Nummer 2: Februari 2007



Is de Amstel deels een gracht?
Spectaculaire ideeën over Amsterdams oudste geschiedenis
Tekst: Peter-Paul de Baar

022007_AmstellandDe Amstel stroomde oorspronkelijk naar het zuiden. Het deel dat nu binnen de stad ligt is een kunstmatige verlenging van de oorspronkelijke rivier. De Linnaeusstraat is de oudste straat van Amsterdam. En het oudste Duivendrecht lag op De Nieuwe Ooster. Dat zijn enkele opmerkelijke stellingen van prof. Piet van Reenen in een binnenkort te verschijnen boek over de geschiedenis van Diemen en omstreken. Daarin zet Van Reenen de hele geschiedschrijving over de eerste bewoning van de Amsterdamse regio op haar kop.

Een vakhistoricus is Van Reenen zeker niet, maar evenmin een beunhaas. Afgelopen zomer nam hij afscheid als hoogleraar Taalkunde en computerlinguïstiek aan de Vrije Universiteit, waar hij zich onder meer specialiseerde in de variaties van het middeleeuwse Nederlands, naar perioden en regio. Zijdelings kwam die expertise hem in dit streekhistorische onderzoek zeer van pas. Maar daarnaast is hij ook al tientallen jaren een gedreven amateur-archeoloog. Dat vak was een oude liefde.
“Ja, ik had altijd al zoiets willen studeren, maar ik dacht dat je daar rijk voor moest zijn. Geologie vond ik trouwens ook leuk, maar daar moest je ook veel geld voor hebben, dacht ik, voor die excursies en zo. Dus dat heb ik allemaal niet gedaan en ten slotte ben ik Frans gaan studeren, wat ik ook heel leuk vond. Uiteindelijk vond ik Frans toch weer te beperkt en stortte ik mij op de Algemene Taalwetenschap, waarbinnen ik me vooral ging interesseren voor de vraag hoe je met behulp van de computer taalvarianten kon analyseren. Na mijn promotie in 1981 ben ik in mijn vrije tijd alsnóg aan archeologie gaan doen.”
Dat deed Van Reenen in het verband van de Archeologische Werkgemeenschap in Nederland, een ruim 50 jaar oude club van amateur-archeologen die de beroepskrachten wijzen op veelbelovende opgravingslocaties in hun eigen regio en hen assisteren bij grote projecten, maar ook (onder wetenschappelijke begeleiding) zelfstandig kleine opgravingen verrichten waar de professionals zelf niet aan toekomen. De AWN-afdeling Amsterdam en Omstreken bleek destijds vooral actief in en om Diemen, toen (vooral door tijdgebrek) een blinde vlek voor de archeologen van de Amsterdamse universiteit en aanvankelijk ook voor Amsterdams eerste officiële stadsarcheoloog, drs. Jan Baart, die in 1972 werd aangesteld. De eerste onderzoeksresultaten van AWN-Amsterdam werden in 1987 gebundeld in het boek Diemen buyten Amsterdam. Toen eind jaren tachtig de grond rond het middeleeuwse kerkje van Oud-Diemen opgespoten zou worden voor de bouw van Diemen-Noord, besefte de AWN dat het moment was aangebroken voor een groot, ononderbroken professioneel onderzoek. Daarvoor wist Van Reenen namens de AWN nog net op tijd Jan Baart en zijn medewerkers Ab Lagerwey en Wiard Krook te strikken, met geld van de gemeenten Amsterdam en Diemen.
De oudste nederzetting in Oud-Diemen bleek van omstreeks 1070 te dateren, stelde de stadsarcheologen eind 1990 vast. Maar in juli 1992 groeven Baart c.s. een nog veel oudere nederzetting op aan de oostoever van de Diem (Overdiemen). Aanvankelijk hield Baart het erop dat het oudste boerderijtje op deze terp van ongeveer 1100 dateerde, maar later stelden dendronchrologen vast dat het hout van de oudste fundamenten toebehoorde aan een boom die in 1033 moest zijn gekapt! Op basis van alle nieuwe onderzoekingen verschijnt begin dit jaar een nieuwe artikelenbundel, Diemen in het land van Amstel, met onder meer een onderzoeksverslag van de Amsterdamse stadsarcheologen én een artikel van Piet van Reenen en Bart Ibelings, waarin gezocht wordt naar een nieuwe synthese van de geschreven bronnen en de archeologische, naamkundige en landschappelijke gegevens.
Waar het Van Reenen en Ibelings (expert op het gebied van de middeleeuwse waterhuishouding) eigenlijk om ging was een reconstructie van de ontginning van de Amsterdamse regio ten oosten van de Amstel, ofwel het noordwesten van het Nedersticht. Dat is een oude naam van het grondbezit van de middeleeuwse bisschoppen van Utrecht, ongeveer de huidige provincie Utrecht en een aangrenzend stukje van Noord- en Zuid-Holland.
Het was allang duidelijk dat het moerassige gebied van Amstelland en Waterland vanuit het hoger gelegen oosten was ontgonnen, maar niet precies in welke fasen dat gebeurde en langs welke routes. Absolute zekerheid is daarover nog steeds niet te geven, maar Van Reenen komt, mede op basis van voorwerk van Ibelings, wel tot interessante nieuwe hypotheses. Al is lang niet alles wat hij beweert gloednieuw, beklemtoont hij. Maar wel heeft hij veel elementen voor het eerst tot één verhaal samengevoegd en daarmee begrijpelijker en waarschijnlijker gemaakt.

