Nummer 3: Maart 2007



Thank you Amsterdam
Het kleurrijke leven van kunstenaar Viktor IV
Tekst: Carolus van Doornen

032007_Victor_IVDe Amerikaanse fotojournalist Walter C. Glück (1929-1986) vond in Amsterdam de vrijheid die hij nodig had. Hij nestelde zich op een binnenvaartschip bij de Blauwbrug en noemde zich Viktor IV. Terwijl hij als kunstenaar erkenning vond bij musea, galeries en verzamelaars, was hij voor rondvaartboottoeristen de excentrieke vlotbewoner. Zijn majestueuze uitvaart over de Amstel heugt eenieder die erbij was.

Langzaam, bezwerend bijna, spreekt Robert Jasper Grootveld de woorden uit: “Viktor is dood… Viktor… Altijd maar die Viktor… Nou is-ie weer dood…!” Met zangerige uithalen herhaalt hij hoe hij destijds reageerde op de dramatische dood van zijn collega-vlottenbouwer. Het was midden in de topzomer van 1986. Viktor was dagenlang bezig geweest met het verstevigen van zijn vlotten. Onder de balkenconstructie plaatste hij grote plastic containers, met lucht gevuld. Hij presteerde het deze drijvers met zijn eigen lichaamsgewicht onder water te duwen en bond ze met oude fietsbanden en nylonkousen vast.
De bodem van de Amstel is aan de zijkanten ondiep doordat passerende vrachtschepen bagger en zand opwoelen. Onder de vlotten, in het donker, is Viktor vast komen te zitten tussen de balken, touwen en modder. ’s Avonds toen hij wegbleef – zijn bril, horloge, mes en kleding lagen op het vlot, dus een ongeluk was waarschijnlijk – werd alarm geslagen. Politie en brandweer verschenen, wal en Blauwbrug stroomden vol met nieuwsgierigen. Kikvorsmannen van de brandweer zochten onder de vlotten, urenlang maar tevergeefs. De volgende morgen werd het scheepvaartverkeer op de Amstel stilgelegd en werden de vlotten naar het midden van de Amstel getrokken. Pas toen kon Viktors lichaam geborgen worden.

Drijvende rouwstoet
Naast oud-provo Kees Hoekert en vlottenbouwers Arie Taal en Robert Jasper Grootveld was Grootvelds vrouw Thea Keizer een van de drijvende krachten achter de begrafenis. Zij verspreidde een oproep om de uitvaart varend te begeleiden. En zo vormde zich op die stralende zomerdag één drijvende rouwstoet van schepen, bootjes en pieremachochels, zodat het volgens Amstel-bewoner Jan Six “was alsof de koningin begraven werd. Een dergelijk cortège kende je alleen van oude gravures”.
Langs de kant zag het zwart van de mensen. Boven het gepuf van de scheepsmotoren uit klonk ijl Viktors favoriete requiem van Gabriel Fauré. Vanaf de bruggen wierp men bloemen op het met stro bedekte vlot. Vriendin Ina Munck stond in het zwart gekleed rechtop en kranig naast de baar, waarover een Amerikaanse vlag gedrapeerd was. Op de achterplecht wapperde een Nederlandse vlag met in de witte baan de tekst ‘Thank you Amsterdam’. Stroomopwaarts ging het naar begraafplaats Zorgvlied, waar spontaan een kakofonisch orkest van scheepstoeters losbrak. Bij het graf huldige Robert Jasper Grootveld hem als een symbool van tegendraadsheid en eigenzinnigheid. Op het graf, pal bij de Amstel gelegen, is een zwart geteerde paal geplaatst met het opschrift ‘Viktor IV’.
Bijna iedereen herinnert zich zijn grijze haardos en imposante postuur, al of niet in combinatie met een van zijn bijnamen als Sinbad de Zeeman, Robinson Crusoë of Neptunus. Toen hij echter na jaren over de wereld te hebben gereisd begin jaren zestig in Amsterdam neerstreek, was hij een onbekende Amerikaan, opgeleid als fotojournalist. Maar dat zou veranderen toen hij de camera voor het penseel inruilde. In april 1964 beleefde hij een ommekeer, met de moord op president John F. Kennedy als katalysator. Hij deed de voor hem fundamentele ontdekking dat een fotograaf altijd ter plekke moest zijn, terwijl een schilder veel sterker kan reageren – op wat voor afstand en waar dan ook – enkel en alleen door zijn verbeelding te gebruiken. Walter Glück was Viktor IV geworden.
Viktor was nog niet met schilderen begonnen of hij zocht publiek. Op het Waterlooplein had hij de vervallen pakhuisgevel van een lompen- en papierhandel van boven tot onder volgehangen met oude poppen en teddyberen en hing er zijn kunstwerken tussen (zie omslag van dit nummer). Ook de onderdoorgang van het Rijksmuseum werd als expositieruimte benut, tot de politie het werk verwijderde. Aan de Amstel, op de hoek naast Carré, diende een bouwschutting als museumwand. Viktor schreef een brief aan Willem Sandberg, oud-directeur van het Stedelijk Museum, die met conservator Ad Petersen prompt kwam kijken.
Viktor had toen nog een ‘kort Amerikaans kapsel’ en droeg een bont geruit hemd. Opgetogen betuigde hij ten overstaan van de museummannen zijn liefde voor de stad en zijn vondst om op uit het IJ opgeviste scheepsluiken schilderingen te maken. Het verweerde hout met afgeronde hoeken zag er oeroud uit. Hij noemde ze ‘American icons’. Sandberg schreef in maart 1965 terug: “Mijns inziens bent u geen zondagsschilder, ten minste niet in de gebruikelijke zin van het woord.” Hij vond het boeiend dat Viktor zich op zekere dag zomaar op het schilderen had geworpen “en dat het meteen raak was”.

