Nummer 1: Januari 2005



Dorpse woonwijk of armoedig getto?
Een wandeling door de Diamantbuurt
Tekst: Peter de Brock

012005_DiamantbuurtDe Diamantbuurt kwam in oktober in het nieuws nadat Bert en Marja hun woning waren ontvlucht omdat zij zich bedreigd voelden. Gaan we iets verder terug in het verleden, dan stuiten we er onder meer op Gerard Reve, de diamantbewerkers van Asscher en het woonhuis van H.P. Berlage. Tijd voor een wandeling door deze opmerkelijke buurt, waar de rust inmiddels lijkt te zijn weergekeerd.

“Een nederlaag,” reageerde burgemeester Job Cohen in oktober 2004 geschokt nadat Bert en Marja met hun gezin de Diamantbuurt waren uitgevlucht na “een jaar van getreiter en bedreigingen” van een groepje Marokkaanse jongeren. Toen in hun benedenwoning in de Diamantstraat hoek Smaragdstraat de stenen door de ruiten gingen, was voor hen de maat vol. In de dagen die op hun vertrek volgden, streek er een heus mediacircus neer in de wijk die wordt begrensd door de Amsteldijk, Jozef Israëlskade, Van Woustraat en Tolstraat. De gemeenteraad en de stadsdeelraad eisten direct een samenscholingsverbod en installatie van bewakingscamera’s bij de hangplekken in de buurt. Veel buurtbewoners vonden alle ophef overdreven en beschouwden de camera’s als inbreuk op hun privacy en dat terwijl ze nooit overlast hadden ervaren.
Dat al het rumoer een zeer eenzijdig licht op de buurt werpt is jammer. Wie de buurt intrekt zal zich verbazen over de rijke geschiedenis van dit stukje Amsterdam aan de Amstel.
Onze wandeling begint op de hoek van de Van Woustraat en de Jozef Israëlskade, die we opgaan richting de Amstel. Op nummer 415 van deze naar een beroemde 19de-eeuwse schilder vernoemde kade, op de hoek van de Diamantstraat, is literatuurgeschiedenis geschreven. Hier, in zijn ouderlijk huis, schreef Gerard Reve in 1947 De Avonden. Het adres (later overigens omgenummerd), wordt genoemd in de historische openingszin: “Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.” Links van de portiek staat de regenpijp waar Frits van Egters – als hij net na de oudejaarsavond de ouderlijke woning is ontvlucht - het nieuwe jaar 1947 inluidt. “Eerst pissen,” mompelde hij, liep naar de muur en waterde tegen een gootpijp. Steeds meer sirenes en fluiten mengden zich in het geraas. Terwijl hij zijn gulp sloot, keek hij omhoog. Midden aan de hemel was in de bewolking een open plek, waar de sterren helder schitterden.”
We slaan linksaf de Diamantstraat in. We negeren voor even de imposante diamantfabriek Asscher die aan het einde van de straat opdoemt en gaan meteen weer links de Granaatstraat in. Let op de Italiaans aandoende inpandige balkons! De huizenblokken hier van architect Ph.J. Hamers zijn in 1919 gebouwd in opdracht van de christelijke woningbouwvereniging Eigen Haard, die nu een groot aantal woningen in de Diamantstraat, Granaatstraat, Jan Lievensstraat, Lutmastraat en Saffierstraat in de verkoop wil doen. De vraag is volgens tegenstanders van verkoop of de huidige bewoners hun huurhuis wel willen kopen, en meer misschien nog of ze het zouden kunnen.
We slaan rechtsaf de Jan Lievensstraat in, een saaie onbestendige straat die parallel loopt aan de Van Woustraat. Aan het einde bij de Lutmastraat gaan we rechts en meteen links de Robijnstraat in. Hier staat een klein rijtje landelijke huisjes, in 1890-1891 gebouwd door architect Adolf Leonard van Gendt voor de Woning Maatschappij, een van de eerste Amsterdamse woningbouwverenigingen. De grond hier had de Woning Maatschappij goedkoop kunnen aankopen van de gemeente Nieuwer-Amstel en in totaal verrezen er 162 lage arbeiderswoningen in de huidige Robijnstraat, Diamantstraat en Lutmastraat. De keuze voor dit soort romantische en dus relatief dure cottages is tamelijk opmerkelijk, want deze maatschappij had geen sociale doelstelling (de Woningwet was er nog niet) en werkte gewoon commercieel. En met de bouw van de standaard huizenblokken uit de oude Pijp, had de Woning Maatschappij waarschijnlijk veel meer geld kunnen verdienen.

