Nummer 7-8: Juli-Augustus 2006



We gaan naar Zandvoort!
Van kuise badkostuums tot uitdagend flaneren
Tekst: Marius van Melle

07082006_Zandvoort“En thans naar zee! De spoorweg is geopend.” 125 jaar geleden kreeg Amsterdam een spoorverbinding met Zandvoort. Het vissersdorp werd echter niet direct druk bezocht. Lange tijd bleef het een luxe badplaats waar Duitse vorstenfamilies graag geziene gasten waren. Pas enkele decennia later zou de Blauwe Tram Zandvoort bereikbaar maken voor de gewone stedeling. Met het decente baden vanuit ‘badkoetsen’ was het toen snel gedaan.

De omvorming van het armetierige vissersdorpje Zandvoort tot een badplaats begon al in 1828, toen het Groot-Badhuis werd geopend. Bezoekers konden voortaan ook gebruik maken van een in datzelfde jaar aangelegde verharde weg door de duinen naar Vogelzang, waardoor Zandvoort niet langer geïsoleerd lag achter de duinen. Die weg was er gekomen op initiatief van prof. David van Lennep en zijn neef Pieter, over wier landgoederen de weg werd aangelegd. De badgasten die naar Zandvoort kwamen waren overwegend rijke mensen die voor hun gezondheid aan de kust wilden verblijven en aanvankelijk waagden zij zich nog niet in zee. Liever plonsden ze in de beschutte entourage van het badhuis in het zoute en desgewenst warme zeewater. Ook in het iets bescheidener opgezette hotel van Willem Driehuizen, dat net iets eerder zijn deuren opende dan het Groot-Badhuis, gebeurde dat.
Naarmate de verbinding met Zandvoort werd verbeterd, kwamen er in het dorp steeds meer logeeradressen bij. Toen eenmaal de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem was doorgetrokken naar Rotterdam, kon men op verzoek uitstappen bij de weg naar Zandvoort en daar een diligence nemen. Iets later kwamen er omnibusdiensten vanuit Haarlem. Al met al bleef het een flinke reis, die vanuit Amsterdam algauw anderhalf uur in beslag nam. Weinigen konden zich de luxe permitteren. Al kreeg Zandvoort in 1869 wel een Badhuis voor Minvermogenden, waar protestantse bleekneusjes op krachten konden komen. Een oudtante van mij is er nog in het interbellum directrice van geweest. Zo’n 20 jaar later zou dit voorbeeld gevolgd worden door een ‘vacantiekolonie’ voor Amsterdamse kinderen.

Babbelkoets
In navolging van het strandleven in Scheveningen verschenen ook in Zandvoort koetsjes op het strand, die de mogelijkheid boden om afgeschermd van mogelijk wellustige ogen decent te water te gaan. De badkoets werd dan op een zandbank voorbij de branding geparkeerd met de achterkant, meestal voorzien van een luifel, naar zee. Aan de hand van een in Zandvoortse dracht geklede badvrouw en zonder dat onbescheiden blikken vanaf het strand hen konden zien, waagden de baders zich dan tot hun middel in zee. Voor de minder dapperen was er de ‘babbelkoets’. Een overdekte wagen met een bank voor ongeveer tien personen, die aan één kant open was. Die werd de branding in gereden met de open zijde naar zee gericht, zodat het gezelschap dan ongestoord kon genieten. De badkoetsbedrijven werden ‘badinrichtingen’ genoemd en daarvan waren er in 1880 drie: die van het Groot-Badhuis, van Hotel Driehuizen en van het een jaar eerder geopende hotel Kaufmann (later herdoopt in Hotel Wüst).
De plaatselijke bevolking profiteerde natuurlijk geweldig van het badtoerisme. De visserij kwijnde al jaren, al was het wel een pittoresk gezicht om vanaf het hotelterras te kijken naar het op het strand trekken van de bomschuiten waarmee op platvis en garnalen werd gevist. Die vis werd van oudsher in Haarlem verkocht en te voet daarheen gebracht door vrouwen met een mand op de rug. Het pad waarover die ‘vislopers’ blootsvoets door de duinen liepen, bestaat nog steeds en loopt ten zuiden van de huidige spoorlijn. Ook de aardappelteelt was op zijn retour, omdat de grondwaterstand daalde door de winning van Amsterdams drinkwater uit de duinen. De Haagse schilder Joseph Israëls heeft het traditionele Zandvoort nog in etsen en schilderijen vastgelegd en na hem ook de Duitse impressionist Max Liebermann. Ze waren zich ervan bewust dat deze aspecten van het kustplaatsje zouden verdwijnen zodra het overspoeld zou worden door badgasten. Met de komst van een spoorverbinding was die ontwikkeling onvermijdelijk geworden.
De initiatiefnemer van de spoorlijn van Haarlem naar Zandvoort was de Bloemendaalse ingenieur Eduard Kuinders. Die was in zee gegaan met de van origine Duitse broers Eltzbacher, die in Amsterdam een filiaal van hun Keulse handelsonderneming hadden gesticht. Op hun beurt legden zij contact met de Duitse broers Sulzbach, bankiers in Frankfurt am Main. De drie Eltzbachers en de drie Sulzbachs legden elk ƒ 99.000 op tafel en Kuinders ƒ 6000, zodat de NV Haarlem-Zandvoort Spoorwegmaatschappij met een kapitaal van zes ton opgericht kon worden. Na de oprichting van de spoorwegmaatschappij kochten de initiatiefnemers ruim veertig hectare zeereep ten noorden van het dorp. Daar moest - bij het kopstation ‘Zandvoord-Bad’ - een nieuw centrum uit het duin worden gestampt om de badplaats op te stuwen in de vaart der volkeren.

