Nummer 2: Februari 2005 - Een ontheemrfe banpaal

BanpalenDe vergeten banpaal van Rembrandt
Blijft 17de-eeuwse obelisk in het Oosterpark?

 

TEKST: Fanta Voogd

Hij zag Rembrandt schetsen maken aan de Spaarndammerdijk, en in november vorig jaar zag hij in het Oosterpark Mohammed B. voorbij komen rennen. De banpaal die via een omweg in Oost terechtkwam, heeft in de tussenliggende tijd heel wat reizigers en veroordeelde bannelingen zien passeren. Het verhaal van een ontheemde obelisk.

Middenin een perkje vlak bij het skateboard-terreintje in het Oosterpark, staat een manshoge zandstenen paal. Aan de vier zijden van het zuiltje is het wapen van Amsterdam en het jaartal 1624 uitgehakt. Een bordje aan de voet van de obelisk doet een nogal onbeholpen poging tot nadere uitleg: ‘Limietpaal (Onbekende kunstenaar)’. Laat dit nou net géén limietpaal zijn. Het is een banpaal. Of eigenlijk alleen de top van een banpaal. Eén van de zes “uijtterste palen der ballingen” die vanaf 1544 op een afstand van een mijl (zo’n 7,5 kilometer) rond de stad kwamen te staan, en die daarom ook wel mijlpalen werden genoemd. Van die zes staan er nog drie op hun oorspronkelijke plek: één aan de Sloterweg in Sloten (met het jaartal 1794), één aan de Amsterdamseweg in Amstelveen (1625) en één aan de Amstel bij de Kalfjeslaan (1625). De palen die ooit bij de Diemerdam en Landsmeer stonden, zijn verdwenen. Het ding dat nu zo plompverloren in het Oosterpark staat, stond ooit aan de toen nog ver westwaarts lopende Spaarndammerdijk, ergens in het huidige Westelijk Havengebied (later werd de dijk hier vanaf Sloterdijk Spaarnwouderdijk genoemd).

Rond 1650 moet Rembrandt over deze dijk hebben gelopen. Vanuit zijn voordeur in de (Joden-)Breestraat had hij niets anders hoeven doen dan de oude middeleeuwse IJdijk te volgen. Eerst door de drukke stad, over de Sint Antoniesdijk, de Zeedijk, de Haarlemmmerdijk. Na een wandeling van ruim twee uur, zag hij dan het vier kilometer brede IJ aan zijn rechterhand, en links het uitgestrekte veenweidegebied van de Binnenwechs Polder. Als hij zijn ogen samenkneep zag hij daarachter de zeilbootjes op het Haarlemmermeer. De rustige Spaarndammerdijk was tot omstreeks 1630 een drukke verbindingsroute naar Haarlem, maar het verkeer had zich voor een belangrijk deel naar de Haarlemmertrekvaart en het ernaast gelegen pad verplaatst. In de buurtschap Spieringshoorn pakte Rembrandt zijn tekenspullen en schetste de hofstede Overzaan, een drinkend hondje, een man met een zeis in de verte, en de toen amper 25 jaar oude banpaal. Thuis zou hij zijn tekeningen uitwerken tot een ets.

Amsterdam kreeg zijn eerste palen in de 14de eeuw, nadat de graaf van Holland, Willem IV, de stad als eerste het ban- en vangprivilege gaf. De op 9 december 1342 vastgelegde stadskeur opent zelfs met het aanwijzen van vier palen waarbinnen het privilege gold. De grenzen van het ban- en vangprivilege vielen samen met de grenzen van de toenmalige bebouwde kom. De vier zogeheten limietpalen van Willem IV functioneerden dus als banpaal én grenspaal, een onderscheid dat pas later betekenis zou krijgen.

