Nummer 5: Mei 2005

052005_Cover

 

Op het omslag: Ledenwerfaffiche van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV), ontworpen in 1956 door Bach Schuurmans. [c]IISG

De FNV viert eeuwfeest
Om de belangen van arbeiders beter te dienen, smeed diamantbewerker Henri Polak in 1905 elf vakbonden aaneen tot het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV), de voorloper van de FNV. De straat waar dit gebeurde is naar Polak vernoemd, maar welke plaats hebben zijn idealen in de huidige FNV?
Marieke Prins

Crèche Hollandsche Schouwburg
In de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan werden in de oorlog joden bijeengebracht voor transport naar Westerbork. De crèche aan de overkant deed dienst als dependance en van hieruit gingen duizenden kinderen hun ondergang tegemoet. Maar voor ruim 500 kinderen werd het de vluchtroute naar de vrijheid. Een terugblik.
Alex Bakker

Het Gemeente-washuis
“De kamer stond vol warme wasem, zodat de ruiten nat beslagen waren. En gestadig klonk het nijdige roetsroets, waarmee moeder het goed over het wasbord stompte.” Nee, de wasdag was voor Theo Thijssen niet iets om met weemoed aan terug te denken. Maar goddank opende begin 20ste eeuw het eerste gemeente-washuis.

Architect Willem Kromhout
Iedere Amsterdammer kent het American Hotel, maar de maker ervan is niet bij iedereen bekend. Het is dan ook een van de weinige gebouwen in de stad van architect Willem Kromhout. Zijn stijl is dikwijls vergeleken met art nouveau, maar deze ‘zeewierkronkelingenstijl’ vond Kromhout meer iets voor stoffeerders en behangers.
Sjaak Priester

Het Amsterdam van Joost Zwagerman
In zijn debuutroman Gimmick! uit 1989 beschreef Joost Zwagerman het kunstenaarsmilieu waar hij in discotheken als de Roxy en Richter mee kennismaakte toen hij als ‘padvinder uit de provincie’ de stad ging ontdekken. In zijn latere boeken richtte hij zijn pijlen vooral op het snobistische wereldje binnen de grachtengordel. Een literair portret.
Eva Potters

125 jaar Vrije Universiteit
De naam Vrije Universiteit roept nogal eens misverstanden op. Voor de duidelijkheid: het vrije van de Vrije Universiteit betrof de vrijheid van de gereformeerde orthodoxie tegenover instituties die moderne opvattingen aanhingen. De strikte leer van oprichter Abraham Kuyper is losgelaten, maar de academische plechtigheden worden nog steeds geopend met gebed.
Koos Neuvel




‘Moderne vakbeweging’ begon in Henri Polaklaan
100 jaar FNV
Tekst: Marieke Prins

052005_FNVIn het tegenwoordige Vakbondsmuseum, vlakbij Artis, richtte diamantbewerker Henri Polak in 1905 het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) op, de voorloper van de FNV. Nu zit het hoofdkantoor aan de Naritaweg bij station Sloterdijk. In die eeuw is de organisatie in essentie niet veranderd, vindt historica Agnes Jongerius, binnenkort voorzitter van de FNV. Critici denken dat Polak toch zou schrikken als hij kon zien wat er van zijn levenswerk is geworden.

Drie dagen en nachten gaat Henri Polak (1868-1943) niet uit de kleren tijdens de diamantbewerkersstaking van november 1894. Dat schrijft hij tenminste tien jaar later in de socialistische krant Het Volk. De gedrongen man met de opvallende donkere ogen is tijdens de staking bestuurslid van de overwegend joodse Nederlandsche Diamantbewerkersvereeniging (NDV), en hij heeft het druk. De eerste nacht nadat de staking is uitgebroken trommelt hij drukker Hessel Poutsma uit zijn bed om die nacht nog een extra editie van De Diamantbewerker te drukken. De volgende dag onderhandelt Polak in café Centraal (Nieuwe Prinsengracht, hoe Weesperstraat) met fabrikanten en juweliers.

Zachtzinnig gaat dit niet. Polak en zijn medebestuurder kafferen de werkgevers uit. Ze confronteren ze met hun zonden als werkgevers en houden ze een contract onder de neus met hogere slijperstarieven. Gedwee tekenen de werkgevers en leggen ook nog eens flinke bedragen op een schoteltje, bedoeld voor de stakingskas. “De vrees voor represailles van de kant der werklieden, die zij zoo lang onmeedogend hadden geknecht, zat er diep in” schrijft Polak later in zijn vakbondsblad. Een juwelier met een slechte naam als werkgever durft zich zelfs niet meer buiten te vertonen tot Polak hem een paar potige mannen bezorgt als vrijgeleide.

De staking is succesvol. Meer dan 10.000 diamantarbeiders van alle gezindten doen mee. Hogere slijperslonen zijn het resultaat. Maar als de uitgeputte Polak zich na de staking onder de Joodse diamantbewerkers begeeft merkt hij dat ze niet weten wat het resultaat van de onderhandelingen eigenlijk is geweest. Hij valt flauw. De staking van 1894 is Polaks vuurdoop als stakingsleider.

Als kind wordt Polak opgevoed door zijn grootvader Henri Smit. Deze gepensioneerde sergeant-majoor is vastbesloten een man te maken van de naar hem vernoemde kleinzoon. Tot zijn twaalfde is de kleine Henri overdag bij hem en ’s nachts bij zijn ouders. Zijn opa’s opvoeding, met de nadruk op discipline en stiptheid, maakt indruk op Polak. Later gebruikt hij, tot schrik van veel anti-militaristische lezers, regelmatig militaire metaforen. “De Vakvereeniging is een leger, dat zonder orde, tucht en discipline ondenkbaar is.” schrijft hij bijvorbeeld in 1898. En dat leger moet goed toegerust zijn vindt hij, met een stakingskas, bezoldigde bestuurders en leden die bereid zijn hun meningsverschillen opzij te zetten voor de gezamenlijke strijd. Want de tegenstanders, de werkgevers, zijn machtig. “Wil men een goed georganiseerden, welgewapenden vijand gaan bestrijden met een proppenschieter? Wil men de wereld veroveren met één stooter (munt ter waarde van 12 cent) op zak?”

Na de succesvolle diamantbewerkersstaking van 1894 verenigen de verschillende diamantbewerkersbonden zich in de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Polak wordt voorzitter. De bond wordt al snel de succesvolste vakbond van Nederland. Door de rijen gesloten te houden, te voorkomen dat er teveel leerlingen worden opgeleid en zich goed te organiseren bevechten de diamantbewerkers hogere lonen te bedingen dan andere arbeiders. Goed gekleed, in pak en met hoed, lijken sommige slijpers zelfs meer burgers dan arbeiders. De bond voldoet aardig aan Polaks ideaal, en bijna alle Amsterdamse diamantbewerkers worden lid. Het is de eerste werkelijk moderne vakbond, een sterke organisatie, serieuze onderhandelingspartner voor werkgevers, en zeer succesvol belangenbehartiger van haar leden.

Maar het gaat de ANDB niet alleen om hogere lonen. Einddoel is de verheffing van de arbeider, zodat die zich zal gaan bezighouden met zaken als natuur en cultuur. Dat begint met goede materiële omstandigheden én met hygiëne en fatsoen. Een strijdpunt van de bond is dan ook de verplichte schafttijd, want snel tijdens het werk eten is onbeschaafd en ongezond. “Met groezelig-zwarte, door olie en zware poeder bemorste handen moet de slijper of versteller zijn brood aanvatten en het smerig en wel in den mond steken.” schrijft Polak al in 1892 in het NDV-blad De Diamantbewerker. In het kader van het fatsoen bemoeit de bond zich met het persoonlijk leven. Het komt voor dat diamantbewerkers vrouw en kinderen verlaten en met een minnares naar Antwerpen vertrekken, de andere diamantstad. De bondsbestuurders vragen dan collega bondsbestuurders ter plekke om de ontrouwe echtgenoot op te sporen en de les te lezen, vaak met succes.

Symbolisch voor de zelfverwezenlijking van de arbeiders die de bond voorstaat is de hoge trap van het bondsgebouw dat de beroemde architect H.P. Berlage speciaal voor de ANDB bouwt in 1900. De trap van deze ‘Burcht van Berlage’ verheft de arbeiders letterlijk meters tot aan de entree. Het gebouw staat er nog steeds, vlakbij Artis, in de voormalige Plantage Franschelaan, die sinds 1945 de Henri Polaklaan heet. Nu is hier terecht het Vakbondsmuseum gevestigd. en herbergt nu het Vakbondsmuseum. De stichtelijke arbeiderstaferelen die Richard Roland Holst op de muren schilderde zijn er nog te bewonderen.

Polak draagt zijn ideeën over moderne efficiënte vakorganisatie (ten dele aan Engelse geestverwanten ontleend) ook over aan vakbonden in andere bedrijfstakken. Dat zorgt voor felle ruzies binnen het NAS, het Nationaal Arbeids Secretariaat, de overkoepelende organisatie van alle linkse arbeidersorganisaties. Het NAS-bestuur, met de charismatische bebaarde socialistenleider Ferdinand Domela Nieuwenhuis als boegbeeld, vindt die strakke organisatie maar niks. Net als de charismatische socialistenleider Ferdinand Domela Nieuwenhuis, vindt het NAS dat arbeiders spontaan voor hun rechten moeten opkomen, zoals ze dat al eeuwen doen. Moderne vakbonden met hun stakingskassen en bezoldigde bestuurders vechten voor ‘lapmiddelen’ als verbeteringen van loon en arbeidsomstandigheden, sociale wetten en vertegenwoordigers in het parlement en vergeten de revolutie. Polak vindt deze critici onnozel. In het ANDB-weekblad schrijft hij in 1901 “De meerderheid van het NAS bestaat uit organisaties welker kopstukken van het wezen van den klassenstrijd evenveel benul hebben als een zuigeling van het zonnestelsel.”

“Niets heeft meer succes dan het succes”

Na de twee spoorwegstakingen van 1903 wordt de verhouding tussen de ‘moderne bonden’en het NAS zo mogelijk nog ijziger. De eerste en spontane staking van havenarbeiders en spoorweglieden in 1903 is een grote overwinning voor de stakers en voor de principes van het NAS. De regering van Abraham Kuyper slaat echter terug met de ‘worgwet’ die ambtenaren en spoorweglieden het staken verbiedt. Het protest ertegen, de tweede spoorwegstaking, loopt slecht af. Alle resultaten van de eerste staking worden ongedaan gemaakt en duizenden stakers worden ontslagen. Nog tientallen jaren wordt voor hen gecollecteerd. Het NAS wijt het fiasco aan ‘verraad’ door gematigden als Polak.