Zandvoorts Kurhaus
De Rotterdamse architect J.C. van Wijk werd in de arm genomen om de belangrijkste gebouwen te ontwerpen. Hij was uitverkoren omdat hij in zijn woonplaats een Passagegebouw had laten neerzetten. Verrassend was het dus niet dat de Zandvoortse Passage daar sprekend op zou gaan lijken. De toekomstige treinreiziger zou uitstappen in een eenvoudig gehouden, houten station. Dan leidden statige trappen naar de winkelgalerij die in verbinding stond met een nieuw hotel-restaurant annex concertzaal, het Kurhaus. Ter linkerzijde waren villa’s gepland, waarvan de Eltzbachers er een zouden gaan bewonen. Er werd met man en macht gewerkt en zeven maanden nadat de eerste spa de grond in was gegaan voor de spoorwegaanleg, kon de opening van de spoorlijn plaatsvinden.
Op 2 juni 1881 vertrok een feestelijk versierde trein vanaf het Amsterdamse Station-Westerdok (aan het Centraal Station werd nog gebouwd) met genodigden die zowel “door hunne maatschappelijke positie als door hunnen betrekkingen tot de ondernemers geroepen waren deze plechtigheid bij te wonen”, zoals het Algemeen Handelsblad de volgende dag meldde in een uitvoerige reportage die we hier zullen volgen. Na ruim een kwartier was Haarlem bereikt – “spoediger dan misschien ooit op dit traject is geschied” – en kreeg burgemeester Van Tienhoven gezelschap van zijn Haarlemse collega en de ‘Commissaris des Konings’. Nu was de vaart eruit, want de trein stopte bij de twee tussenliggende stations om de versierde wachtkamers te bekijken. Na het piepkleine stationnetje Haarlem-Bolwerk viel vooral de lommerrijk gelegen halte Overveen-Bloemendaal (nu Overveen geheten) in de smaak. Dat laatste stationnetje was er gekomen door toedoen van de puissant-rijke Willem Borski, over wiens grondbezit het grootste deel van de lijn liep. Hij had de grond gratis afgestaan mits het tracé langs de grens van zijn gebied zou lopen, zodat dat meteen omheind was. Ook moest er een station komen niet te ver van zijn buiten Elswout.
Na een tochtje met “de heerlijkste, schilderachtigste vergezichten zag men over de als in een mythisch waas verscholen gelegen duinen, de torens en tinnen verrijzen van het nieuwe Zandvoort. Links liet de trein het dorp liggen, met een zwenking rechts bereikte men de onmiddellijke nabijheid van het strand, de trap die naar de Passage leidt. Was overal op den weg door de bevolking sympathie betuigd met het nieuwe gemeenschapsmiddel, door vlaggen, versieringen, menschenmassa’s aan de stations, te Zandvoort was een groot gedeelte der bevolking aan het station vereenigd. De Zandvoorter Kurkapel hief het volkslied aan; de burgemeester en de gemeenteraad stonden op het perron.”

