Nummer 1: Januari 2010 - Tuindorp Oostzaan onder water

Tuindorp Oostzaan onder water
Overstroming maakte 11.000 mensen tijdelijk dakloos
Tekst: Loek Hieselaar

INHOUD_1-dijkbreukVijftig jaar geleden beleefde Amsterdam zijn laatste watersnoodramp. In de vroege ochtend van 14 januari brak de dijk langs zijkanaal H en liep Tuindorp Oostzaan onder water. De bewoners moesten worden geëvacueerd en de schade was groot. Het opruimen van alle rommel en viezigheid duurde maanden. De oorzaak van de dijkbreuk bleef onopgehelderd.

Beelden van mensen met kleine kinderen op hun schouders die tot hun middel door het ijskoude water waadden, gingen de wereld over. Op 14 januari 1960 werden de 11.000 bewoners van Tuindorp Oostzaan in Noord uit hun huizen gedreven door een zware overstroming. Buitenlandse media doken gretig op het nieuws, met de watersnoodramp van Zeeland zeven jaar eerder nog vers in het geheugen. Een paar dagen stond de in 1922 gebouwde arbeidersbuurt kortstondig in de schijnwerpers van de wereld.  
Gelukkig viel het qua slachtoffers allemaal erg mee. Één dode was er te betreuren, een 84-jarige weduwe, die gestorven bleek aan een hartaanval en een dag na de overstroming dood op haar bed werd aangetroffen. Wel was er veel schade aan huizen en centrale voorzieningen. In totaal ƒ 8.000.000,-, wat voor die tijd een fors bedrag was. De schade aan particulieren werd ruimschoots vergoed door het Nationaal Rampenfonds en de overheid. Zelfs zo gulhartig dat later het cynische grapje de ronde deed, dat ze in Tuindorp Oostzaan voor het slapen gaan baden: “Heer geef ons heden ons dagelijks brood en elk jaar een watersnood.”
Maar op die vroege winterochtend van 14 januari 1960 was nog niet te overzien hoe groot het leed zou worden. De besneeuwde dijk langs zijkanaal H, een zijarm van het Noordzeekanaal, lag er in het nachtelijk duister als een wit lint bij. De twee militairen korporaal Boers en chauffeur Bles van de Van Heutsz Compagnie op Zeeburg, die met een legercombi (VW-busje) een patrouille uitvoerden langs munitiedepots, zagen plotseling in het licht van hun koplampen een grote zwarte vlek. Een dooiplek, dachten zij eerst nog. Toch maar gestopt. Het bleek een gapend gat in de dijk waardoorheen water uit het zijkanaal kolkend de 2,5 meter lager gelegen Noorder IJpolder instroomde.
Zij haastten zich naar de dichtstbijzijnde boerderij. Politie, brandweer, Koninklijke Marechaussee en de wachtcommandant van kamp Zeeburg werden gealarmeerd. Het was rond half zeven in de ochtend. Achteraf herinnerde machinist E.J.J. Bruggink van het gemaal in de Noorder IJpolder – dat vlak bij de dijkdoorbraak lag – zich dat hij om vijf uur ’s nachts een vreemd geluid buiten had gehoord. Maar van de kant van het kanaal kwamen ’s nachts wel eens meer vreemde geluiden, dus had hij zich nog maar eens omgedraaid.