Scheepsluiken
In Amsterdam vond Viktor zijn roeping en op de Amstel zijn plek, “zijn raison d’être” in de woorden van zijn Deense vriendin Ina Munck. Na eerst op de kleine woonark Kamakura Buddha te hebben gewoond, richtte hij de Groningse tjalk Berendina Fennegina in als zijn atelier, omgeven door drijvende tuinen. Zijn ligplek aan de Amstel, bij de Blauwbrug, was voor geen Amsterdammer te missen.
Eind jaren zestig maakte Viktor minder schilderingen op scheepsluiken en vond hij ander materiaal om zich op uit te drukken: toen ontstonden talloze logboekbladen op papier. Het waren bonte vellen met dagboekachtige aantekeningen of losse zinnen, uitgevoerd in inkt en waterverf en rijkelijk gelardeerd met stempels en postzegels. Dikwijls cryptisch of onleesbaar, maar ontegenzeggelijk sterk van typografie en beeld. Een groot aantal heeft een plek gekregen in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum.
Viktor en Ina Munck begonnen begin jaren zeventig met wat ze ‘The Second Quality Construction Company’ noemden. Schip en vlotten werden overwoekerd door een wirwar van balken, latten, vlaggenmasten, peilstokken, hutjes en afdakjes, alles bijeengeknoopt met oude nylonkousen en stropdassen, beschilderd in oranje, rood, geel, zwart en wit, en voorzien van borden met gesjabloneerde teksten als ‘Who needs the Pacific Ocean’ en ‘Unnecessary’. Conservator Ad Petersen, die sinds zijn bezoek met Sandberg contact bleef houden, herkent er de pioniersmentaliteit van de blokhutbouwende Amerikaan in. “Een creatieve provocatie, waar heel veel mensen plezier aan beleven,” zo schreef hij in 1976 in een open brief, waarmee hij een lans wilde breken voor Viktors vlottenbouwerij. Dat was nog eens andere koek dan de zorgeloosheid waarmee anderen de grachten vervuilen, aldus Petersen.
Boven de grillige wildgroei stak een meer dan tien meter hoge paal uit met een platform als een kraaiennest. Soms klom Viktor met een gans onder de arm naar boven om tijdens de duik het dier voor zich uit te werpen zodat ze achter elkaar als in een dolfinariumshow in de Amstel plonsden. De waterbeheerders van de gemeente zagen Viktors vlottenbouwerij goedgunstig door de vingers, “een kunstenaar kent immers geen limiet en bovendien lag hij goed bij toeristen,” aldus vaarwegcontroleur Rob Boon. De dienst had met Viktor “een redelijk contact” en bij Viktors uitvaart over de Amstel voer het dienstvaartuig De Watersnip mee als laatste groet.
Zoals zijn creatieve voorbeeld Anton Heyboer het isolement van de weilanden bij Den Ilp nodig had, zo gedijde Viktor het best in het hart van de stad, op zijn schip naast de Blauwbrug. Niet de rustigste plek voor een woonboot. De bocht van de Nieuwe Herengracht bij de Amstel is een van de drukst bevaren rondvaartbotenroutes. Zijn excentrieke uiterlijk en behuizing, aangevuld met dito gedrag, werd een vast onderdeel van het gidsenpraatje. “Here lives the King of the Hippies, called Viktor. He has six wives, for every day of the week one, except Sunday’s, then he goes to church.” Soms werd de riedel hem te gortig en ging hij verhaal halen bij de rondvaartreders. Niet als hippiekoning of als dorpsgek, maar als kunstenaar wilde hij gezien worden.
En Viktor wás allesbehalve een gemarginaliseerde dorpsgek. Zijn werk hangt in bekende musea en hij verkeerde met iedereen op voet van gelijkheid. Aan de overkant van de Amstel woonde de aanzienlijke familie Six, waar Viktor geregeld over de vloer kwam. “Wat moet dat hier, die meneer met zijn blote voeten op het marmer,” vroeg vader Six aan zijn zoon. Jan Six jr. antwoordde: “Die meneer wast vaker zijn voeten in de Amstel dan jij je schoenen op de deurmat veegt.”