Uiteindelijk richten die gematigden dan ook, na een voorbereidende bijenkomst in februari, op 30 juli 1905 een nieuw vakverbond op als alternatief voor het NAS: het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV). Elf bonden uit het hele land sluiten zich aan. Zes van de elf hebben hun hoofdkantoor in Amsterdam. Dat zijn, naast de ANDB: de Sigarenmakerbond, de Timmerliedenbond, de Bond in de Kleedingindustrie, de Bakkersgezellenbond en de Bond van Handels- en Kantoorbedienden. De ANDB is de grote steunpilaar van de nieuwe vakcentrale. Van de leden is ongeveer 40 % ANDB-er, meer dan 90% van het geld in kas is ANDB-geld, en de NVV-vergaderingen vinden plaats in de ‘Burcht’ der diamantbewerkers.. Ook de doelen en principes van het NVV zijn als die van de ANDB, én Polak wordt de eerste voorzitter, tot 1909. Het NVV wordt al snel groter dan het NAS, en groeit uit tot een geaccepteerd gesprekspartner voor werkgevers en regering.

“Niets heeft meer succes dan het succes” betoogt Polak in een brochure in 1898. Hoe succesvol is het NVV eigenlijk? Mijlpalen genoeg in ieder geval, een week vakantie voor diamantarbeiders vanaf 1910 – weliswaar tijdens de Eerste Wereldoorlog weer tijdelijk –, het algemeen kiesrecht en de 45-urige werkweek, ofwel de achturendag in 1919. In 1928 worden na een loodgietersstaking in alle cao’s voortaan vakantiedagen opgenomen, en vanaf 1937 kan de regering cao’s algemeen verbindend verklaren, wat in veel gevallen gebeurt.

Vóór de Tweede Wereldoorlog is het NVV nauw verbonden met de SDAP, na de oorlog met opvolger PvdA. In de geest van saamhorigheid en wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, als de sociaal-democraat Drees premier wordt, gaat het NVV helemaal mee. Ze overlegt met de werkgevers in de Sociaal Economische Raad (SER), en stemt in met de regeringspolitiek van loonmatiging. Staken is uit de tijd. Als tegenprestatie zijn er ook in deze periode belangrijke verbeteringen voor werknemers zoals de Werkloosheidswet (1950), de AOW (1957) , en de vrije zaterdag voor iedereen (1962). Deze voorzieningen zijn zeker niet alleen op het conto van het NVV te schrijven, maar behoren wel tot haar strijdpunten. Eind jaren zestig wordt het NVV weer strijdbaarder onder druk van een achterban die hogere lonen wil. In 1976 gaat het NVV samen met het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).

Na een radicaal intermezzo in de jaren zeventig, waarin vakbondsleiders als Arie Groenevelt zeggen dat de kapitalistische maatschappij grondig hervormd moet worden, wordt de organisatie in de jaren tachtig weer haar gematigde zelf. In het akkoord van Wassenaar wordt loonmatiging afgesproken in ruil voor de regeringsbelofte de werkgelegenheid te bevorderen. Maar protestacties zijn er ook. Bondsleden voeren actie tegen het verlagen van ambtenarensalarissen en uitkeringen en later ook tegen bezuinigingen in de sociale zekerheid. De laatste decennia worden belangrijke successen behaald, zoals de Wet Gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het recht op ouderschapsverlof. Kritiek is er ook, de FNV zou ouderwets zijn en solidariteit tussen jong en oud in de weg staan.

Meer dan poen alleen?

Is de organisatie Polaks idealen steeds trouw gebleven de afgelopen honderd jaar? Of is ze afgeweken van het rechte pad? Twee FNV-ers en twee sociaal betrokken beroepswetenschappers geven antwoord: Agnes Jongerius (1960), historicus en binnenkort voorzitter van de FNV, Floor van Gelder (1950) historicus, in dienst van de FNV als intermediair voor een aantal kleine bonden, Paul de Beer (1957), bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen en bezetter van de Henri Polak leerstoel, en Sjaak van der Velden (1954), historisch onderzoeker aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

Volgens Van der Velden raakten de idealen in de loop van de geschiedenis regelmatig op de achtergrond doordat het NVV teveel belang hechtte aan de eigen organisatie. Dieptepunt was de Tweede Wereldoorlog. Het NVV werkte door terwijl de belangrijkste bestuurders werden ontslagen en vastgezet en de organisatie onder leiding kwam van de Duitsgezinde H.J. Woudenberg. “Het NVV veroordeelde onder druk van de bezetter zelfs de Februaristaking.” Ook bij latere gebeurtenissen, zoals de staking van het Amsterdamse gemeentepersoneel in 1955 stelde het NVV de eigen organisatie boven de leden. Het NVV wilde de stakers ondanks hun redelijke eisen niet steunen, onder andere omdat de communistisch georiënteerde Eenheidsvakcentrale (EVC) dat wel deed en het inging tegen het georganiseerd overleg van de erkende vakcentrales met de werkgevers en de overheid.

Ook volgens De Beer en Van Gelder begaf het NVV zich in de jaren vijftig en zestig op glad ijs. Het NVV wilde dat de sociale zekerheid steeds meer een overheidstaak werd, zegt De Beer. “Zolang het stelsel opgebouwd werd ging het goed, maar toen het bezuinigen begon vanaf 1984, stond de vakbeweging met lege handen. Ze had beter kunnen zeggen: we regelen het zelf met de werkgevers.” Van Gelder vindt dat het NVV in die periode te lang vasthield aan loonmatiging. “De Nederlandse economie raakte achterop door de lage lonen. Bedrijven investeerden te weinig in de modernisering van productietechnieken.”

Jongerius richt haar historische kritiek op de organisatiestructuur. Ongewild bevestigt ze daarmee de mening van Van der Velden dat de eigen organisatie te zwaar weegt binnen NVV en FNV. “ NVV-voorzitter André Kloos wilde in 1969 de verschillende bonden laten samengaan in één bond met daaronder zes bedrijfskolommen,” zegt de aanstaande FNV-voorzitter. “Dat is niet doorgegaan en nog steeds besteden we teveel tijd en energie aan communicatie tussen verschillende onderdelen van de FNV.”

Maar al met al zou Polak toch tevreden zijn als hij kon komen kijken volgens Jongerius en Van Gelder. Jongerius: “Hij zette een efficiënte belangenbehartigingsorganisatie op. Van Gelder: “En we hebben ons bij onze leest gehouden.” De Beer ziet het anders. “Met de maatschappelijke positie die de vakbeweging nu heeft zou hij blij zijn, en met de verbeteringen van de lonen en arbeidsomstandigheden ook. Maar hij was ook een natuurbeschermer en warm pleitbezorger van cultuur, daarom zou hij vinden dat de FNV zich te eenzijdig op materiële doelen richt.” En volgens Van der Velden zou Polak het betreuren dat de vakcentrale geen alternatief meer ziet voor het kapitalisme: “Als hij SBS6 op televisie zou zien zou hij denken dat er te weinig is bereikt in de ‘verheffing’ van de arbeiders.”

De Beer: “Polak was een echte leider, die anderen probeerde te overtuigen van zijn idealen. Tegenwoordige FNV-leiders ontwikkelen geen eigen visie, maar volgen hun achterban. Hierdoor is bijvoorbeeld de kijk op werknemers ouderwets. Net als honderd jaar geleden stelt de FNV kapitaal tegenover arbeid, terwijl werknemers inmiddels heel wat kapitaal bezitten en de werkgevers meestal directeuren in loondienst zijn. Verder zitten we in een ratrace. We hebben meer te besteden dan de vorige generatie maar voelen dat niet, omdat we ons met de buren vergelijken. Van hogere lonen worden we niet gelukkiger meer. Bovendien besteden we dat geld voor een groot deel aan diensten, die ook duurder worden doordat de uitvoerders van die diensten ook meer verdienen, denk aan kinderopvang of treinkaartjes. De vakbeweging zou weer moeten gaan vechten voor welzijn in plaats van hogere lonen en zich storten op natuur, cultuur en maatschappijkritiek.”

M. Prins is historicus en publicist.

Mijlpalen

1861 Oprichting Onderling Hulpfonds Boekdrukkunst in Amsterdam, de eerste Nederlandse vakvereniging.
1886 Parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen. Ook een aantal kopstuken uit de opkomende vakbeweging wordt gehoord.
1889 Arbeidswet, met inperking arbeid van vrouwen en kinderen en oprichting Arbeidsinspectie
1893 Oprichting Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS)
1894 Eerste ‘tarief-afspraken’, afgedwongen door de Amsterdamse diamantbewerkers.
1895 Veiligheidswet
1901 Ongevallenwet, voorloper WAO
1905 Oprichting Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV)
1910 Eerste vakantieweek voor diamantbewerkers
1911 Achturige werkdag voor diamantbewerkers
1919 Vernieuwde Arbeidswet, ook voorschriften voor de arbeidsomstandigheden van mannen
1919 45-urige werkweek, ofwel achturige werkdag
1927 Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst: werkgevers moeten ook ongeorganiseerde arbeiders het coa-loon betalen
1928 Na de Loodgietersstaking worden in alle cao’s vakantiedagen opgenomen.
1937 Algemeen-verbindendverklaring coa’s: ook werkgevers zonder cao moeten zich aan de bedrijfstak-cao houden als de minister dat bepaalt.
1945 Oprichting Eenheidsvakcentrale (EVC; opgeheven 1964)
1945 Oprichting Stichting van de Arbeid
1945 Geleide loonpolitiek
1950 Oprichting Sociaal-Economische Raad
1950 Werkloosheidswet (WW)
1957 Algemene Ouderdomswet (AOW)
1962 Vrije zaterdag
1965 Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO)
1976 NVV en Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) gaan samen in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) blijft er buiten
1980 Wet op de Arbeidsomstandigheden (ARBO-wet)
1980 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
1982 Akkoord van Wassenaar
1986 Eerste cao’s met bijdrage kinderopvang
1991 Wet ouderschapsverlof

De FNV lanceerde in april een speciale website over de geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging: www.fnv.nl/geschiedenis. Daarop zijn allerlei verhalen, portretten, oude filmpjes en een tijdbalk te zien. Internetters kunnen er meedoen aan de verkiezing van de vakbondsman en ‘vrouw van de 20ste eeuw. In Vakbondsmuseum De Burcht, Henri Polaklaan 9, is een permanente tentoonstelling over de vakbondshistorie te zien.


Vluchtroute naar de vrijheid
500 Joodse kinderen ontsnapten uit dependance Hollandsche Schouwburg
Tekst: Alex Bakker

052005_Hollandsche_SchouwburgIn de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan werden in 1942 en 1943 op last van de Duitsers joden bijeengebracht voor transport naar Westerbork. De crèche aan de overkant deed dienst als dependance. Hier werden duizenden joodse kinderen ondergebracht, sommige voor een dag of twee, andere voor weken. Voor de meeste van hen was de crèche de eerste ‘gevangenis’ op weg naar de ondergang. Maar voor ruim 500 kinderen werd het de vluchtroute naar de vrijheid.