‘Hollands oldest enemy’
Tuindorp Oostzaan is een typische arbeiderswijk, in de jaren twintig gebouwd om de ernstige woningnood in Amsterdam voor korte tijd te lenigen en arbeiders van de gestaag uitbreidende scheepswerven in Amsterdam-Noord aan behuizing te helpen. De eenvoudige huisjes met piepkleine tuintjes voor en achter werden er maar voor vijftien jaar neergezet, zo was het plan.
De meeste mannen hadden hun huis zoals gewoonlijk al in alle vroegte verlaten. Ze werden op het werk gewaarschuwd dat hun woningen onder water dreigden te lopen. Met de overalls nog aan spoedden zij zich weer huiswaarts om te redden wat er te redden viel. Het was koud die ochtend en er joeg een sneeuwstorm over Amsterdam.
Terug in de wijk zagen zij hoe het water de straten overstroomde en de huizen binnendrong. Politiewagens reden rond om via luidsprekers de mensen op de hoogte te brengen dat zij hun huis moesten verlaten. Bewoners brachten hun huisraad naar de eerste verdieping. Naar schatting een paar honderd wilden niet weg en trokken ook in op de bovenverdieping. Zij dachten dat het niet zo’n vaart zou lopen en wilden op hun spullen blijven passen. De volgende dag werden zij gedwongen hun huis alsnog te verlaten. Evacuatie was nu verplicht.
Om acht uur ’s morgens meldt de radionieuwsdienst van het ANP dat er een overstroming is in Amsterdam-Noord. Dezelfde dag nog stroomt de wereldpers toe. Opgewonden berichtgeving in de eerste uren wekte bij de buitenlandse media de indruk dat heel de stad onderliep. Die indruk werd nog versterkt, doordat de telefoonlijnen vanuit het buitenland naar Amsterdam in de ochtenduren geblokkeerd bleken.
Wie de kranten van 14 januari 1960 er nu op naslaat, treft dramatische verhalen aan over “mensen die met kinderen op hun arm tot aan hun middel in het ijskoude water staan, terwijl  striemende natte sneeuwbuien hun lichaam teisteren.” Over een “droeve colonne van vluchtelingen” richting stad. Buitenlandse kranten schreven over “het gevecht tegen Hollands oldest enemy”, waarbij een foto stond van een vrouw die door twee mannen uit het water werd getild.

Verlossend bericht
De hulp kwam snel op gang. Gemeentepolitie, rijkspolitie te water, Rode Kruis, Bescherming Bevolking, brandweer, GGD, legereenheden, marechaussee, verschillende kustbrigades en gemeentelijke diensten verdrongen elkaar bijna in de opvang van de ruim 11.000 getroffen inwoners. ’s Middags voeren er tientallen boten van allerlei soort door de ondergelopen straten van Tuindorp Oostzaan om de mensen die nog thuis waren te evacueren. Botsingen met obstakels onder water, zoals geparkeerde auto’s, leidden tot bijna komische taferelen.
Elders in Noord werd op de scheepswerven ADM en NDSM een eerste opvang geregeld en dezelfde dag ook nog in het kloostercomplex Sint-Rosa op de Wingerdweg. Verder in jeugdherbergen en op het emigrantenschip de Zuiderkruis, dat in Amsterdam lag afgemeerd. Ziekenhuizen hielden bedden gereed voor noodgevallen en via de radio werd een oproep gedaan om mensen onder dak te brengen. Aanbiedingen voor opvang kwamen tot uit de Achterhoek. Uiteindelijk bleek de overgrote meerderheid te kiezen voor opvang bij familie. Slechts zo’n 500 van de bijna 2300 beschikbare bedden van de hulpinstanties werden daadwerkelijk gebruikt.
Na ruim twaalf uur stond heel Tuindorp Oostzaan met zijn 2600 woningen onder water. Toen om zes uur ’s avonds de stroming door het dijkgat tot stilstand kwam, was een gebied van 400 hectare ondergelopen en 7,5 miljoen m3 water door het almaar uitdijende gat in de dijk gestroomd. Er waren al pogingen ondernomen om het gat te dichten, maar dat zat aanvankelijk nogal tegen. Een lichter met puin werd als een luciferhoutje door de stroming  meegesleurd. Pas nadat ’s nachts het water tot stilstand was gekomen, kon met het dichten worden begonnen. Tonnen zand en puin werden onder meer met behulp van grote hopperzuigers in het gat gestort.
Vrijdagmiddag 15 januari om half vier kwam het verlossende bericht dat het gat was gedicht. Nu kon het leegpompen van de polder beginnen. Dat zou aanzienlijk langer duren dan het onderlopen, want ondanks de inzet van vier grote zuigers en tien pompinstallaties zakte het water slechts één centimeter per uur. Deze tweede rampdag had koningin Juliana een bezoek aan het rampgebied gebracht en in enkele opvangcentra met evacués gesproken. Ook waren de laatste mensen  – soms met geweld – uit hun huizen gehaald. Om plundering te voorkomen hielden politiemensen, bijgestaan door marechaussees, nu de wacht. Ze vormden om het hele gebied heen een cordon.