In de eeuwen die volgden zouden de grenzen van het ban- en vangrecht een steeds grotere cirkel rond de stad trekken. Op 7 januari 1387 bepaalde de toenmalige graaf van Holland, hertog Albrecht van Beieren, dat de palen 100 gaarden of roeden (ongeveer 376 meter) mochten worden opgeschoven, waardoor ze buiten de stadspoorten kwamen te staan. Ze werden toen opgericht op de Haarlemmerdijk, aan de Amstel (bij de latere Keizersgracht), op de ‘Heyliche Wech’ (later de Leidsestraat ter hoogte van de Keizersgracht), en op de Sint Antoniesdijk (op het huidige Jonas Daniël Meijerplein). De stad had het recht om verdachten op te pakken in, en veroordeelden te bannen uit dit gebied. En overigens ook om belasting te innen van de mensen die buiten de stadswallen maar binnen het door de vier palen begrensde gebied - in de zogeheten voorbalie - woonden. Bannelingen vestigden zich vaak net buiten de 100 roedengrens. Daar stonden langs de toegangswegen primitieve kroegjes, waar vrij van stedelijke belasting alcohol werd geschonken. Het waren ruige herbergen waar veelvuldig werd gevochten. Kooplieden en andere reizigers liepen er met angst en beven langs, maar tegelijkertijd oefende de goedkope drank grote aantrekkingskracht uit op ‘jongmans en gezellen’ uit de stad.

Onder Maximiliaan van Oostenrijk werd de bangrens in 1488 verder opgerekt naar 1100 roeden (ruim vier kilometer) en diens kleinzoon, Karel V, verruimde in 1544 het bangebied nog verder. De “uijtterste palen der ballingen” werden toen op één mijl buiten de stadsgrens geplaatst. Die ‘banmijl’ werd niet verder verruimd en de palen werden nadien alleen verplaatst vanwege stadsuitbreidingen. In 1609 kregen de zes banpalen hun definitieve plek. De plek waar drie van de zes tot op de huidige dag staan.

 

Verbanning of strafbedevaart

Wanneer de schepenbank een burger of een vreemdeling een verbanning had opgelegd, werd de banneling door een gerechtsdienaar met een roede (de symbolische stok van het rechterlijk gezag) de stad uitgeleid. Daarbij werden de klokken geluid. Op het moment dat de veroordeelde de banpaal had gepasseerd, was de stadsvrede ofwel de rechtsorde weer hersteld.

In 1609 werd op die manier Anna Arendsdochter uit Leeuwarden de stad uitgezet. Zij zwierf door Amsterdam en deed op gezette tijden alsof zij door de duivel bezeten was. In de opschudding die haar gefingeerde aanvallen veroorzaakten, sloegen haar handlangers aan het zakkenrollen. De vrouw werd opgepakt, kreeg op 14 mei 1609 de drie Amsterdamse kruizen op haar rug gebrandmerkt en werd vervolgens voor vijftig jaar verbannen. Behalve voor diefstal en bedelen, was verbanning ook een gebruikelijke straf voor bijvoorbeeld vloeken, dobbelen, prostitutie of het overtreden van gilderegels.

In de 16de eeuw was verbanning in Amsterdam een veel voorkomende tuchtmaatregel, al werden ook veel verdachten veroordeeld tot lijfstraffen, tepronkstelling of brandmerken. Tussen 1490 en 1552 was verbanning, na het opleggen van een boete, echter de meest opgelegde straf. Van de 4164 verdachten die in die periode moesten voorkomen, werden er 561 verbannen. Daarnaast moesten 451 veroordeelden bij wijze van straf een pelgrimstocht maken. Soms was dat niet meer dan deelname aan de Stille Omgang in de stad zelf. Maar veroordeelden werden – in deze jaren voor de protestantse omwenteling - ook op bedevaart gestuurd naar Cyprus, Rome of Santiago de Compostela. Strafbedevaart was dan niets anders dan een vorm van verbanning. Opvallend is dat de schepenbank in die ruim zestig jaar slechts 165 keer een vrijheidsstraf oplegde.