In de loop van 1942 begonnen de Duitse bezetters met het wegvoeren van de joodse inwoners van Amsterdam. De Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan werd ingericht als centrale verzamelplaats. Ongeveer drie keer per week ging er ’s nachts een transport vanaf de Schouwburg naar Kamp Westerbork. Velen werden vandaar naar kampen in Duitsland of Polen vervoerd. De in 1941 opgerichte Joodse Raad kreeg de opdracht ‘hulp aan vertrekkenden’ te bieden, en was verantwoordelijk voor de praktische organisatie in het gebouw. Dat joden in opdracht van de Duitsers – weliswaar met hun eigen agenda - meewerkten aan de ondergang van hun eigen gemeenschap, is altijd een pijnlijk punt gebleven.

Als directeur van de Schouwburg werd door de Joodse Raad Walter Süskind aangewezen, een joodse Duitser die sinds 1936 in Nederland leefde. Hij woonde destijds dichtbij de Plantage Middenlaan op de Nieuwe Prinsengracht. Hij zou een belangrijke rol gaan spelen bij het redden van kinderen uit de crèche.

In korte tijd werden in de Hollandsche Schouwburg zoveel mensen bijeengebracht dat het er overvol raakte. “Het was er vreselijk druk, en er werd gehuild en gekrijst. Mijn oom, een beer van een vent, werd helemaal gek. Ik rook het angstzweet van de mensen,” herinnert de toen dertienjarige Michaël Klein zich. Om de druk te verminderen, vorderden de Duitsers de aan de overkant van de straat gelegen crèche. Daar, op de Plantage Middenlaan nummer 31, werden vanaf oktober 1942 alle kinderen tot dertien jaar, gescheiden van hun ouders, ondergebracht. Zodra een gezin op transport moest, werden de kinderen er opgehaald, waarna ze samen met hun ouders naar Westerbork vertrokken.

De Hollandsche Schouwburg was uiteraard helemaal niet geschikt voor het verblijf van grote groepen mensen, maar de crèche daarentegen – één van de modernste van het land – was uitstekend geoutilleerd. Met de vordering drong er nu echter chaos binnen in de keurige opvangruimte voor baby’s, peuters en kleuters. Dag en nacht verbleven er kinderen van allerlei leeftijden, die kwamen en weer gingen. De verzorgsters moesten op gezette tijden kinderen uit hun bedjes halen en naar de Hollandsche Schouwburg brengen, waar ze samen met hun ouders in overvalwagens verdwenen. Sieny Kattenburg, toen amper twintig, was er kinderverzorgster: “We maakten die kinderen om negen uur ’s avonds wakker en gaven ze een flesje of iets te eten. Dan moesten ze naar de overkant. Die witte, angstige gezichtjes van die kinderen vergeet ik nooit. En dan bracht je ze naar hun gespannen ouders. Dat was vreselijk. Niemand wist wat er ging gebeuren.”

De twee directeuren, Walter Süskind van de Hollandsche Schouwburg en Henriëtte Henriquez Pimentel van de crèche, werkten ondertussen aan een plan om zoveel mogelijk kinderen te redden. Süskind liet, geholpen door enkele medewerkers van de Joodse Raad, al regelmatig volwassenen uit de Schouwburg ontsnappen. De crèche bood nieuwe mogelijkheden omdat het gebouw minder zwaar bewaakt werd dan de Schouwburg, én omdat je kinderen gemakkelijker kunt verstoppen dan volwassenen. Bovendien was het gemakkelijker om een onderduikplek voor ze te vinden. Directrice Pimentel betrok een paar van de kinderverzorgsters bij het verzetswerk, waaronder Betty Oudkerk en Sieny Kattenburg. Ze waren nog jong, betrouwbaar, en niet bang uitgevallen. Süskind legde contacten met verzetsgroepen die al eerder joodse kinderen lieten onderduiken.

Baby’s in het wasgoed

Het laten ontsnappen en onderduiken van kinderen liep over veel schakels. De eerste vraag was: welk kind mág onderduiken? Niets gebeurde zonder toestemming van de ouders. “Heel voorzichtig, niemand mocht het horen, vroeg ik: ‘Zou u niet uw kind bij ons achter willen laten? Wij zullen zorgen dat het bij mensen komt waar het verzorgd wordt, tot u terugkomt.’ Een paar uur later ging ik terug om hun beslissing te horen. De meeste ouders weigerden. Wie geeft zijn kind zomaar mee - zonder te weten waar naartoe? Ze voelden zich jong en sterk, en wilden zelf voor hun kind zorgen,” aldus kinderverzorgster Sieny Kattenburg.

De volgende stap was de kinderen administratief te laten verdwijnen. Bij binnenkomst in de Hollandsche Schouwburg werd iedereen geregistreerd. Felix Halverstad, medewerker van Süskind, wist op ingenieuze wijze te frauderen. Zo kwamen veel kinderen nooit op de transportlijst terecht en konden ze in de crèche worden verborgen tot er een geschikt onderduikadres voor ze was gevonden.

Piet Meerburg was coördinator van één van de verzetsgroepen: “Ik kwam elke week bij Süskind. Hij gaf aan hoeveel kinderen eruit moesten en ik probeerde passende onderduikadressen te vinden. Baby’s waren nooit een probleem. Maar als het ging om bijvoorbeeld jongens van boven de twaalf met een duidelijk joods uiterlijk, dan was het een ander verhaal. Die kon je veel minder makkelijk kwijt.” Het vinden van onderduikadressen was het werk van verschillende (niet-joodse) verzetsmensen buiten de Schouwburg en de crèche. Walter Süskind leidde het werk in goede banen.

Zodra er onderduikadressen beschikbaar waren, haalden de verzorgsters de kinderen uit de crèche. Baby’s en peuters waren het gemakkelijkst weg te smokkelen. Ze werden in een tas, een doos, een koffer of desnoods een vuilnisbak gestopt. Sommige baby’s zijn tijdelijk tussen de vuile luiers beland en gingen met het wasgoed de deur uit. Kinderverzorgster Betty Oudkerk: “Ik flirtte met de Duitse bewakers en ondertussen had ik in een grote tas een baby zitten. Gewoon in een reistas. Zo liep ik de voordeur van de crèche uit. Inpakken en wegwezen was het eigenlijk.” Bij kleuters en oudere kinderen was het lastiger. Het kwam aan op een nauwe samenwerking met een medewerker van de verzetsgroep die het kind op de afgesproken plaats kon overnemen.

Vanaf mei 1943 liep het ‘smokkelsysteem’ steeds beter. De tuin van de crèche liep over in de tuin van de buren, de Hervormde Kweekschool. Zo werd de school, met medewerking van directeur Van Hulst, een veelgebruikte vluchtweg. Bij de verplichte wandeling kregen sommige kinderen te horen dat ze rechtdoor moesten lopen - ook als de rest van de groep de hoek om ging. Dan werden ze snel door verzetsmensen opgepikt.

Meestal gingen vervolgens jonge vrouwen met het kind op weg. Een vrouw met één of meerdere kinderen viel niet op en vrouwen werden minder snel gecontroleerd dan mannen. Vaak ging de reis per trein. ‘Koerierster’ Rebecca van Delft: “Het waren lange en spannende treinreizen. Die kinderen wilden vaak praten over hun ouders en andere dingen van thuis, maar dat mocht natuurlijk niet. Vooral de jongere kinderen hadden soms hele verhalen. Dat was eng. Ik probeerde altijd maar over iets anders te praten.”

De betrokken verzetsgroepen hadden elk hun eigen netwerk van onderduikadressen. Veel van die adressen bevonden zich in Friesland en Limburg. Dit was toevallig zo tot stand gekomen, maar toen de schaarste in het westen toenam kwam het goed uit. Bovendien bood de plattelandsomgeving veel ruimte en enige veiligheid; geschikt voor het opnemen van ‘vreemde gasten’. In het dorp Tienray in Limburg waren in de oorlogsjaren maar liefst 123 onderduikertjes ondergebracht.

Onderduiken op de Overtoom

Toch zijn ook kinderen die uit de crèche zijn gered, ondergedoken in Amsterdam zelf. Levi Hagenaar was tien jaar oud toen hij samen met zijn zusje ternauwernood aan een razzia ontsnapte - als enige van de familie. Via via kwamen ze bij mensen op de Transvaalkade terecht die besloten hen naar de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg te brengen. Levi Hagenaar weet tot op de dag van vandaag niet waarom: “Misschien waren ze bang geworden voor verraad of misschien bezorgden wij te veel overlast. Of misschien deden ze het juist omdat ze wisten dat er kinderen uit de crèche werden gered.” Vanuit de crèche werden Levi en zijn zusje Trees apart van elkaar door verzetsmensen meegenomen. “Ik moest de tuin in en dan gewoon doorlopen naar de Kweekschool. Daar wachtte een man mij op. Hij zei: ‘Rustig blijven. We gaan nu naar buiten en als onderweg iemand iets vraagt, doe ík het woord.’ Meegaan met een onbekende man mocht natuurlijk nooit, maar ik besefte dat dit soort regels niet meer golden.” Levi ging eerst met de man mee in de trein naar Friesland. Het zou het begin zijn van een lange zwerftocht door het land. In Friesland zat hij slechts een paar weken ondergedoken. “Tot mijn grote schrik werd ik teruggebracht naar Amsterdam. Ik werd ergens op een zolder in de Scheldestraat verstopt. Heel erg naar en eng… Amsterdam voelde voor mij als het hol van de leeuw. Ik vond het een veel veiliger idee om buiten de stad te zitten.” Uiteindelijk kwam Levi in Limburg terecht, waar hij tot het einde van de oorlog zou blijven.

Liesje de Hond was in 1943 te jong om zulke overwegingen te maken. Ze was vier jaar oud toen een man haar over de schutting van de tuin van de crèche tilde, in een jute zak stopte en meenam naar huis. Nog steeds kan ze de geur van jute niet verdragen. De man bracht Liesje naar de Eerste Jan van der Heijdenstraat, waar de ouders van een vriendin van haar moeder woonden. Deze familie Koopmans had een melkwinkel en was heel geliefd in de buurt. “Ik mocht af en toe buiten spelen. Veel buren hebben waarschijnlijk wel geweten hoe de vork in de steel zat. Zo’n donkerharig klein meisje in een gezin met volwassen kinderen… Iedereen hield zijn mond omdat de familie Koopmans zo gerespecteerd was - sterker nog; bij gevaar werden we gewaarschuwd.” Liesje miste haar moeder vreselijk, evenals de warmte en gezelligheid bij opa en oma thuis aan het Afrikanerplein. Ze wist dat haar familie weg was, maar ze dacht dat de buren, die altijd zo lief voor haar waren, er vast nog zouden zijn… Ze besloot er naartoe te gaan. “Ik charterde een buurmeisje om mee te gaan. Voor een kind van vier is het nogal een eind lopen: van de Jan van der Heijdenstraat naar het Afrikanerplein. Het buurmeisje begon halverwege te klagen: ‘Zijn we er al? Hoe ver is het nog?’ Ik had maar één doel voor ogen dus ik luisterde niet naar haar. Ik dacht alleen maar: wat zullen de buren blij zijn mij te zien… Eindelijk kwamen we dan aan op het Afrikanerplein. De buren schrokken vreselijk om mij te zien en ze werden heel erg boos. Ik begreep er helemaal niets van.”