Controleurs Sociale Dienst
Een week na de overstroming vielen de eerste straten weer droog. Wrakhout, huisraad, fietsen, lege flessen, maar vooral een laag zwarte drabbige modder, vulden het lege stratenpatroon van de eens zo keurig ‘aangeharkte’, bijna Engels aandoende woonwijk. De bewoners wisten wat hen te wachten stond als zij weer naar huis mochten: puin ruimen en schoonmaken, dagenlang.
Ruim twee weken nadat patrouillerende militairen alarm sloegen en Tuindorp Oostzaan binnen een dag veranderde in een soort spookstad, kregen de ruim 11.000 bewoners dan eindelijk toestemming om naar huis terug te keren. Dat was op vrijdag 29 januari. Controleurs van de Sociale Dienst begeleidden de bewoners, om per huis de schade vast te kunnen stellen die voor vergoeding in aanmerking kwam. Alleen wat beneden stond, werd vergoed.
De eerste zes weken was men alom in de weer om de huizen van de drabbige modder te ontdoen. Pas na twee maanden was alle rommel en viezigheid weg. Na een half jaar waren de huizen droog genoeg om opnieuw geschilderd en behangen te worden. Later zouden Tuindorpers klagen dat het wel zes jaar duurde voordat het vocht echt uit de huizen verdwenen was.
De oorzaak van de ramp is nooit precies opgehelderd. Een kort na de overstroming ingestelde commissie met ‘zwaargewichten’ onder leiding van de waterbouwkundige prof. ir. Jo Thijsse (de oudste zoon van Jac. P.) bracht geen uitsluitsel. Waarschijnlijk hebben meerdere factoren een rol gespeeld bij het ontstaan van deze dijkdoorbraak. Zwaar militair verkeer maakte geregeld gebruik van de dijk, wat de kwaliteit van het dijklichaam niet ten goede kwam; in de dijk was naast de verharding een waterleiding aangelegd, die mogelijk op de plek van de latere doorbraak is gaan lekken; en ten slotte was ter bescherming van woonschepen in zijkanaal H tegen golfslag, dwars op de as van het kanaal een damwand aangelegd die tot in de dijk doorliep.
De ramp had wel tot gevolg, dat daarna zowel op gemeentelijk als rijksniveau tal van commissies werden in gesteld met als taak het risico van dijkdoorbraken in het hele land beter in kaart te brengen, om in de toekomst eventueel noodzakelijke maatregelen tijdig te kunnen nemen.

Watersnoodramp ‘opsteker’ voor leerling-journalist
Loek Hieselaar, de schrijver van dit artikel, was als 18-jarige leerling-journalist van de toenmalige krant De Tijd/De Nieuwe Dag, zelf ooggetuige van de watersnoodramp in Tuindorp Oostzaan.
“Die ramp betekende mijn doorbraak als verslaggever bij De Tijd” , herinnert hij zich. “De oudere geroutineerde verslaggevers waren die dag plotseling ziek. Om acht uur ’s morgens werd ik door mijn chef Ben Kroon gebeld met de opdracht mij direct per taxi naar Tuindorp Oostzaan te spoeden, omdat dit stadsdeel onder water liep.”
“De eerste beelden die ik mij herinner, zijn die van mensen die nog in het halfdonker door het ijskoude water waadden met een kind op de arm of een kanariepiet in een kooitje bij zich. Er joeg een sneeuwstorm en mijn pen wilde niet schrijven op het steeds natter wordende papier.”
“Ik heb toen een paar dagen gebivakkeerd in café Korstanje op de Oostzanerdijk. Daar kon je een beetje op verhaal komen, er werd de hele dag verse koffie geschonken en – het belangrijkste – er was een telefoon waarmee je je stukken als het ware live kon doorbellen naar de redactie. Dat café is er niet meer. Helaas, want ik zou er nog wel eens een biertje willen drinken.”