De uitsluiting van de banneling had allereerst een zware symbolische lading. Aan het handhaven van de verbanning besteedde de schepenbank weinig aandacht, zo blijkt uit onderzoek van rechtshistoricus prof.mr. Sjoerd Faber. Hij citeert Anna Margreta Otken, die in 1770 terechtstond omdat zij de in 1766 opgelegde verbanning had verbroken. Ze verklaarde dat ze al na een half jaar was teruggekeerd naar de stad omdat ze hoopte “zoo schielyk niet ontdekt, nog opgevat te zullen worden, dewijl er wel meer perzonen die gebannen zijn zig alhier ophouden”. Kennelijk keerden dus meer bannelingen op hun schreden terug en het risico om ontdekt te worden was ook niet erg groot. Volgens Faber werden ze met rust gelaten en waren er geen “klopjachten of speciale campagnes”. “Het aan het licht komen van ‘infractie van bannissement’ [schending van de verbanning] was dan ook voornamelijk een kwestie van toeval of bijkomstigheid; herkenning door een Dienaar van justitie, ondervraging wegens een ander delict, en zo voort.” Bovendien was het bannelingen toegestaan om zich aan te sluiten bij pelgrimstochten naar de Heilige Stede, tussen Kalverstraat en Rokin, waar in 1345 het wonder van de onbrandbare hostie moet hebben plaatsgevonden. Wel werden zij nadrukkelijk uitgesloten van handel op, en feestelijkheden rond de drie jaarmarkten. Het was dus vermoedelijk de uitsluiting van werk en voorzieningen in de stad waardoor de bannelingen het zwaarst werden getroffen. Zij konden zich niet aansluiten bij gilden, mochten geen handel drijven en geen beroep doen op de armenzorg.

Al vroeg klonken er bezwaren tegen verbanning als straf. Dirck Volckertsz Coornhert – uitgever, kunstenaar, ambtenaar, maar vooral één van de belangrijkste opinieleiders van zijn tijd - toonde zich in zijn Boeventucht (1587) geen groot voorstander van marteling, wurging, brandmerken en verbanning. Het al te kwistig opleggen van deze straffen noemde hij “een verkeerde remedie ende niet anders dan olye int vuur”. Verbanning als straf zou echter nog meer dan twee eeuwen standhouden. Pas in 1886 is ‘bannissement’ uit het Wetboek van Strafvordering geschrapt, maar welbeschouwd is verbanning nooit helemaal verdwenen uit de strafrechtelijke praktijk. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat uitsluiting ouder is dan opsluiting. We kunnen er gerust van uitgaan dat verstoting van mensen die zich niet houden aan de groepsnorm zo oud is als de mensheid. Helemaal zonder kunnen we kennelijk nog steeds niet. Het ‘dijkverbod’ voor lastige junkies in Amsterdam, of de mogelijkheid om veroordeelde ‘vreemdelingen’ ongewenst te verklaren, zijn niets anders dan eigentijdse vormen van verbanning.

 

Storm en verwaarlozing

Hoe is het de banpaal op de Spaardammerdijk vergaan, nadat Rembrandt zijn schetsboek dichtklapte en naar huis ging? Het heeft maar weinig gescheeld of de 380 jaar oude monoliet was in de vergetelheid geraakt, net als de banpalen bij de Diemerdam en Landsmeer. Dat begon al met de ets van Rembrandt. Lange tijd heeft men namelijk niet geweten wat de door Rembrandt geëtste ‘obelisk’ voorstelde. De zuil op de ets zag er heel anders uit dan de drie nog bestaande banpalen. Bovendien heeft Rembrandt verwarring gezaaid doordat hij eerst een veel kortere zuil heeft geëtst, waarvan de spits tot net onder de rand van de prent reikte. Op de definitieve versie laat hij de top buiten beeld verdwijnen. Pas in 1920 heeft Frits Lugt in zijn boek Mit Rembrandt in Amsterdam geconcludeerd dat op de ets de banpaal op de Spaarndammerdijk te zien moet zijn. Hij trok die conclusie onder meer aan de hand van een aquarel van H.G. ten Cate waarop dezelfde situatie staat afgebeeld.

De keuze van Rembrandt om de banpaal om compositorische redenen te onthoofden, lijkt een voorspellende betekenis te hebben gekregen. Op de aquarel van Ten Cate (1839) ontbreekt de spits ook echt. Het Amsterdamsch Jaarboekje van 1888 meldt dat de banpaal in 1836 is geteisterd door een storm, en dat hij in 1867 is gesloopt. Dan blijft het lange tijd stil.