Eén van de allerjongste kinderen die uit de crèche werd gered was Benjamin Flesschedrager. Hij was tien dagen oud toen hij samen met zijn ouders werd opgepakt. Een paar weken later werd Benjamin uit de crèche gesmokkeld. In een vuilnisbak. Als baby van amper een maand oud werd hij opgenomen door het oudere echtpaar Bongers. Ze woonden met hun ongetrouwde volwassen dochter op de Overtoom. De familie Bongers was streng gereformeerd. Ze gaven de baby een nieuwe naam: Hans. Hans, voorheen Benjamin, was een echte huilbaby. Dit bleef niet onopgemerkt. “De NSB-buurvrouw heeft op een dag gevraagd of er soms een kleintje in huis was. Opa en oma Bongers hebben toen geantwoord: ‘Inderdaad, dat is de kleine baby van onze dochter Rie.’ Voor streng gereformeerden was het een regelrechte schande als een ongetrouwde vrouw een kind kreeg. Dus deze smoes zal ze heel wat moeite hebben gekost. Die NSB-buurvrouw gaf daarna twee keer per week een mandje met flessen melk, voor de huilende baby…” Benjamin bleef tot na de bevrijding bij ‘opa en oma’ Bongers in Amsterdam wonen. Familieleden die de oorlog hadden overleefd namen hem vervolgens in huis. Pas op zijn tiende hoorde Benjamin dat zij niet zijn echte ouders waren.

Levi, Liesje en Benjamin waren drie van de ruim 500 joodse kinderen die uit de crèche in de Plantage Middenlaan zijn gered. Tot op de dag dat de laatste joden uit Amsterdam werden weggevoerd, 29 september 1943, werden er kinderen uit de crèche door joodse en niet-joodse verzetsmensen in veiligheid gebracht. Die laatste dag van de deportaties ontruimden de Duitse bezetters de crèche en de Hollandsche Schouwburg. Alle nog aanwezige kinderen en personeelsleden moesten op transport. Amsterdam werd judenrein verklaard. Ongeveer 70.000 joden waren in 1942 en 1943 via de Hollandsche Schouwburg weggevoerd en zijn niet meer teruggekomen.

A. Bakker is historicus en publicist.

In Verzetsmuseum Amsterdam is van 3 mei tot 27 november 2005 de tentoonstelling ‘Dag pap, tot morgen.’ Joodse kinderen gered uit de crèche te zien. Bij de tentoonstelling verschijnt een gelijknamig boek bij Uitgeverij Verloren, 96 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 9065508627, verkoopprijs € 12.

Het Verzetsmuseum ligt schuin tegenover Artis, Plantage Kerklaan 61. Openingstijden: ma t/m vrij 10-17 uur, za-zo 12-17 uur. Zie verder: www.verzetsmuseum.org


De wastobbe naar het museum!
Opkomst en ondergang van het Gemeente-washuis
Tekst: Peter-Paul de Baar

052005_WashuisOver een jaar of 40 weet geen Amsterdammer dat meer uit eigen herinnering; hoe misselijkmakend de geur was in de keuken thuis, van een kolossale pan op het fornuis vol vuile kleren in kokend water. Of hoe je een wringer moest bedienen, op het balkon. Nu heeft bijna iedereen een wasmachine en de rest gaat naar de wasserette. Maar al eerder in de eeuw verzachtte het gemeente-washuis voor veel huisvrouwen en hun gezinnen het leed.

“In die huiskamer begon prompt elke dinsdagochtend de ellende,” schreef Theo Thijssen in 1941, terugblikkend op zijn kindertijd bijna 60 jaar eerder in de Eerste Leliedwarsstraat..” Dan was moeder in haar wanhoopstoilet: een loshangend wit jak, hét witte jak der Jordaanvrouwen, en een vieze vlekkerige zwarte rok; en de kamer stond vol warme wasem, zodat de ruiten nat beslagen waren. En gestadig klonk het nijdige roets-roets, waarmee moeder het goed over het wasbord stompte. Ik zie nog mijn moeder staan: ze heeft het zo benauwd, dat ze haar jak van boven heeft losgemaakt en natte haren pieken langs haar oren. 't Is net een vreemd wijf... En ze grijpt telkens in de zeeppot en smeert een stuk wasgoed aan, en als ze vindt dat een van ons een tik moet hebben, dan droogt ze niet eens haar hand af en slaat er zomaar op los. Vaak heb ik lust gehad, na de gruwe­lijke belediging van zo'n klap met een vieze, lauwe zeepsop-hand, mijn moeder een trap te geven, maar het is er nooit van gekomen.”

Nog in de jaren vijftig was voor velen deze ellende herkenbaar. En al een eeuw eerder, in 1853, stelde arts en dichter Jan Pieter Heije samen met enkele collega’s in de gemeenteaad voor een stedelijk washuis te openen, zoals dat al sinds 1842 bestond in Liverpool en sinds 1844 in Londen. Daar deden vrouwen, gezellig converserend, in grote ruimten zelf hun bonte was, terwijl bedienden in grote ketels hun witte was verzorgden. Zoiets moest er ok in Amsterdam komen, betoogden deze ‘hygiënisten’,want dat wassen thuis was net alleen tijdrovend en het humeur bedervend, maar ook nog eens ongezond,. Burgemeester en wethouders hadden er geen zin in. De voorgestelde plaats, het Reguliersplein, voldeed niet, stelden ze slechts vast. Daarmee was het hele plan van tafel. In 1891 deed Dora Schook-Haver van de Vrije Vrouwen-Vereeniging een tweede poging. Maar ook haar comité kreeg weer geen steun van de gemeente. Wel werd er in 1895 door idealistische particulieren een coöperatieve stoomwasserij (De Nijverheid) gesticht op de Jacob Catskade 16-18. In 1918 namen B&W, waarin inmiddels de eerste socialisten waren aangetreden, de noodlijdende wasserij over, maar het werd geen succes. Men kon er de was laten doen, tegen tarieven die lager waren dan bij commerciële wasserijen, maar die toch veel te hoog bleken voor de gemiddelde arbeidersvrouw. Dus was er weinig klandizie en legde de gemeente er steeds meer op toe. De Sociaal-Democratische Vrouwenclub wist de oplossing: een gemeentewashuis waar vrouwen zélf hun was konden komen doen: dat was veel goedkoper en nog gezellig ook. Een in 1921 ingestelde adviescommissie van huisvrouwen onder leiding van SDVC-bestuurster en SDAP-raadslid Carry Pothuis-Smit probeerde het uit in het voormalige gebouw Elektra op de Haarlemmerweg. Bijna alle proefkonijnen waren enthousiast.

Afblijven van centrifuge!

In 1924 besloot de gemeenteraad op voordracht van SDAP-wethouder S.R. de Miranda dat het eerste echte gemeente-washuis er mocht komen, gecombineerd met een badhuis, in de voormalige was- en schafthuis van de Oostergasfabriek, in de Fronemanstraat achter de Linnaeusstraat. Na een stevige verbouwing ging het Gemeente-Wasch- en Badhuis op 19 december 1925 open. Het washuis was op de begane grond, het badhuis daarboven. In een reeks van kranten verschenen grote reportages. Doorgaans moesten de vrouwen en een enkele werkloze man eerst een tijdje in de rij staan. Bij binnenkomst werd de was gewogen; het gewicht bepaalde het tarief. Eenmaal binnen gaven ze de witte was af aan een bediende: die ging samen met de was van anderen in een kolossale wasmachine. Met de handwas zochten de klanten een van de zestien wascellen tegen de zijwanden. Daar stonden een kleine wasmachine en een wasbak met handwringer. De gevaarlijke centrifuge mocht alleen door personeel worden bediend. Het ophangen in de droogkast en het opvouwen was weer werk voor de huisvrouw zelf.

De toeloop was zou groot dat in 1928 samenwerkende vrouwenorganisaties agiteerden voor méér gemeentewashuizen, verspreid over de stad. SDAP-kopstuk De Miranda (net even géén wethouder) sloot zich er tijdens een actiemeeting op 16 november in gebouw Concordia p het Weesperplein volmondig bij aan: “Spreker wekte ten slotte zijn gehoor op er toe mede te werken, dat de waschtobbe spoedig als een bezienswaardigheid uit het verleden in het Historisch Museum in het Waaggebouw te kijk zal worden gezet.”.

Inderdaad kwam er op 27 maart 1933 een tweede washuis (tevens badhuis) bij in de Valkenburgerstraat 167-169. Maar door de economische crisis bleef het bij; sterker nog: het badhuis op het Oostergasfabriekterrein werd op 1 januari 1934 wegens bezunigingen gesloten. In 1942 werd het weer even heropend, maar in 1944 wegens kolennnood weer dicht. Maar na de orlog bleek de behoefte aan washizen weer grot: ‘de Fronemanstraat’ werd na een grote verbouiwing heropend; en in 1955 kwam er op het Manixplein een washuis bij, gekoppeld aan een zwembad en badhuis – het in 2003 gesloten Marnixbad. In de jaren zestig nam de belangstelling weer rap af, door de opkomst van de snelle en goedkope wasserettes en de privé-wasmachine, en de betere huisvesting. In februari 1975 werd het washuis in de Valkenburgerstraat als laatste gesloten. Maar De Miranda kreeg toch nog zijn zin: de wastobbe staat nu in het Amsterdams Historisch Museum!

 


Architect Willem Kromhout
‘Ik vind dorheid een gruwel’
Tekst: Sjaak Priester

052005_ArchitectAls de Rotterdamse architect J.J.P. Oud (1890-1963) in Amsterdam was, wandelde hij altijd eerst langs de Beurs bij wijze van eresaluut aan Berlage. Daarna liep hij door naar het Leidseplein om een blik te werpen op “het beste van het vele voortreffelijke dat onze bouwkunst rond 1900 voortbracht”. Het ging Oud natuurlijk om het American Hotel, vrijwel het eerste en zeker het beste gebouw van zijn leermeester Willem Kromhout.

