Nummer 9: September 2010 - Bellamybuurt: onstedelijk stukje stad

Bellamybuurt: onstedelijk stukje stad

Pleziertuinen werden woonblokjes
Tekst: Peter-Paul de Baar

bell_1-inhoudRond 1865 begon Amsterdam met de bouw van nieuwe woonbuurten buiten de voormalige stadswallen. De rommelige half landelijke terreinen verdwenen bijna overal onder een dikke laag bouwzand. Een opmerkelijke uitzondering is de charmante Bellamybuurt, het noordelijk deel van de Kinkerbuurt. Hier bleven heel wat historische fasen zichtbaar.

Wie vanaf de drukke Ten Katemarkt de Bellamystraat inloopt, merkt al snel dat het straatdek begint te dalen. Een groot deel van die straat ligt namelijk op het oude polderniveau. Naarmate de huisnummers oplopen, daalt de hoogte van de huizen, vooral aan onze rechterhand (noordkant). De aardige voortuintjes hier dragen bij tot de dorpse sfeer.
Wie voor het eerst dit buurtje betreedt, kijkt steevast zijn of haar ogen uit. Dat gold ook voor architecte Minke Wagenaar, die vele jaren geleden het huis Bellamystraat 80 kocht. Ze werd er niet alleen verliefd op, maar wilde er ook alles van weten, zeker toen zij bij een verbouwing in 2000 verrassende bouwkundige details ontdekte.
Bij haar steeds fanatieker onderzoek kreeg zij warme steun van Jouke van der Werff van Bureau Monumenten en Archeologie. Zo kon het onderzoek de status krijgen van ‘Belvédère-project’: een historische studie naar de geschiedenis van de ruimtelijke structuur van een gebied ten behoeve van verdere planontwikkeling. Onder die noemer (in 1999 door het Rijk bedacht) konden gemeente en stadsdeel er geldelijke steun aan geven. Het mondde in 2006 uit in de Bellamy Atlas, een lijvig onderzoeksrapport geïllustreerd met veel prenten, foto’s en plattegronden. Dat is sindsdien omgewerkt tot een prettig leesbaar boek, dat binnen enkele maanden verschijnt bij Uitgeverij Thoth.
Wagenaars huis is het oudste huis van de Bellamystraat, daarover waren de architectuurhistorici het wel eens. Men dacht dat het rond 1850 was gebouwd. Maar tot haar vreugde ontdekte zijzelf dat het eigenlijk veel ouder is. Uit een oude akte en een kadastrale kaart uit 1818 maakte zij op dat haar huis al rond 1725 gebouwd werd als het buitenverblijf Loofrijk, eigendom van Pieter Stevens. Die was kamerbehanger in Amsterdam, een beroep met enig prestige in een tijd dat behang een veel belangrijker element van de woninginrichting was dan nu. Bij zijn dood in 1730 bezat hij twee grachtenhuizen en een paar arbeidershuisjes aan en bij de huidige Jan Hanzenstraat.

Middeleeuwse sloten
Stevens’ buitenverblijf bestond volgens oude kaarten uit het huis zelf en een brede tuin aan weerszijden. De voordeur zat eerst aan de noordkant: die vond Wagenaar als raam vermomd terug. In 1876 werden er drie huisjes (82, 84 en 86) tegen de westkant aangebouwd en in 1884 drie huisjes (78, 76 en 74) aan de oostkant, waardoor het perceel zijn loofrijkheid verloor. Om op het Tuinpad te komen (zoals de straat-in-wording toen heette), moesten de bewoners eerst over een bruggetje een sloot passeren. Die werd in 1887 gedempt en vervangen door voortuintjes. Het pad ging Nieuwe Weteringstraat heten. Maar in 1896 werd dit deel van de gemeente Nieuwer-Amstel door Amsterdam geannexeerd, en in de stad wás al een Nieuwe Weteringstraat. Daarom kreeg het voormalige Tuinpad de nieuwe naam Bellamystraat.
Zoals het met dit stukje Bellamystraat ging, gebeurde het ook op andere percelen, maar vaak net weer anders en in een andere periode. Dat verklaart het nogal grillige verkavelingspatroon. Maar de gemeenschappelijke basis van die structuur was en bleef het middeleeuwse ontginningssysteem. Al ruim voordat de nederzetting Amsterdam ontstond, begonnen kolonisten vanaf de Amstel westwaarts lange ontginningssloten te graven door het moerassige veen. Als de grond door inklinking weer te nat werd voor akkerbouw, werd nieuwe grond drooggemaakt door verlenging van de sloten landinwaarts. Uiteindelijk bereikten die sloten de top van een lange veenrug, waar (na inklinking) in 1413 de Kostverlorenvaart gegraven zou worden.
De standaardbreedte van die ellenlange linten grond (‘weren’, in geografisch vakjargon) was 30 roeden ofwel 113 meter. Over de weren heen ontstonden lange paden evenwijdig aan de sloten. Wie de grachtengordel even wegdenkt, kan zien dat straten en grachten van de Jordaan in feite een voortzetting zijn van de zijstegen (en verdwenen zijsloten) van de Nieuwendijk en Nieuwezijds Voorburgwal, en dat geldt ook voor de oost-weststraten in de Bellamybuurt. Het vroegst (1564) vermelde pad in de Bellamybuurt is het Jan Hanzenpad, ook wel gespeld als Jan Hanzepad, Jan Hanse(n)pad of Jan Hanszoonpad, voorloper van de Jan Hanzenstraat. Dat lag net als het Tuinpad en het Wenslauerpad (nu Wenslauerstraat) langs de noordrand van de betreffende weer. Maar het kon ook anders: het Weespad bijvoorbeeld liep over het midden van de strook.

