geloofde ik natuurlijk niks van. Hij besefte gewoon dat hij de vorige keer z’n mond voorbij had gepraat. Hoe dan ook, een aanslag was het!”. Later was Rudi medepleger van de legendarische aanslag op het Bevolkingsregister in maart 1943; hij werd (net 23) op 1 juli 1943 samen met zijn kameraden gefusilleerd.

Drie onbekende bioscoopaanslagen
Maar daarmee is dit verhaal nog niet ten einde. Het heeft er alles weg van dat de brand in het Rembrandt Theater precies een jaar later inspireerde tot nieuwe aanslagen op bioscopen in Amsterdam en wellicht ook elders. Aanslagen waarover nooit eerder iets naar buiten is gekomen omdat ze mislukten. De bron is een map over brandstichtingen in het archief van de Amsterdamse politie. Uit angst voor sabotage hadden de bezetters al in 1941 besloten dat alle gemeenten verdachte branden moesten rapporteren aan een centrale instantie in Den Haag. Stukken over de brand in het Rembrandt Theater vonden we hier niet (wel elders een dagrapportje).
Maar vrij uitgebreid is gerapporteerd over drie gelijktijdige bioscoopbrandjes op 20 januari 1944 in de UFA-theaters Roxy (Kalverstraat), Passage (Nieuwendijk) en Tivoli (Reguliersbreestraat, voor en na de oorlog Tuschinski). Ze werden alle drie in het prille stadium van brandende stoelen ontdekt door nachtwakers, tussen kwart over tien en elf uur ’s avonds, en meteen geblust. Politiedeskundige Derk Eskes onderzocht de restanten van de bommetjes: miniflesjes zwavelzuur en kaliumchloraat die in de zijloges waren verstopt in opengesneden stoelzittingen. “Daar het vermoedelijk een sabotage-geval betreft, is de S.D. (SicherheitsDienst – red.). met het voorgevallene in kennis gesteld.” Wat de SD daarmee deed, is ons nog onbekend. Het kan haast geen toeval zijn dat diezelfde avond op de Grote Markt in Haarlem de bekende verzetsstrijdster Hannie Schaft met drie kornuiten probeerde de Rembrandtbioscoop in brand te steken. Ook dit brandje werd door personeel geblust.
Net als het Rembrand Theater zou Roxy overigens uiteindelijk afbranden. Maar dat gebeurde pas een halve eeuw later, toen de bioscoop een discotheek geworden was.

Tekst: Egbert Barten
Egbert Barten is historicus en journalist.