IJzeren banden
Met de muziek voorop wandelden de genodigden door de Passage naar het Kurhaus, een met vier torens opgetuigd gebouw met aan weerszijden halfronde vleugels met gastenkamers. In de grote eetzaal, die ook geschikt was voor concerten, werd vervolgens voor de 250 gasten een feestdis aangericht. “De verwachting dat zulke ondernemers model-gastheeren zouden blijken te zijn, werd niet beschaamd.” De ene toost na de andere werd uitgebracht. Burgemeester Van Tienhoven sprak bij zijn heildronk de hoop uit “dat de ijzeren banden die Amsterdam nu met Zandvoort verbinden, geene kluisters zullen zijn maar juist de gelegenheid geven tot vrij uitslaande vleugels. Aan dit heerlijke strand zal men levenskracht, levensmoed, levenslust kunnen inademen, om even krachtig en energiek als de ondernemers die deze werken tot stand hebben gebracht te streven naar vooruitgang en ontwikkeling.” Ook de hoofdredacteur van het Handelsblad, Charles Boissevain, bracht een dronk uit met de woorden: “Aan de zee!” Hij was stamgast van het Groot-Badhuis en zou dat hotel trouw blijven, altijd bereid jubilea van ‘badvrouwen’ met gloedvolle woorden luister bij te zetten. Zo zou hij Dirkje Koning in 1901 bij haar 50-jarig jubileum uitroepen tot koningin van het strand.
Met de spoorlijn was de loper uitgelegd voor de talrijke Duitse vorsten, die nu op een gerieflijke wijze naar Zandvoort konden komen, hopend er verlichting te vinden van hun kwaaltjes die hoofdzakelijk voortkwamen uit hun copieus eetgedrag. Een Duitse arts, dr. C.A. Gerke, stond klaar om hen te behandelen met koude en warme wisselbaden met zeewater. Deze dokter was voor Zandvoortse grand hotels wat voor het Amstel Hotel in die tijd de ‘knijpdokter’ Metzger was. De Oostenrijkse keizerin Elisabeth (Sissy) werd door de laatste in 1884 naar Zandvoort gestuurd. Het beviel haar zo goed dat ze een jaar later weer ging. Nu verbleef ze niet in hotel Kaufmann, maar in de villa van een Amsterdamse effectencommissionair. Dagelijks liet ze toen per spoor het diner overkomen van de keuken van Bracks Doelenhotel in Amsterdam.
Het werd de hoge gasten nog makkelijker gemaakt toen er in 1888 een doorlopende treinverbinding van het Zwitserse Bazel naar Zandvoort kwam. De plaatselijke krant meldde trouw de komst van de volgende lading hooggeplaatsten, zodat de bevolking kon opmaken welke rare vlag er nu weer gehesen werd bij een der hotels. Het bleef in het fin de siècle een elitaire bedoening in de badplaats en bovendien nogal Duits geörienteerd. De bekendste biertent heette niet voor niets Germania. Er kwam een circusgebouw waar Duitse circussen optraden en Zandvoort beschikte over een Duitse blaaskapel.

Boedapester trams
In dat elitaire karakter kwam verandering toen de badplaats een tramverbinding met Amsterdam kreeg, die veel goedkoper was dan de trein. Vanaf het seizoen 1905 was er een directe tramlijn tussen Amsterdam en Zandvoort, met als opstapplaats het Spui (later Spuistraat). Vanaf 1924 reden op die lijn onder meer zware tramstellen uit Boedapest die sterk tot de verbeelding spraken. Lex Lammen die in de jaren vijftig op de Admiraal de Ruijterweg woonde, vertelt in de Bibliotheek van Amsterdamse herinneringen hoe de verschillende typen treinstellen met allemaal hun eigenaardigheden altijd “door de decors van mijn jongensjaren rijden”. De grote ‘Haarlemmers’ raasden langs bijna alle haltes en reden in minder dan een uur van het Spui naar de Haltestraat in Zandvoort. Maar de mooiste van allemaal was de Boedapester. “De patrijspoorten in het verlaagde middendeel waar je instapte, bezorgden je al het gevoel van een avontuurlijke reis. En lukte het een zitplaats te vinden in de dikke kussens tegen de donkerhouten lambrisering, dan was het traject altijd te kort.” Het werd alom betreurd dat de Blauwe Tram, zoals deze NZH-lijndienst naar de donderblauwe kleur van de trams heette, na het seizoen 1957 vervangen werd door een busdienst.
Van het oude Zandvoort was toen al weinig meer over. De Passage en het Circusgebouw waren in vlammen opgegaan. Na de verplaatsing van het eindpunt van het spoor naar het dorpscentrum was de Passage trouwens in de versukkeling geraakt. Het Kurhaus, dat in 1913 nog was vernieuwd, werd in 1943 op last van de Duitsers afgebroken in verband met de aanleg van hun Atlantik Wall. Hetzelfde lot moest toen de hele bebouwing van de kuststrook ondergaan, een derde van het dorp. Het puin is na de oorlog nog gebruikt voor de aanleg van het racecircuit.
Het uiterlijk van de badplaats is er onherkenbaar door veranderd. Veel eerder al was een ander soort bezoekers naar Zandvoort gekomen en het gedrag van deze nieuwe badgasten was geheel anders dan dat van hun chique voorgangers. Dagjesmensen hadden de elitaire en preutse badgasten verdrongen. In plaats van het traditionele pootjebaden in badjurken en gestreepte badhansopjes dook men nu in badpakken en zwembroeken de golven in. Niet alleen de angst voor de zee werd overwonnen, maar ook die voor onwelvoeglijke blikken. Vanaf de jaren zestig zou de badmode steeds bloter worden.
Op een mooie zomerdag zijn de treinen naar Zandvoort overvol met Amsterdammers, op zoek naar de genoegens die het strand en de zee bieden. Slechts een zwartkijker als Hans Dorrestijn heeft zo zijn reserves, vertolkt in zijn ‘Zwemmerslied’ (1975): “Vreeslijk is dit roerloos liggen!/ De mode eist een bruine huid./ Zweet gutst rijkelijk in stromen./ Mijn god, hoe houden we het uit.”