Bulgar Time
In Viktors schip rook het naar teer en stro en ’s winters pruttelde de potkachel met de pittige lucht van houtvuur. Het ruim van het binnenvaartschip was volgestouwd met een ongekende opeenhoping van spullen, Waterlooplein-vondsten, panelen met teksten en stapels papieren. Op een zelfgetimmerde tafel stond tussen de teken- en schilderspullen en een verzameling stempels de bontbeschilderde Torpedo Werke-typemachine waarop Viktor IV dagelijks zijn logboekbladen hamerde. De letter E had hij afgezaagd en op zijn kop weer vast gesoldeerd, zodat die letter altijd in spiegelbeeld getypt werd. Tussendoor krioelden ook nog jonge katjes. Ze werden met belletjes behangen of met een oranje halskraag beschilderd. Ze liftten mee op zijn hoofd als hij in de Amstel zwom, waarbij een natte vacht soms onvermijdelijk was.
Eind jaren zeventig raakte Viktor gefascineerd door het begrip tijd. Zijn kunstenaarsnaam werd Bulgar Finn en onder de ‘merknaam’ Bulgar Time maakte hij tal van klokken met snel tollende of tegengesteld draaiende wijzers, klein uitgevoerd als polshorloge of groot aangebracht aan de wand. “Time is always now,” was daarbij zijn motto. In café Eik en Linde aan de Plantage Middenlaan sticht een exemplaar nog geregeld verwarring bij tapgasten. In de Pijp bevindt zich de allergrootste Bulgarklok. In 1983 schreef de gemeente een prijsvraag uit voor “een dakgevelplastiek met een verticale werking, minimaal drie meter boven de daklijst uitstekend. Het kunstwerk moet een baken worden voor de Ferdinand Bolstraat.” Het moest prijken op het nieuwbouwblok op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Lutmastraat. Het ontwerp van Bulgar Finn werd uitverkoren: een meer dan twee meter hoge kubus met vier wijzerplaten roterend op een stalen pijp.
Gesteggel volgde toen het honorarium uiteindelijk lager uitpakte dan Viktor aanvankelijk was toegezegd. Vergeefs gingen brieven heen en weer tussen de kunstenaar en de gemeente. Geen man zijnde om zich een oor aan te laten naaien, gaf Viktor de gemeente daarop werk naar loon en liet zo goed als alle cijfers weg. Op de witte, lege wijzerplaten bracht hij enkel het cijfer 4 aan. Al kort na de plaatsing in 1986 volgden er klachten van omwonenden. De rond draaiende kubus zou hinderlijke reflecties veroorzaken. “Net een vuurtoren,” volgens een bewoonster uit de Lutmastraat. Vergeefs werd onderzocht of kleurloze folie dan wel schuin geplaatste voorzetruiten het euvel konden verhelpen. Uiteindelijk werd de klok stilgezet, tot nu aan toe.

Geheimzinnig
Zonder Amstel geen Viktor. Hij noemde het zijn ‘Pacific Ocean’ en kon er uitgroeien tot een soort mythische stroomgod, onnavolgbaar en onvoorspelbaar. Maar evenzogoed geen Viktor zonder Waterlooplein. Dat wil zeggen, het plein met de markt voordat metro- en Stopera-bouwers er huishielden en waarvan heel de vrolijke santenkraam overduidelijk een voedingsbodem was voor zijn werk en leven.
Na Viktors dood verhuisde Ina Munck terug naar Kopenhagen. Het schip ligt nog in de luwte van de Blauwbrug met een enkel schamel vlot met gras langszij. Het is nu eigendom van de Deense architectuuracademie, die er (overigens met veel succes) zijn studenten laat wonen. Het atelier werd uitgeleend aan het Amsterdams Historisch Museum en werd in 1988 geëxposeerd op een overzichtstentoonstelling van Viktors werk in Museum Fodor. Nu is het te zien in het Deense Skagen, een kunstenaarsdorp op de uiterste noordpunt van Jutland. Bij de tentoonstelling in Fodor kwam het boek Viktor IV uit, dat Ad Petersen samen met Ina Munck schreef.
Eind november 2006 kwam in het Amsterdams Historisch Museum een gezelschap van vrienden, bezitters van een of meer ‘Viktors’ en andere belangstellenden bijeen. Ook Ina Munck was uit Denemarken overgekomen. De ‘Stichting Viktor IV’ werd ten doop gehouden met het doel om Viktors kunst weer meer in de belangstelling te plaatsen. Een nieuw boek is in de maak en er zijn ideeën voor een semi-permanente tentoonstelling van zijn werk, wellicht in de buurt van de Blauwbrug.
Op dit moment is Viktors werk prominent te zien in de eerste zaal van het AHM. Naast elkaar hangen daar vier houten panelen die de hoofdgrachten voorstellen (zie afbeelding van het paneel Prinsengracht). Diepblauw ligt het water tussen de oude, bruine gevels. Het zijn geheimzinnige schilderingen, zwaar als een scheepsluik, licht als een kindertekening.