Tot op de dag van vandaag zijn er nauwelijks mensen te vinden die American niet appreciëren. Al vanaf de officiële opening op 17 mei 1902 heeft Amsterdam dit feestelijke, kosmopolitische en volstrekt unieke gebouw in zijn hart gesloten. De verhalen waarin het gebouw een rol speelt, de illustraties waarop het prijkt, ze moeten ontelbaar zijn. Simon Carmiggelt, die op een steenworp afstand aan het Weteringplantsoen woonde, vertelde eens dat hij een vakantie in American had doorgebracht: hij had er bijzonder van genoten.

Willem Kromhout Czn. (1864-1940) moet een leuke man geweest zijn. Dat beeld rijst op uit het vele dat over hem is geschreven. Hij werd geboren in Rotterdam, als zoon van een timmerman, maar bracht zijn eerste jaren door in Nederlands-Indië, waar zijn vader voor Rijkswaterstaat werkte. Op tienjarige leeftijd keerde hij alleen terug, als enige passagier op een zeilschip dat tien maanden onderweg was. Bij de matrozen was de jongen zeer populair omdat hij toen al kon waarin hij zijn hele leven zou uitblinken: tekenen. Op de lange reis moet hij honderden scheepjes hebben getekend. Nadien dacht hij er jaren lang over om kapitein te worden.

Aanvankelijk was het een beetje kwakkelen met de jonge Willem. Hij woonde bij zijn grootouders in Gouda, maar op school wilde het niet erg vlotten. Met uitzondering van tekenen haalde hij overal onvoldoendes voor. Pas na een speciaal arrangement dat hem rechtstreeks onder de hoede bracht van de directeur van de Haagse ambachtsschool, kwam daarin verandering. Hij wist de tweejarige opleiding in drie jaar te voltooien, en daarna had hij de smaak te pakken. Op zestienjarige leeftijd kwam hij in dienst bij de Haagse architect H. Wesstra (van onder andere Panorama Mesdag) en hij begon voor dag en dauw op te staan om ochtendlessen aan de Teekenacademie te volgen. ’s Avonds volgden weer andere lessen en drie jaar later bezat hij een acte middelbaar onderwijs.

In 1883 werkte hij als tekenaar voor een maandsalaris van ƒ 60 bij de Amsterdamse architect Isaac Gosschalk (1838-1907) aan de Wester- en Oostergasfabrieken. Zijn tekentalent begon op te vallen: hij kreeg van het Bouwkundig Weekblad de bijzondere opdracht om de vijf winnende ontwerpen van de prijsvraag voor een nieuwe beurs in Amsterdam te tekenen aan de hand van gipsen maquettes. In 1885 maakte hij een studiereis door Vlaanderen, zoals altijd vergezeld van zijn ‘prettigste kameraad’, het schetsboek. In Antwerpen zag de architect Jean-Jacques Winders (1849-1936) hoe de jongeman een van zijn scheppingen vereeuwigde en nam hem meteen in dienst. Twee jaar later stapte Kromhout over naar het Amsterdamse bureau van Adriaan Bleijs (1842-1912) om aan de Sint Nicolaaskerk te werken. Vermoedelijk zijn verschillende details in dat gebouw door Kromhout ontworpen.

‘Het nuchtere doodt het detail’

Na zijn betrekking bij Bleijs was het tijd voor de grote stap: de vestiging als zelfstandig architect in Amsterdam. Het was, vooral in het begin, eigenlijk een bijbaan. Kromhout was namelijk in de eerste plaats leraar in tekenen, kunstbeschouwing en verwante vakken. Eerst aan de Industrieschool van de Maatschappij voor de Werkende Stand, waar hij niemand minder dan Berlage opvolgde. Daarna aan de in het Rijksmuseum gevestigde Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijs en Kunstnijverheid. Uiteindelijk zou hij ‘hoofdleraar’ worden aan de Rotterdamse kunstacademie.

Uit alle getuigenissen blijkt dat Kromhout een uitstekende docent was, die zeer snel en accuraat op het bord kon tekenen. Zijn specialiteit, om niet te zeggen hartstocht, lag in de oosterse, ‘Moorse’ bouwkunst. Hij vond de ‘Arabische renaissance’ verreweg superieur aan de ‘kubische werkelijkheid’ en de vooral op praktische bruikbaarheid gerichte westerse stromingen. “Het nuchtere doodt het detail.” Een goed gebouw, vond hij, moet niet alleen harmonie uitstralen, maar ook iets uitdrukken. “Vrede stichten” tussen de samenstellende delen is niet genoeg, er moet een streven zijn naar een hoger doel.

Vandaar waarschijnlijk zijn voorliefde voor torens. Die spelen in al zijn ontwerpen een belangrijke rol. In een prijsvraagontwerp voor een nieuw stadhuis voor Rotterdam, uit 1913, neemt dit bijna absurde vormen aan. Als je nu de overigens schitterende, expressionistische tekeningen van het monsterlijk hoge en zware, alles overschaduwende belfort ziet die Kromhout aan de jury voorlegde schiet je bijna in de lach en begrijp je maar al te goed dat dit werk als al te fantastisch terzijde werd gelegd.

Aan prijsvragen deed Kromhout vaker mee. Hij zat trouwens ook vaak in de jury. Bijzonder fraai is zijn inzending voor de prijsvraag die de Carnegie Stichting in 1905 uitschreef voor het Vredespaleis in Den Haag. Van de 216 ontwerpen werd uiteindelijk dat van de Fransman Louis Cordonnier uitverkoren. Kennelijk kon Kromhout dit moeilijk verkroppen. Hij bleef nog jarenlang fulmineren tegen de juryuitspraak.

Zijn voorkeur voor oosterse architectuur komt nergens zo duidelijk naar voren als in het American Hotel, waarvoor Willem Kromhout samen met de betrekkelijk onbekende H.G. Jansen (1859-1934) in 1900 de opdracht kreeg. Hoe de samenwerking tussen de twee architecten verliep is niet goed meer vast te stellen, maar dat Kromhout gezien moet worden als de eigenlijke geestelijke vader is wel zeker. Ze kregen de opdracht van de Amsterdamse hotelier August Volmer, een vroegere partner van Adolph Krasnapolsky.

Dat dit een visionair heerschap was blijkt niet alleen uit zijn bereidheid met deze betrekkelijk onervaren architecten in zee te gaan (Kromhout had alleen nog maar enkele woonhuizen in Dordrecht en Bussum gebouwd), maar ze ook nog eens volstrekt vrij te laten. Tegen het eind van zijn leven zou Kromhout zijn diepe dank uitspreken tegenover deze man, “die mij American liet bouwen”. Het was overigens het tweede hotel van die naam. In 1879 hadden C.A.A. Steinigeweg en E. Cuypers er op dezelfde plek al een neergezet. Het werd, nauwelijks twintig jaar oud, afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe American.

Bijna overal, tot op de menukaart van het huidige restaurant toe, staat te lezen dat het American Hotel (en niet: Americain) gebouwd zou zijn in Jugendstil of art nouveau. Laat het hier namens Kromhout nog eens duidelijk gezegd wezen: dit is niet het geval. Kromhout moest niet veel hebben van deze ‘zeewierkronkelingenstijl’. Hij vond dat meer iets voor ‘stoffeerders en behangers’. In sommige details, zoals in meubels of verlichtingsarmaturen, wilde Kromhout wel Jugendstil-elementen toelaten, maar een gebouw kon je niet met spaghettivormen optrekken, vond hij.

Architectonisch Waterloo

Wat dan wel de stijl is van het American Hotel? De weinige vijanden die Kromhout had, maakten hem wel eens uit voor “overspannen esthetisist”. Dat estheticisme klopt wel. “Een bouwmeester moet vóór alles artist zijn, dat is gevoelsmensch,” zei Kromhout al in 1893. “Ik vind dorheid een gruwel, moet je weten,” voegde hij er twintig jaar later aan toe.

Eigenlijk is American niet gebouwd in enige gangbare architectuurstijl. Het gebouw is volstrekt uniek, ook binnen het oeuvre van Kromhout zelf. De oosterse invloeden zijn vooral in de versiering duidelijk, maar de baksteen maakt het tegelijk weer erg Hollands, of zelfs Vlaams. Het materiaalgebruik van American is overigens opmerkelijk: Beiers graniet, gele Limburgse baksteen, Udelfanger en Oberkirchner zandsteen, Noors marmer en geglazuurde baksteen in verschillende kleuren, van alles zit er in.

Het American Hotel is Kromhouts eerste grote schepping, en zijn belangrijkste. Maar hij bouwde nog veel meer, echter nauwelijks in Amsterdam. In 1904 ontwierp hij in de Vondelstraat een logegebouw voor de Vrijmetselarij, waar hij in 1897 als lid was toegelaten. De gevel werd in 1910 alweer afgebroken. In 1906 werd aan het Kattenburgerplein op nummer 12 een dubbel woonhuis annex apotheek gebouwd naar een al tien jaar oud ontwerp.

Kromhout vierde zijn verdere triomfen vooral in Rotterdam, waar hij zich in 1910 vestigde. Die stad kreeg een tegenhanger van American in Café Pschorr (genoemd naar een Beiers biermerk). Het zou overigens bij verbouwingen grondig worden verpest. Veel indrukwekkende kantoren voor scheepsmagnaten schiep hij er, met als hoogtepunt het gebouw Noordzee aan de Wijnhaven. Voor de Rotterdamse vestiging van Heineken bouwde hij in een tijdsbestek van tien jaar een complete bierbrouwerij. Vrijwel het hele oeuvre is verloren gegaan bij de Duitse bombardementen. Kromhout, die op 21 juni 1940 overleed, heeft dat nog net met eigen ogen kunnen zien.

Een soort architectonisch Waterloo had Kromhout al in Amsterdam gevonden. In 1913 had hij van de zakenman Lobatto de opdracht gekregen voor een groot hotel op de Dam. Kromhout ontwierp een Damhotel met 200 kamers, een terras van 50 meter breed, en twee blauwgrijze torens. Het zou praktisch de hele oostelijke helft van de Dam in beslag nemen, het deel dus waar nu het Oorlogsmonument staat. Er werd zelfs met de bouw begonnen, maar in 1916 ging de opdrachtgever failliet, en verviel de verleende concessie weer aan de gemeente. De bouwput, met schutting eromheen, bleef nog op typisch Amsterdamse wijze liggen tot 1925.

 


Een snobistisch werelddorp
Het Amsterdam van Joost Zwagerman
Tekst: Eva Potters

 

052005_ZwagermanAls ‘padvinder uit de provincie’ vergaapte Joost Zwagerman zich aan het kunstenaarsklimaat in Amsterdam. Hij nam er zelf hartstochtelijk aan deel, maar rekende in zijn romans met sardonisch genoegen af met het snobisme van de grachtengordel. De setting voor zijn verhalen werd hem regelmatig in de schoot geworpen. “Pas na vier jaar dacht ik: ik loop dagelijks door het decor van een roman.”