Buitenverblijven en kroegjes
Tot in de 15de eeuw waren de weren waarschijnlijk nog over hun volle lengte in bezit van particulieren en instellingen aan de Nieuwendijk en Kalverstraat, waarvandaan het ontginnen ooit begon. Maar op den duur werden de weren in kleinere stukjes opgeknipt, met afzonderlijke eigenaren. De grondeigenaren (‘ingelanden’) werden gezamenlijk verantwoordelijk voor de waterhuishouding.
Op het terrein van recht en orde viel de buurt echter onder de ambachtsheerlijkheid Nieuwer-Amstel. Omdat die in 1529 was verkocht aan Amsterdam, was de stad er de baas, totdat Nieuwer-Amstel in 1795 een eigen gemeente werd. Vanaf toen tot de annexatie in 1896 werd dit stuk polder weer vanuit het hoofddorp Amstelveen bestuurd. Zeker in die laatste periode was deze buurt, met zijn vele kleine kroegjes, een aangenaam toevluchtsoord voor ‘randfiguren’: de Amsterdamse politie had er niets meer te vertellen en Amstelveen was ver weg.
Tot de 17de eeuw lag hier vooral weidegrond. Maar tegelijk met het besluit tot de grote stadsuitbreiding van 1613 (grachtengordel Jordaan) besloot het stadsbestuur alle brandgevaarlijke en industrieën uit de stad te weren. Ook een andere functie verhuisde westwaarts: de recreatie. Al in de 16de eeuw hadden burgers met een klein beetje geld buiten de stadsmuren (ten westen van het Singel) tuinen met vaak een optrekje gehouden: de oudste vorm van het fenomeen ‘buitenverblijf’ dat in de 17de en 18de eeuw een grote vlucht zou nemen. Die tuintjes moesten na 1613 wijken voor de stadsuitbreiding. Er kwamen nieuwe tuinen, onder meer in de Bellamybuurt. Behalve moestuintjes en buitenverblijven voor de eigenaren zelf, ook ‘pleziertuinen’ voor een breed publiek, en veel kleine herbergen, speelhuizen en kolfbanen.
Voor al die nieuwe activiteiten was een steviger bodem vereist. Om die reden werd in 1636 de waterhuishouding grondig verbeterd: de buurt werd een bemalen polder. De Wenslauerstraat ontstond als dijkje en ligt daarom net iets hoger dan de Bellamystraat. De weren waren met elkaar verbonden door (noord-zuidgerichte) paden, gangen en kippenbruggetjes. De spleet tussen Bellamystraat 50 en 52 stond bijvoorbeeld lang bekend als Bonte Ossengang, later Leestenmakersgang. Het smalle begin van de Nicolaas Beetsstraat heette vroeger het Zwarte Pad.

Bouwen per tuin
De 19de eeuw bracht belangrijke veranderingen. Ten eerste werd de buurt steeds meer bebouwd. Wagenaar ontdekte dat dit per tuin gebeurde: de eigenaar bepaalde hoe. Meestal kwamen de straten langs de randen van de oude tuin, maar soms was er ook een binnenstraat. Twee voorbeelden daarvan zijn de Simon Willemsstraat en de Theodoorstraat. Op de kaart vindt u die namen niet meer terug. De eerste is nog herkenbaar als doorgang pal ten zuiden van de Korte Blekersstraat. De Theodoorstraat was een slop binnen het blok, omsloten door de Bellamystraat, Bellamydwarsstraat, Wenslauerstraat en Ten Katestraat. Je kwam er door een gang tussen de huizen van de Wenslauerstraat of Bellamystraat. In de jaren zeventig werd het blok goeddeels vervangen door nieuwbouw.
Een tweede ontwikkeling was verdere industrialisatie. Bijna alle molens verdwenen, maar na 1860 verschenen de eerste fabriekjes met stoomkracht, zoals twee diamantslijperijen, een houtzagerij, een ijzergieterij (Zimmer), een pantoffelfabriek, de cacaofabriek van Caspar Flick (naamgever van de ‘flikjes’) in de Bellamystraat en beschuitfabriek Haust in de Jan Hanzenstraat. Ook het aantal kleine bedrijfjes nam toe: een volhouder (sinds 1909) is smederij Meister, Bellamystraat 74-76.
Dat hier nu nog zoveel elementen uit vroeger eeuwen te vinden zijn, danken we vooral aan het feit dat de buurt nog tot 1896 onderdeel was van de weinig ambitieuze gemeente Nieuwer-Amstel. Ten oosten van de huidige Ten Katestraat was Amsterdam rond 1880 voortvarend begonnen met de bouw van de Kinkerbuurt: hoge en lange huizenblokken op opgehoogde grond. Toen eindelijk de Bellamybuurt binnen de stadsgrenzen kwam, stond die echter al vol met huisjes en bedrijfjes die niet zomaar opgeruimd konden worden. Alleen aan de randen van de buurt, zoals in de Elisabeth Wolffstraat en de Hasebroekstraat, was nog ruimte voor wat moderner woningbouw. De rest van de Bellamybuurt behield tot op de dag van vandaag veel van het oude dorpse karakter.