In het archief van het Stedelijk Museum ligt een brief uit 1947 waarin het verhaal van de verdwenen banpaal wordt hervat. In dat jaar schreef mr. J. Slagter van het Hoogheemraadschap Rijnland, het waterschap dat verantwoordelijk is voor het beheer van de Spaarndammerdijk, een brief aan Willem Sandberg. Die was directeur van de gemeentelijke musea van Amsterdam, dus niet alleen van het Stedelijk Museum, maar het Amsterdams Historisch Museum dat in De Waag was gevestigd. Slagter beschrijft hoe hij met collega’s de oorspronkelijke locatie van de verdwenen banpaal heeft weten te achterhalen. De bewoner van het boerderijtje Eben Haëzer (Spaarnwouderdijk 645) wist hen de plek te wijzen waar de paal stond. “Tussen het gras liggen nog een paar grote delen van het zandstenen voetstuk,” schrijft Slagter. De boer wist zich te herinneren dat het bovenste deel van de obelisk rond 1927 nog op het erf lag, maar dat een onderwijzer van “de school in de Grote IJpolder (op het kruispunt Spieringweg en Middenweg)” de steen heeft overgebracht naar het terrein van de school. Diens opvolger liet het gevaarte om onbekende reden onder de grond stoppen. Op aanwijzingen van derden slaagden de mannen van het Hoogheemraadschap erin de top van de banpaal te vinden. Ze groeven hem op en zetten hem neer op het erf van het stoomgemaal in Halfweg.

“Het komt mij voor, dat dit kleine monument van betekenis is, zowel voor de geschiedenis van Amsterdam als voor de relatie met Rembrandt en dat het dus verdient, dat de gemeente het tot zich neemt en opstelt, b.v. in het museum De Waag of in de tuin van het Sted. Museum,” zo besluit Slagter zijn brief. “Ik zal hem, zodra de gelegenheid zich voordoet (…) laten afhalen en hem dan in de tuin van het Stedelijk Museum opstellen,” antwoordt Sandberg. En zo geschiedde. De paal verhuisde vervolgens in 1954, in verband met de bouw van de nieuwe vleugel van het Stedelijk, naar de tuin van het sanatorium Beatrixoord achter het Tropenmuseum. Sinds de sluiting van het sanatorium in 1976 behoort de tuin tot het Oosterpark. Hier maakt de banpaal tussen de plantjes tegenwoordig een ietwat ontheemde indruk. Maar het is al beter dan een jaar geleden, toen hij er nog in de zandbak stond. En wie wel eens een vierjarige met een metalen schepje heeft zien spelen, begrijpt waarom de banpaal niet meer zo gaaf is als Slagter hem in zijn brief van 1947 beschreef.

Heeft de banpaal in het Oosterpark zijn eindbestemming gevonden? Misschien niet. In 1999 heeft Paul van Deursen van Vereniging Brettenzone Natuurlijk het idee geopperd om hem “een waardige plaats te geven in zijn oorspronkelijke omgeving”. Exacte herplaatsing van de banpaal is onmogelijk, want volgens Van Deursen is op die plek momenteel de expediteur DHL gevestigd, op Scharenburg 1. Bovendien is de Spaarndammerdijk er afgegraven en ook verder is er niets dat herinnert aan de situatie zoals die werd vereeuwigd door Rembrandt en Ten Cate.

Het idee van Paul van Deursen is opgepikt door het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer en de centrale stad, die verantwoordelijk is voor het beheer van Westpoort. Die zijn er echter nog niet uit. De centrale stad wil hem op het nog zeer oorspronkelijk stukje dijk in het Geuzenbos plaatsen. Geuzenveld-Slotermeer ziet hem het liefst op zijn eigen grondgebied, op de dijk aan de zuidkant van het water, precies op de grens met Halfweg. Erg concreet zijn de plannen nog niet. Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer weet zelfs nog van niets. Daar zal men ook wel zijn zegje willen hebben over de steen die al weer 50 jaar in het Oosterpark staat.

 

 

F. Voogd is journalist.