“Mijn beste tijd had ik toen ik als vreemdeling in Amsterdam kwam met al mijn zintuigen op scherp. Ik ben niet op situaties afgestapt als een investigative journalist die dacht: hier zit een verhaal in. Ook ging ik niet naar bepaalde cafés om veldwerk te verrichten voor een roman. Pas na een tijd ging het idee rijpen te schrijven over de culturele circuits waarin ik belandde.”

Dat geldt vooral voor de twee boeken die Zwagerman zelf het meest met het Amsterdam uit zijn beginperiode associeert: Gimmick! en Vals licht. Nog voordat hij zijn studie Nederlands zou afbreken om zich volledig aan het schrijven te wijden, debuteerde hij in 1986 met De houdgreep, een verhaal dat zich in Londen afspeelt. Gimmick! introduceerde hem in 1989 bij het grote publiek. Deze schets van het rauwe leven van een stelletje jonge postmoderne kunstenaars in hartje Amsterdam baarde veel opzien. Vals licht beschrijft een liefdesgeschiedenis tussen een schuchtere student en een prostituee in de Pijp. Het boek werd in 1993 verfilmd onder regie van Theo van Gogh. De roman was een succes, maar de film flopte jammerlijk.

De hoofdpersonages uit Zwagermans latere romans Chaos en rumoer (1997) en Zes sterren (2002) bekijken Amsterdam door een heel andere bril. Dat veranderde perspectief heeft alles te maken met de ontwikkeling van de schrijver zelf, die nu getrouwd is en vader van drie jonge kinderen. Inmiddels telt zijn oeuvre negentien boeken. Romans, dichtbundels, verhalenbundels, columns en essaybundels vestigden zijn reputatie als veelschrijver. Daarnaast is Zwagerman bekend geworden als interviewer, redacteur, recensent, cabaretier, radiomaker en presentator, onder andere van het VPRO-programma Zomergasten. Een aantal van zijn romans is vertaald in het Engels, Frans, Duits, Hongaars, Japans en Sloveens.

Peeskamertje aan de Ruysdaelkade

In zijn eerste zeven Amsterdamse jaren ging Zwagerman een ‘mooi verbond’ aan met de stad. Hij ging veel om met beeldend kunstenaars. Terugkijkend schetst hij het als de laatste periode waarin er een levendige uitwisseling van ideeën bestond tussen schrijvers en beeldend kunstenaars. Met eigen ogen nam hij waar dat onder die laatste groep de yuppificatie toesloeg. “Afgestudeerden van de Rietveld Academie overkwam wat voordien nog nooit een kunstenaar was overkomen. Het ene jaar zit je nog in je afstudeerproject en het volgende jaar wordt er zomaar ƒ 30.000 voor je schilderij geboden.” Er was nog geen roman over de yuppificatie, de graaimentaliteit en nieuwe zakelijkheid in Nederland. Zwagerman pakte de pen en schreef Gimmick!, een verhaal over het leven van kunstenaars in dienst van de media en de glamour.

Velen zagen het boek als een sleutelroman en meenden schilders als Rob Scholte en Peter Klashorst en de dichter Koos Dalstra te herkennen. Volgens Zwagerman was het helemaal geen sleutelroman, al had hij wel het taalgebruik van deze kunstenaars als bouwstof voor de roman benut. Later zou Rob Scholte pas echt een boekje over de scene opendoen, toen hij het slachtoffer van een aanslag was geworden. “Daarbij vergeleken is Gimmick! een vrolijk deeltje uit de Kameoleonserie,” zegt Zwagerman.

Gimmick is de naam van de discotheek waar het ‘witte neuzen nachtleven’ van deze generatie kunstenaars zich in turbotempo afspeelt. Model voor die discotheek stonden de inmiddels verdwenen Roxy op Singel 465/467 en Richter in de Reguliersdwarsstraat 42. “Richter was een van de discotheken die ik veel bezocht, vers gearriveerd in Amsterdam als jonge padvinder uit de provincie,” zegt Zwagerman. “Het drugsgebruik in het boek is gebaseerd op de Richter, niet de Roxy. Er werd overmatig gehandeld in cocaïne, destijds yuppiedrug nummer één, reden voor de burgemeester om medio jaren negentig de zaak dicht te timmeren. Coke vergroot je zelfbeeld. Ik zal eens even de wereld veroveren.” De personages in de roman gedragen zich daar ook naar. Personage Eckhardt: “Wij zijn nog meer bourgeois dan de directeur van het Stedelijk. De directeur is de proleet en wij zijn de zakenmensen.” Deze exponenten van de generatie Nix maken kunst die geen boodschap meer bevat. Zij houden in het Stedelijk Museum een groepsexpositie onder de ironische titel The Amsterdam Dream. De naam is een schot in de roos: “Kunstenaars worden popsterren en geldschieters.” Bij gebrek aan onderwerpen om voor te vechten zoeken kinderen van de jaren zestig extremen op, heeft Zwagerman eens gezegd. Hij gebruikte dit doorgeschoten Amsterdamse kunstklimaat als achtergrond voor een liefdesdrama. Hoofdpersoon Walter Raam wordt gesloopt door heftig liefdesverdriet voor Sammie. De wanhoop brengt hem uiteindelijk op de rand van de afgrond, al zijn succes en seksuele uitspattingen ten spijt.

De liefde die aan destructie grenzende proporties kan aannemen, keert terug in Vals licht. Hier gebruikt Zwagerman de Amsterdamse prostitutie als vergrootglas voor verlatingsangst in een verhaal dat draait om Simon Prins, een teruggetrokken student, die verliefd wordt op het hoertje Lizzie Rosenfeld. De opzet voor het verhaal lag al klaar, toen Zwagerman eind jaren tachtig in de Van Ostadestraat in de Pijp woonde – een liefdesrelatie blijkt onmogelijk omdat een van de partners lijdt aan pseudologica fantastica: liegen en zelf geloven wat je liegt. “Dat heb ik zelf meegemaakt,” zegt Zwagerman. “Iemand liegt het eigen leven aan gruzelementen en maakt neurotici van de mensen om zich heen.” Hij woonde vier jaar in de Pijp, toen hij ineens dacht: “Ik loop dagelijks door het decor van een roman.” Via zijn uitgeverij de Arbeiderspers sloot hij contracten af met twee vrouwen die er als prostituee werkten. Zij vertelden hem allerlei feitelijkheden, maar hun identiteit zou Zwagerman geheim houden. Dagelijkse dingen die zij onbelangrijk achtten, maar die nodig waren om het decor levensecht te tekenen. “Hoe ziet die ruimte eruit achter die peeskamertjes, met hoevelen delen ze die keukentjes? Dat weet geen mens.”

Tijdens een wandeling van de Ruysdaelkade naar de Albert Cuyp bezoekt Simon een koffiehuis in de Gerard Doustraat. Daar ziet hij Lizzie voor het eerst. Haar bleke gezicht brengt hem acuut in vervoering. “Op een zaterdagmiddag ontmoette hij haar opnieuw, in de Reguliersbreestraat waar ze met vier grote plastic tassen langs Tuschinski zeulde en de Hema binnenging.” Na hun eerste ontmoeting in haar werkdomein aan de Ruysdaelkade ontkiemt hun relatie. Die speelt zich grotendeels af tussen Simons huis in de Pijp en haar zeegroene studentenkamer in de Sarphatistraat. “Dit rare, bakvisachtige onderkomen is op een bijna stereotiepe manier in tegenspraak met haar peeskamertje aan de Ruysdaelkade,” denkt Simon.

Lizzie dist de ene leugen na de andere op: ze wordt gevolgd door haar ex-man en heroïnedealers die oude rekeningen willen vereffenen. Daardoor bewegen beiden zich als opgejaagd wild door de stad. Voor Simon komt een einde aan alle onrust als hun liefde spaak loopt en hij tijdelijk in onderhuur gaat op het Realeneiland. “Hoewel meer en meer ontsierd door bonkige nieuwbouw vormden Bickers-, Prinsen- en Realeneiland een pittoreske wijk van gerenoveerde pakhuizen en bijna dorpse klinkerstraatjes, moeilijk te bereiken voor autoverkeer en goeddeels gevrijwaard van winkels en horeca.” In deze dorpse enclave kunnen zijn wonden helen. Simon realiseert zich dat de zeegroene onderwateretage van Lizzie “besmet gebied was, een infectiehaard van herinneringen”.

Ballentent aan het Spui

Na Gimmick! en Vals licht wilde Zwagerman een andere visie op de stad laten zien. Hoofdpersoon Otto Vallei uit Chaos en rumoer (1997) beweegt zich ‘als een soort wezel door Amsterdam’. Hij voelt zich alleen thuis in zijn woonwijk Buitenveldert, “zijn gekoesterde niemandsland. Achter de verzameling van blauw- en zilverspiegelende kantoorgebouwen stonden de bakstenen woningen met Hollandse strengheid in het gelid.” Otto is een schrijver met een writer’s block en kan geen aansluiting vinden bij het culturele klimaat van OSM’ers, Ons Soort Mensen, “de blitse, bijdehante binnenstadbewoners en de verwaten arrivés in Zuid”. Een alibi om zich in culturele kringen te bewegen doet zich echter voor als Otto radiopresentator kan worden van het programma Chaos en rumoer, opgenomen in het restaurant van het Stedelijk Museum, omgedoopt tot Museum Amsterdam.

Als nieuwbakken mediaman dient Otto aanwezig te zijn bij de prijsuitreiking van de Eurobank-Literatuurprijs in hotel Pantheon op het Rokin. “Een pleisterplaats voor vermogende toeristen; geen Amsterdammer zou er ooit een voet zetten.” Zwagerman mixte hiervoor de buitenkant van het Amstel Hotel aan het Professor Tulpplein met het interieur van Hotel The Grand op de Oudezijds Voorburgwal. Dat kende hij goed omdat hij in 1992 met Vals licht was genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs, waarvan de prijsuitreiking aldaar plaatsvond. In hotel Pantheon zet Otto zichzelf voor de camera’s voor schut door schreeuwend af te geven op zijn gehate genomineerde collega Ed Waterland. Deze heeft niet alleen zijn vrouw, maar ook zijn romanidee gejat, denkt Otto, die zich in Waterlands boek meent te herkennen. Otto vlucht uit het hotel en belandt op het Spui. Hij denkt veilig te zijn in ‘café Ruyters’ – een samenvoeging van Hoppe en De Zwart – aan de kop van de Spuistraat. Tot zijn ontsteltenis is dat echter juist de locatie waar Ed Waterland door een cameraploeg wordt gefilmd, terwijl een meute hem als winnaar van de Eurobankprijs komt feliciteren.