Torentje in het meer
Eigenlijk begon het allemaal met een grondige bestudering van oude plattegronden. Daarbij vielen een paar losse details op, die bij nader inzien veel met elkaar te maken bleken te hebben. Van Reenen: “Bart Ibelings had uit het archief van Dordrecht een fraaie kaart opgedoken uit 1555, gemaakt door de koster van de Oude Kerk in Amsterdam. Daarop zie je ook het Watergraafsmeer, toen dat nog water was en vaak ook Diemermeer genoemd werd. En daar leek midden in het water een kerktorentje te drijven! Ik zeg tegen Bart: ‘Verrek, wat doet dat torentje daar?! Zou daar ooit een kerkje gestaan hebben, waaraan die koster nog wil herinneren?’ En daarna bekeek ik een kaart van Pieter Bruinsen, kijk hier, van ‘Het Diemer of Watergraafs Meer in het Jaer 1531’. Rechtsboven, dat is het zuidwesten, zie je de weg naar Duivendrecht op het meer doodlopen: dat is de huidige Rijksstraatweg. En midden onder, aan de noordkant, zie je een weg van het meer naar de ‘Outewalerbrugh’. Dat is de oude Oetewalerweg, de huidige Linnaeusstraat. Maar het interessantste is dat Bruinsen in dat meer de ‘Afgespoelde landen door het Meir’ heeft ingetekend. En dan zie je dat aan de zuidkant, in het verlengde van de latere Rijksstraatweg, ooit een landtong (een ‘tump’, zeiden ze vroeger) uitstak, die vrijwel aansloot op die Oetewalerweg. En die tump lag duidelijk zo’n beetje waar die koster het kerkje tekende!”
Dat bevestigde het al eens eerder (onder meer door onderwijzer en Amsterdam-kenner Jaap Kruizinga) geuite vermoeden dat de Rijksstraatweg en de Linnaeusstraat ooit één - doorlopende - weg waren, dwars door het Watergraafsmeer.
Van Reenen: “Daar lagen, denk ik eigenlijk, tot ongeveer 1350 twéé meren: het Watergraafsmeer in het westen en het Diemermeer in het oosten. Dat laatste zal hetzelfde zijn geweest als het in oudere teksten genoemde Tumpmeer, dat historici nooit konden lokaliseren. En op die landtong, die tump die beide meren scheidde stond dus een kerkje. En dat was volgens mij van het oudste Duivendrecht, zo’n halve kilometer noordelijker dan het dorp van nu! Dat was dus ongeveer waar in 1894 in de ingepolderde Watergraafsmeer de Nieuwe Oosterbegraafplaats werd aangelegd.
En daarmee is ook die rare naam Duivendrecht verklaard!
Met duiven heeft dat niks te maken. Volgens mij is het een verbastering van ‘de overdrecht’, een overzetplaats over de drecht – zeg maar de sloot tussen de landtong in het meer en het zuidelijke uiteinde van de Oetewalerweg, de Linnaeusstraat.”

