Nummer 5: Mei 2005 - Het gemeente-washuis

De wastobbe naar het museum!
Opkomst en ondergang van het Gemeente-washuis
Tekst: Peter-Paul de Baar

052005_WashuisOver een jaar of 40 weet geen Amsterdammer dat meer uit eigen herinnering; hoe misselijkmakend de geur was in de keuken thuis, van een kolossale pan op het fornuis vol vuile kleren in kokend water. Of hoe je een wringer moest bedienen, op het balkon. Nu heeft bijna iedereen een wasmachine en de rest gaat naar de wasserette. Maar al eerder in de eeuw verzachtte het gemeente-washuis voor veel huisvrouwen en hun gezinnen het leed.

“In die huiskamer begon prompt elke dinsdagochtend de ellende,” schreef Theo Thijssen in 1941, terugblikkend op zijn kindertijd bijna 60 jaar eerder in de Eerste Leliedwarsstraat..” Dan was moeder in haar wanhoopstoilet: een loshangend wit jak, hét witte jak der Jordaanvrouwen, en een vieze vlekkerige zwarte rok; en de kamer stond vol warme wasem, zodat de ruiten nat beslagen waren. En gestadig klonk het nijdige roets-roets, waarmee moeder het goed over het wasbord stompte. Ik zie nog mijn moeder staan: ze heeft het zo benauwd, dat ze haar jak van boven heeft losgemaakt en natte haren pieken langs haar oren. 't Is net een vreemd wijf... En ze grijpt telkens in de zeeppot en smeert een stuk wasgoed aan, en als ze vindt dat een van ons een tik moet hebben, dan droogt ze niet eens haar hand af en slaat er zomaar op los. Vaak heb ik lust gehad, na de gruwe­lijke belediging van zo'n klap met een vieze, lauwe zeepsop-hand, mijn moeder een trap te geven, maar het is er nooit van gekomen.”

Nog in de jaren vijftig was voor velen deze ellende herkenbaar. En al een eeuw eerder, in 1853, stelde arts en dichter Jan Pieter Heije samen met enkele collega’s in de gemeenteaad voor een stedelijk washuis te openen, zoals dat al sinds 1842 bestond in Liverpool en sinds 1844 in Londen. Daar deden vrouwen, gezellig converserend, in grote ruimten zelf hun bonte was, terwijl bedienden in grote ketels hun witte was verzorgden. Zoiets moest er ok in Amsterdam komen, betoogden deze ‘hygiënisten’,want dat wassen thuis was net alleen tijdrovend en het humeur bedervend, maar ook nog eens ongezond,. Burgemeester en wethouders hadden er geen zin in. De voorgestelde plaats, het Reguliersplein, voldeed niet, stelden ze slechts vast. Daarmee was het hele plan van tafel. In 1891 deed Dora Schook-Haver van de Vrije Vrouwen-Vereeniging een tweede poging. Maar ook haar comité kreeg weer geen steun van de gemeente. Wel werd er in 1895 door idealistische particulieren een coöperatieve stoomwasserij (De Nijverheid) gesticht op de Jacob Catskade 16-18. In 1918 namen B&W, waarin inmiddels de eerste socialisten waren aangetreden, de noodlijdende wasserij over, maar het werd geen succes. Men kon er de was laten doen, tegen tarieven die lager waren dan bij commerciële wasserijen, maar die toch veel te hoog bleken voor de gemiddelde arbeidersvrouw. Dus was er weinig klandizie en legde de gemeente er steeds meer op toe. De Sociaal-Democratische Vrouwenclub wist de oplossing: een gemeentewashuis waar vrouwen zélf hun was konden komen doen: dat was veel goedkoper en nog gezellig ook. Een in 1921 ingestelde adviescommissie van huisvrouwen onder leiding van SDVC-bestuurster en SDAP-raadslid Carry Pothuis-Smit probeerde het uit in het voormalige gebouw Elektra op de Haarlemmerweg. Bijna alle proefkonijnen waren enthousiast.

Afblijven van centrifuge!

In 1924 besloot de gemeenteraad op voordracht van SDAP-wethouder S.R. de Miranda dat het eerste echte gemeente-washuis er mocht komen, gecombineerd met een badhuis, in de voormalige was- en schafthuis van de Oostergasfabriek, in de Fronemanstraat achter de Linnaeusstraat. Na een stevige verbouwing ging het Gemeente-Wasch- en Badhuis op 19 december 1925 open. Het washuis was op de begane grond, het badhuis daarboven. In een reeks van kranten verschenen grote reportages. Doorgaans moesten de vrouwen en een enkele werkloze man eerst een tijdje in de rij staan. Bij binnenkomst werd de was gewogen; het gewicht bepaalde het tarief. Eenmaal binnen gaven ze de witte was af aan een bediende: die ging samen met de was van anderen in een kolossale wasmachine. Met de handwas zochten de klanten een van de zestien wascellen tegen de zijwanden. Daar stonden een kleine wasmachine en een wasbak met handwringer. De gevaarlijke centrifuge mocht alleen door personeel worden bediend. Het ophangen in de droogkast en het opvouwen was weer werk voor de huisvrouw zelf.

De toeloop was zou groot dat in 1928 samenwerkende vrouwenorganisaties agiteerden voor méér gemeentewashuizen, verspreid over de stad. SDAP-kopstuk De Miranda (net even géén wethouder) sloot zich er tijdens een actiemeeting op 16 november in gebouw Concordia p het Weesperplein volmondig bij aan: “Spreker wekte ten slotte zijn gehoor op er toe mede te werken, dat de waschtobbe spoedig als een bezienswaardigheid uit het verleden in het Historisch Museum in het Waaggebouw te kijk zal worden gezet.”.

Inderdaad kwam er op 27 maart 1933 een tweede washuis (tevens badhuis) bij in de Valkenburgerstraat 167-169. Maar door de economische crisis bleef het bij; sterker nog: het badhuis op het Oostergasfabriekterrein werd op 1 januari 1934 wegens bezunigingen gesloten. In 1942 werd het weer even heropend, maar in 1944 wegens kolennnood weer dicht. Maar na de orlog bleek de behoefte aan washizen weer grot: ‘de Fronemanstraat’ werd na een grote verbouiwing heropend; en in 1955 kwam er op het Manixplein een washuis bij, gekoppeld aan een zwembad en badhuis – het in 2003 gesloten Marnixbad. In de jaren zestig nam de belangstelling weer rap af, door de opkomst van de snelle en goedkope wasserettes en de privé-wasmachine, en de betere huisvesting. In februari 1975 werd het washuis in de Valkenburgerstraat als laatste gesloten. Maar De Miranda kreeg toch nog zijn zin: de wastobbe staat nu in het Amsterdams Historisch Museum!