In deze satirisch getoonzette roman speelt de tegenstelling tussen de hectische binnenstad en de dorpse rust van een buitenwijk als Buitenveldert een centrale rol. De personages Otto Vallei en Ed Waterland belichamen deze uitersten. Otto komt altijd pas tot zichzelf als hij het viaduct van de ringweg is gepasseerd. Maar soms reiken de tentakels van de binnenstad tot hier. “Hij was nog niet tot rust gekomen of er werd een krater in Buitenveldert geslagen. Op het fietspad langs een on-Amsterdamse sloot kwam hem een fietser tegemoet aan wie op grote afstand was te zien dat hij hier niet woonde, niet wilde wonen en misschien zelfs helemaal niet wilde zíjn. Hier naderde een fietsende dissonant. Een OSM’er. Hier naderde de grachtengordel, het straatrumoer, het postmodernisme. Op die fiets zat Ed Waterland.”

In Chaos en rumoer zegt Otto’s uitgever Arnoud Zegel, voor wie Zwagermans uitgever bij de Arbeiderspers Theo Sontrop model stond: “Niet de wegopbrekingen of de hondenpoep, maar de cultuurhysterie is het virus dat vreet aan de fundamenten van de grote steden.” Inmiddels heeft Sontrop gekozen voor een quarantaine op Vlieland. Zwagerman heeft in Chaos en rumoer ‘met sardonisch plezier’ korte metten gemaakt met het culturele klimaat in Amsterdam. Zijn visie op de strekking van het boek is gespeend van mildheid: “Er bestaan nogal wat vooroordelen over het snobisme en de bekrompenheid van de culturele elite uit de grachtengordel. En wat blijkt: die vooroordelen zijn allemaal waar! Dàt is de kwintessens van Chaos en rumoer.”

Met een knipoog zet Zwagerman een jaar later zijn collega-schrijvers te kakken in het verhaal ‘White Palace’ uit de verhalenbundel Het jongensmeisje (1998). Een geldbeluste pooier en pornoboer wordt onverwacht eigenaar van café De Zwart op het Spui. Diens vriendin Margootje heeft zich namelijk voor 7,5 ton “deze drankbak in de maag laten splitsen”. De patjepeeër krijgt het aan de stok met “de schrijverds” op wie hij neerkijkt. Het zijn immers “armoedzaaiers wier jaarinkomen lager ligt dan dat van de gemiddelde bijstandskip”. De tegenstellingen escaleren in een vechtpartij. De nieuwe eigenaar wil de schrijverds eruit hebben om deze “ballentent aan het Spui” te verbouwen tot een “White Palace” met iedere vrijdagavond kinky parties en drugs. Zwagerman, nog steeds zichtbaar in zijn sas: “Het is een hilarisch verhaal omdat ik de gemiddelde LPF’er liet belanden in café De Zwart. Wat gebeurt er dan?”

Hufterige omgangsvormen

In Zes sterren (2002) schiet dezelfde weerzin tegen het omhooggevallen culturele klimaat in de hoofdstad wortel in Oom Siem, hoofdredacteur van Goedemorgen, een gratis blad met hotelrecensies dat drijft op de inkomsten van adverterende hoteliers uit het hele land. “In Amsterdam runt de firma Arrogantie en Snobisme de tent,” vindt oom Siem. Hij walgt van de stad, maar vestigt er wel zijn tijdschrift om serieus genomen te worden. Zijn neef Justus komt bij hem in dienst, nadat hij is afgewezen voor de Rietveld Academie. Voor hem koopt hij een appartement op de Groenburgwal. “Dat maakt op de adverteerders een wereldse indruk.” Zelf wil oom Siem in Amsterdam nog niet dood gevonden worden. Dat gebeurt uiteindelijk in zijn eigen huis in Alkmaar waar hij door zelfmoord zijn einde vindt. Na Siems dood brengt Justus een themanummer uit over Amsterdam. Hij noemt Amsterdam daarin een werelddorp wanneer hij in een opzettelijk kneuterig jargon het nachtleven aanprijst. “U zult zich vergapen aan het excentrieke publiek in de trendy maar tevens knusse Reguliersdwarsstraat.”

Het mag een opmerkelijke ommezwaai worden genoemd. Zwagerman heeft zelf immers goede tijden beleefd tussen de culturele elite van Amsterdam. Halverwege de jaren negentig trof een vriendenclub van schrijvers, journalisten en essayisten elkaar regelmatig in schrijverscafé De Zwart. “Van daaruit trok de karavaan stadinwaarts,” vertelt hij. “De Zwart en Schiller op het Rembrandtplein waren door een streng aan elkaar verbonden. Dat waren wij. De harde kern, zeg maar Adri van der Heijden, André Klukhuhn en ik, gebruikte restaurant Tartufo op Singel 449 als tussenstop.”

Als veertiger zit Zwagerman in een andere levensfase. Zijn Amsterdamse jaren heeft hij gevoelsmatig achter zich gelaten. Hij fietst voornamelijk op en neer tussen zijn huis in Oud-Zuid en zijn werkkamer in de Pijp. De hoofdstad ervaart hij als een dorp in vergelijking met veel wereldsteden. “Amsterdam is een soort Efteling, een verkneuterd geheel, niet voor niets Venetië van het Noorden genoemd. Wat anderen zo pittoresk aan Amsterdam noemen, vind ik toch wel heel erg bouwpakketachtig,” schampert Zwagerman die zowel opleeft in provinciesteden als Deventer en Groningen, als in Europese hoofdsteden als Londen en Parijs. Overal eigenlijk, als het maar niet Amsterdam is. “De Amsterdamse binnenstad heeft het uiterlijk van een dorp, maar er heersen de hufterige omgangsvormen van een bananenrepubliek in Latijns-Amerika.”

Zeker na de moord op Theo van Gogh is voor hem het laatste restje aardigheid om in Amsterdam te wonen er inmiddels wel af. Hij heeft het zogenaamd ludieke en relaxte Amsterdam door de jaren heen zien veranderen in een dictatuur die door ‘straatklootzakken’ wordt geregeerd. Voorlopig houden privé-omstandigheden hem hier. Maar hij begrijpt nu waarom bewonderde collega’s als Gerrit Komrij, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans destijds uit Amsterdam zijn vertrokken. “Reve koesterde een gezonde weerzin tegen de op lucht gebaseerde zelfingenomenheid van veel Amsterdammers. Ik begin hem steeds beter te begrijpen.”

E. Potters is historica en publiciste.

 


VU-jongens stammen niet van apen af
125 jaar Vrije Universiteit
Tekst: Koos Neuvel

052005_VUDe naam Vrije Universiteit roept bij buitenlanders nogal eens misverstanden op. Die denken al snel dat dit het brandpunt is van de vrijheid en blijheid waar Amsterdam om bekend staat. In werkelijkheid heerste hier tot nog maar vrij kort geleden de gereformeerde orthodoxie. Tegenwoordig gaat het er heel wat losser aan toe. Maar de academische plechtigheden worden nog steeds met gebed geopend.

Vlak voor Keizersgracht 162 werd in januari 1884 druk aan de weg gewerkt. De stenen keien werden eruit gehaald en vervangen door houten blokken. Hier in het eerste gebouw van de Vrije Universiteit werd immers college gegeven en gestudeerd - en daarbij paste geen storend geklepper van passerende karren en koetsen. Niet alleen de straat maar ook het gebouw zelf onderging een metamorfose. Er werd een verdieping aan toegevoegd, de voorkant kreeg boogramen en een fronton, en op de gevel werd duidelijk zichtbaar de naam ‘Vrije Universiteit’ geschilderd. Het gebouw werd veel statiger gemaakt dan het voorheen was; buitenkant en binnenkant moesten bij elkaar horen. Niemand mocht over het hoofd zien dat hier een tempel van de wetenschap stond.

Het was niet het allereerste begin van de Vrije Universiteit. De officiële geboorte vond al plaats op 20 oktober 1880, nu 125 jaar geleden, tijdens een plechtige bijeenkomst in de Nieuwe Kerk op de Dam, waar initiatiefnemer Abraham Kuyper, oud-dominee en ‘anti-revoluitionair’ politicus, zijn beroemde rede Souvereiniteit in eigen kring hield.. De eerste jaren had de VU nog geen eigen gebouw en dat was ook geen ramp, want in 1880 waren er maar vijf hoogleraren, verdeeld over drie faculteiten, en een handjevol studenten. Colleges konden dus overal wel gegeven worden. Pas iets later deed het vraagstuk zich voor in welke stad de nieuwe universiteit te vestigen.

Dat het Amsterdam moest worden lag niet direct voor de hand. Ook andere steden werden in overweging genomen, zoals Utrecht en Leiden. Amsterdam stond bekend als een stad vol verleidingen, en om die reden juist niet al te verleidelijk voor orthodoxe calvinisten. Toch viel uiteindelijk de keuze op Amsterdam. Na een paar jaar in het gebouw van de Schotse Zendingskerk, Amstel 58, nu de Kleine Komedie, vertrok de VU in 1884 naar de Keizersgracht, waar na verloop van tijd ook de aangrenzende panden 160 en 164-166 werden aangekocht; Abraham Kuyper zelve woonde rond 1900 op nummer 164.

Tegen de geest van de eeuw

Nooggedwongen speelden dat handjevol hoogleraren in de beginjaren speelde vaak ‘vliegende keep’; dat wil zeggen, in voorkomende gevallen moesten zij op een geheel ander lesgebied doceren dan waarin zij gespecialiseerd waren. Zo gaf oprichter Kuyper, behalve op zijn eigen vakgebied van de theologie, als het moest ook colleges over de Nederlandse letterkunde. Dat is niet alleen nu moeilijk voorstelbaar, het stond ook haaks op de tendens bij de openbare universiteiten van die tijd. In 1876 was er een Hoger Onderwijswet aangenomen die onder andere regelde dat curatoren hoogleraren niet meer konden belasten met onderwijs in andere disciplines dan waarvoor zij aangesteld waren.

De gang van zaken op de VU had uiteraard iets met de gebruikelijke aanloopmoeilijkheden van iedere startende instelling. Maar het kostte daarnaast ook veel moeite om geschikte hoogleraren te vinden. Een hoogleraar moest namelijk niet alleen capabel zijn op zijn vakgebied, maar ook nog eens de juiste geloofsbeginselen zijn toegedaan. Die combinatie bleek zeldzaam te zijn.