Een oude en een nieuwe Amstel
Maar wat betekende eigenlijk die rare naam ‘Watergraafsmeer’? Was een watergraaf een ander woord voor dijkgraaf? Nee, nergens anders bleek die term terug te vinden. Alweer Jaap Kruizinga, zelf Watergraafsmeerder, had al eerder geopperd dat de naam met het werkwoord ‘graven’ te maken had. Maar wát was er dan gegraven? Het meer zelf in ieder geval niet, afgaande op de onregelmatige vorm.
“En toen,” vertelt Van Reenen, “keek ik eens naar de Amstel, tussen Omval (de westkant van het Watergraafsmeer) en de Blauwbrug. Kaarsrecht! En dat is heel raar, voor een oude veenrivier. Pas ten noorden daarvan (de Binnen-Amstel en het Rokin) begint de stroom weer te kronkelen. Ik denk daarom dat dit deel is gegraven, en dat daarna het meer van waaruit dat gebeurde Watergraafsmeer (‘watergrachtsmeer’) ging heten. Die doorgraving verbond het territorium van het Sticht, waar de bisschop van Utrecht de baas was, met wat toen nog het zuiden van Waterland was, en dat moet zijn gebeurd in een periode dat die dan ook wat te vertellen had in Waterland. Dat gebied viel bijna steeds onder de graven van Holland, behalve in één korte periode, tussen 1063 en 1076. Toen viel het onder het gezag van bisschop Willem van Utrecht, en dus moet dat rechte Amstel-stuk dus ook zo rond 1070 gegraven zijn.”
De oudste Amstel, de echte rivier, stroomde waarschijnlijk eerst de andere kant op, naar het zuiden, vermoedt Van Reenen. Een deel mondde voorbij Ouderkerk uit in de Drecht, een ander deel boog oostwaarts af en mondde uiteindelijk via de Winkel en de Angstel uit in de Vecht, en via het Gein en de Smal Weesp in het Almere, de kleine voorloper van de Zuiderzee, nu het IJsselmeer. Die oostelijke tak heet nu bij Ouderkerk de Bullewijk, maar op een kaart uit 1687 heet die nog Oude Amstel.
Het gegraven stuk Amstel, aan de andere kant, sloot bij de huidige Blauwbrug aan op een natuurlijk riviertje (nu het Rokin en Damrak) dat rechtstreeks doorliep naar Waterland, waar het de Waterlandse Die heette. Want van het IJ was nog nauwelijks sprake: dat was een smal stroompje, waarvan de zuidoever toen waarschijnlijk een stuk noordelijker lag, en misschien zelfs vanuit het Almere (Zuiderzee) niet verder westwaarts doordrong dan tot Schellingwoude. Waterland was in elk geval heel makkelijk bereikbaar. Die situatie veranderde pas drastisch door de grote watersnoodramp van november 1170, de zogeheten Allerheiligenvloed. Daardoor werd het IJ een brede stroom. Door die verbreding stroomde het water van wat we nu Amstel noemen makkelijker dan daarvoor in het IJ weg, zodat de richting van de hele stroom geleidelijk veranderde.
De huidige Linnaeusstraat, viel Van Reenen intussen op, loopt precies evenwijdig aan het rechte stuk van de Amstel, op een afstand van zo’n 1300 meter. Toeval? Daar gelooft hij niet in. Die ‘watergraft’, dat kanaal, was weliswaar waarschijnlijk allereerst bedoeld voor de afwatering van het drassige gebied, maar tegelijk vormde het de basis voor een grote ontginning van het veen benoorden het Watergraafs- en het Diemermeer (Tumpmeer). Daarvan was de toenmalige Oetewalerweg de ‘achterdijk’: tussen dat nieuwe kanaal en de dijk en haaks daarop werden (op onderlinge afstand van zo’n 100 meter) de lange afwateringssloten gegraven.

Twee ontginningscampagnes
De route Rijksstraatweg/Linnaeusstraat is in feite een westelijke zijtak van een kaarsrechte weg van Ouderkerk naar Oud-Diemen: de Burgemeester Stramanweg, de Ouderkerkerlaan en de Ouddiemerlaan zijn daar restanten van. Die westwaartse afsplitsing begon pal ten noorden van de huidige Amsterdam Arena, langs sportpark Strandvliet: het eerste deel is herkenbaar in het nog bestaande Zwarte Laantje en de latere Rijksstraatweg en dus ook de Linnaeusstraat sloten er recht op aan.
Omdat het allemaal één project lijkt te zijn geweest en Oud-Diemen blijkens de opgravingen uit omstreeks 1070 dateert, net als het rechte Amstelstuk, dateert ook de oude Oetewalerweg waarschijnlijk al uit diezelfde tijd. Daarmee is de huidige Linnaeusstraat de oudste straat binnen de huidige Amsterdamse stadsgrenzen. (De Nieuwendijk en de Warmoesstraat ontstonden pas een halve of driekwart eeuw later.)
Wat Diemens oorsprong betreft: het is verleidelijk aan te nemen dat Oud-Diemen is gesticht vanuit het vlakbij gelegen Overdiemen, maar opmerkelijk genoeg lijkt er in de Middeleeuwen geen enkele rechtstreekse verbinding tussen die twee plekken bestaan te hebben. Dus moet het anders zijn gegaan.
Alles bijeen komt Van Reenen tot de slotsom dat het huidige Amstelland in twee tijdvakken langs twee routes is ontgonnen. De eerste nederzetting hier werd gesticht op de oostoever van de Diem (Overdiemen) omstreeks 1033, vanuit Muiden of het Gooi. De tweede, veel grotere ontginningscampagne, werd opgezet vanuit Ouderkerk aan de Amstel, vanaf omstreeks 1070. Allereerst ontstond toen Oud-Diemen; via een westelijke tak van de weg naar Diemen, tussen twee meertjes door, trok men wat later noordwaarts verder tot ongeveer de huidige molen De Gooyer bij de Sarphatistraat, waar het gehucht Oetewaal ontstond; daarbij werd het terrein van de huidige Oosterparkbuurt en de oostelijke binnenstad ontgonnen. Gewoond werd daar nog niet.
De Allerheiligenvloed van november 1170 betekende een keerpunt: het IJ werd veel breder en vormde een natuurlijke haven, waaraan na 1200 een nieuwe nederzetting ontstond die al snel belangrijker werd dan alle andere: Amsterdam.
Zo is het tenminste gegaan volgens Van Reenen. Maar in de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam zoekt u dit alles vergeefs. Van Reenen bereidt zich dan ook voor op tegenspraak, maar daar ziet hij niet tegenop: “Ik heb een sterk verhaal, denk ik!”