De VU is opgericht vanuit een verzet tegen ‘de geest van de eeuw’. Men was anti-revolutionair en keerde zich tegen de moderne tijd, tegen liberalisme, kapitalisme, vooruitgangsgeloof, en in de wetenschap onder andere tegen de evolutietheorie. In het geloof keerde men zich tegen vrijzinnigheid. Grondlegger Abraham Kuyper moest niets hebben van figuurlijke interpretaties van de bijbel die destijds onder theologen sterk aan kracht wonnen. Mede door de evolutietheorie hield niet iedere theoloog nog vast aan de gedachte dat de aarde in niet meer en niet minder dan zeven dagen was geschapen. Kuyper wel, en hij zag met lede ogen aan hoe er op alle andere universiteiten predikanten werden opgeleid die geïnfecteerd waren met moderne opvattingen.Zijn opstelling leidde uiteindelijk in 1886 tot een breuk met de Hervormde Kerk en (in 1892) tot de stichting van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het vasthouden aan het gezag en de letterlijke waarheid van de bijbel, waar Kuyper voor stond, impliceerde geen afwijzing van iedere vorm van wetenschap. Centraal stond Gods soevereiniteit over de gehele schepping. Heel de werkelijkheid is onderworpen aan die goddelijke scheppingsorde en het is de plicht van de mens die te kennen en te gehoorzamen. Daarvoor heette een christelijke wetenschap noodzakelijk te zijn. Natuurlijk, vond Kuyper, heeft de wetenschap zo haar eigen methodes om kennis te verwerven; het gaat daarin allereerst om het vinden van waarheid. Maar in de interpretatie van de verzamelde feiten onderscheidde zijns inziens de gelovige zich van de ongelovige.

Het vrije van de Vrije Universiteit was in dat verband geen vrijheid om maar te doen wat je wilde. Het betrof een vrijheid tegenover kerk en staat, een bevrijding van instituties die al te zeer door moderne opvattingen waren aangetast. Het was vooral ook een vrijheid om geheel op eigen kracht terug te keren naar orthodoxe principes. Dat op eigen kracht opereren gold ook voor de financiering. De gereformeerden brachten zelf het geld op voor hun eigen universiteit. Zo stond in de jaren vijftig en zestig bij meer dan de helft van de gereformeerde gezinnen een klein groen busje op de schoorsteenmantel met daarop de beeltenis van Abraham Kuyper; elk dubbeltje dat gespaard kon worden, belandde in het busje. En zo bouwde men aan een nieuwe universiteit.

Door de zorgvuldige screening van de hoogleraren op geloofsovertuiging, zijn de nodige goede wetenschapsmensen aan de neus van de VU voorbijgegaan, omdat ze nét niet aan de normen voldeden. En als ze op het eerste gezicht wel voldeden, konden ze bij nader inzien toch weer worden ontslagen.

Een typerend conflict uit die beginjaren speelde rond een andere belangrijke voorman uit de protestants-christelijke wereld, jonkheer A.F. de Savornin Lohman, hoogleraar in de rechten aan de VU en de latere grondlegger van de Christelijk Historische Unie (CHU). In tegenstelling tot Abraham Kuyper was De Savornin Lohman vóór uitbreiding van het kiesrecht. Vervolgens werd er een commissie op De Savornin Lohman afgestuurd, die tijdens zijn colleges ijverig speurde naar eventuele afwijkingen van de gereformeerde leer. Uiteraard werden die weldra gevonden. Het conflict escaleerde en De Savornin Lohman besloot uiteindelijk zelf maar zijn biezen te pakken. De rechtzinnigheid in de leer werd hier wel heel opzichtig gebruikt om een politiek meningsverschil te beslechten.

Tegenwoordig wordt geen enkele docent meer op rechtzinnigheid getest. Hooguit voert het College van Bestuur tegenwoordig nog een gesprek met een kandidaat-hoogleraar of die zich kan vinden in het zelfbeeld van de faculteit waar hij/zij een leerstoel gaat bezetten. Een gesprek dat, zoals het dan heet, doorgaans in ontspannen sfeer plaatsvindt. Op de huidige Vrije Universiteit bestaat een grote diversiteit van geloof en ongeloof, van politieke richting, en er heerst een ander soort vrijheid dan in de beginjaren, namelijk een echte wetenschappelijke vrijheid om alles te onderzoeken en alles ter discussie te stellen. Het idee van een christelijke wetenschap is losgelaten, en de evolutietheorie wordt niet langer als modernistische aberratie veroordeeld.

Niet dat het allemaal zonder slag of stoot ging. Zo was er in de jaren zeventig nog een heftig conflict over de vraag of leden van de Communistische Partij Nederland (CPN) mochten worden toegelaten tot het universiteitsbestuur; christendom en communisme heetten onderling onverenigbaar te zijn. En in 1980 vroeg het hoofd van het Historisch Documentatie Centrum van de VU, G. Puchinger, nog aan hoogleraar middeleeuwse geschiedenis A.H. Bredero: “Hoe ben jij als roomse jongen op de VU gekomen?” Daarmee suggererend dat een katholieke hoogleraar een vreemde eend in de protestants-christelijke bijt is.

Nog altijd wordt de VU wel in verband gebracht met een ietwat traditioneel calvinisme. In dat verband wordt minister-president Jan-Peter Balkenende wel als een typische VU-jongen gezien. Minder bekend is dat ook de lijstrekkers van de beide andere grootste partijen, Wouter Bos van de PvdA en Gerrit Zalm van de VVD, aan de VU studeerden.

Degelijk en intiem

De relatie tussen de VU en de stad Amsterdam is nooit zeer intiem geweest, ook al breidde het aantal panden in de stad zich nog uit. In 1910 werd op het Valeriusplein een psychiatrische kliniek voor de VU gebouwd, die we nu kennen als Valeriuskliniek. In 1933 verrees in de De Lairessestraat het imposante Scheikundig Laboratorium gebouwd en na de oorlog werd voor de snel groeiende universiteit de ene na de andere villa rond het Vondelpark gehuurd. Maar de VU-studenten lieten zich veel minder uitbundig zien in het stadsbeeld dan hun lossere collega’s van de Gemeente-Universiteit. En ze werden nog onzichtbaarder toen de VU rond 1970 in etappes de binnenstad en Oud-Zuid verliet. Al in de jaren vijftig werd duidelijk dat alle bestaande oude panden bij elkaar te weinig ruimte boden voor de verwachte groei. Al begin jaren vijftig kreeg de VU een aantrekkelijk aanbod om de universitaire tenten op 40 hectare grond in de gemeente Epe op te slaan. De gereformeerden aldaar boden de VU een gratis stuk bouwgrond aan. Maar de gemeente Amsterdam zag de VU toch niet graag vertrekken en schiep de mogelijkheid om, weliswaar niet gratis, maar wel tegen een schappelijke prijs het land van boer Griffioen (terzijde: het huidige beeldmerk van de VU is een griffioen!) in de polder ten zuiden van de Rivierenbuurt te kopen. In 1964 werd daar het Academisch Ziekenhuis voltooid, in de volksmond beter bekend als ‘het’ VU(-ziekenhuis). De betonnen kolos die het hoofdgebouw is van ‘de’ VU, en die door slechts enkelingen wordt bejubeld als een hoogtepunt van de moderne architectuur, werd in 1970 vervroegd opgeleverd.

Het gehele universitaire leven ging zich steeds meer concentreren in de beslotenheid van de campus. Door die concentratie op één plek die ook nog eens ver verwijderd was van het centrum - helemaal in Buitenveldert - leek de VU zich met de rug naar de stad toe te draaien. Maar de stad beweegt zich inmiddels zelf weer een beetje naar de VU toe. Er wordt immers druk gewerkt aan de ontwikkeling van de Zuid-as; of het een bruisende stadskern zal worden valt nog te bezien, maar de ambitie is er wel.

Die beslotenheid van de VU heeft ook zo zijn voordelen gehad. De VU heeft altijd een zekere reputatie van degelijkheid, kleinschaligheid en intimiteit bezeten, en daarmee een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op studenten die gevoelig waren voor zulke eigenschappen. Juist door die reputatie is de VU inmiddels al lang geen kleinschalige universiteit meer. Bovendien wordt de kleinschaligheid nog verder verlaten door de plannen tot een fusie met de Hogeschool Windesheim te Zwolle.

Momenteel heeft 17.000 studenten en 3000 personeelsleden. Verreweg de meeste studenten komen naar de VU vanwege regionale overwegingen: lekker dicht bij huis! Een kleine minderheid van studenten (zo'n 10%) komt van verder weg en voelt zich nog altijd sterk in de protestants-christelijke traditie staan. Ook op studenten van andere geloofsrichtingen oefent de VU enige aantrekkingskracht uit. Want hoewel de VU in veel opzichten een gewone universiteit is geworden, die sinds 1970 ook volledig wordt gefinancierd door het rijk (waardoor de groene busjes overbodig werden), voor de liefhebber is er nog volop mogelijkheid de relatie tussen geloof en wetenschap aan nader onderzoek te onderwerpen. Het idee van christelijke wetenschap is losgelaten, maar op de VU bestaat nog wel veel aandacht voor levensbeschouwelijke en ethische implicaties van wetenschapsbeoefening.

Hoewel de studentenpopulatie in de afgelopen decennia aanmerkelijk minder religieus is geworden, is er de afgelopen jaren sprake van een zekere kentering. Niet dat er meer christenen komen, er komen meer moslims. Vermoedelijk is er geen universiteit in Nederland met een zo grote hoeveelheid allochtone studenten als de VU. Zo is het aantal moslimstudenten naar schatting vijftien procent. Dat is in veel opzichten verheugend te noemen; het maakt de VU kleurrijker, en het geeft aan dat islamitische jongeren in hoog tempo beginnen door te stromen naar hogere opleidingen.

Toch brengt die toevloed ook enkele problemen met zich mee; problemen die doen denken aan de gereformeerde beginjaren van de VU. Zo melden docenten in de biologie dat veel moslimstudenten zich met hand en tand verzetten tegen de evolutietheorie. Ze willen er helemaal geen kennis van nemen, en voor zover ze er kennis van willen nemen zijn ze naarstig op zoek naar argumenten die de onzinnigheid van de evolutietheorie kunnen staven. Soms stapt er een student op een docent af en zegt: “Dat we van de apen afstammen, dat gelooft u toch zeker zelf ook niet?”

In de jaren vijftig was er een prominente hoogleraar biologie op de Vrije Universiteit, Jan Lever. Telkens weer verkondigde hij in de collegezalen dezelfde boodschap, een boodschap waarmee hij ook stad en land afreisde om zijn gereformeerde achterban te overtuigen: je kunt een goed christen zijn en tegelijkertijd overtuigd zijn van de waarheid van de evolutietheorie. Hij zette zich met al zijn krachten in voor een verzoening van religie en moderne wetenschap. Misschien dat er ooit op de VU (of een andere universiteit) een islamitische Jan Lever zal opstaan.

Drs. N.P.J. Neuvel is programmacoördinator van VU-Podium (organisator van activiteiten rond wetenschap, samenleving en levensbeschouwing) en oud-redacteur van universiteitsblad Ad Valvas.