De beroemdste diamant ter wereld
Voordat we rechtsaf de Tolstraat in gaan, werpen we eerst even een blik links op de dichtgekalkte etalageruiten van het voormalige winkelpand van de Boeldag, waar al meer dan elf jaar de laatste verkoopdag wordt aangekondigd: “Alles moet weg! Sluitingsdag 27 mei ’93.” Aan de overkant is sinds 1992 op Tolstraat 91 coffeeshop Greenhouse gevestigd met een bijzonder theatraal interieur. Maar onze wandeling gaat verder rechtsaf de Tolstraat in, een straat die zijn naam dankt aan het voormalige tolhek waar de gemeente Nieuwer-Amstel tol inde voor gebruik van de Amsteldijk. (De helft van de huidige Pijp lag nog tot 1896 op het grondgebied van deze gemeente, die nu Amstelveen heet.) Aan de linkerhand (Tolstraat 127-129) staat de monumentale diamantfabriek Asscher, gebouwd door architect Gerrit van Arkel. De fabriek uit 1907 oogt met de raampartijen, waterspuwers en kantelen als een kruising tussen een middeleeuwse kathedraal en een burcht. Het gebouw is ontworpen volgens de filosofie van de Engelse ontwerper en socialist William Morris, die de op het ambacht gerichte middeleeuwse samenleving als een ideaal uitgangspunt beschouwde.
Op 10 februari 1908 was de naam van de nieuwe diamantfabriek eventjes wereldnieuws, omdat diamantair Abraham Asscher (1880-1950) van de Britse koning Edward VII een unieke opdracht had gekregen: het kloven en slijpen van de Cullinan, de grootste en beroemdste diamant ter wereld. Tijdens de hoogtijdagen van de Amsterdamse diamantindustrie werkten in zijn fabriek 300 diamantbewerkers, waarvan een groot deel ook in de Diamantbuurt woonde. Hoewel hij niet meer gelovig was, voelde Abraham Asscher zich zeer verbonden met de joodse gemeenschap. Hij vervulde veel maatschappelijke functies en werd in 1941 ook voorzitter van de op instigatie van de Duitse bezetter opgerichte Joodse Raad. Abraham Asscher keerde als geestelijk wrak terug uit concentratiekamp Bergen-Belsen en verbrak alle contacten met de joodse gemeenschap. In het oude fabriekspand is overigens aan de linkerzijde nog steeds een kleine diamantslijperij van Asscher gevestigd. In het rechtergedeelte opende in 1993 het Nederlandse Instituut voor Nijverheid en Techniek (NINT; begonnen op de Rozengracht) zijn deuren, totdat het in 1997 als NewMetropolis (nu NEMO) verhuisde naar het Oosterdok. Tegenwoordig is een deel van het Gemeentearchief hier ondergebracht.

Theosofische tempel
Groot is het contrast met het slechts 20 jaar later gebouwde monument aan de overkant: Cinétol (Tolstraat 154-160). Deze voormalige tempel van de Theosofische Vereniging werd in 1926-1927 gebouwd door de Nieuwe Bouwen-architecten Johannes Brinkman en Leendert Cornelis van der Vlugt. De theosofische vereniging werd in 1875 in New York opgericht met als doel om zonder beperkingen van religies en politici “een milieu te scheppen waarin ernstige mensen samen kunnen zoeken naar de zin van het leven.” De theosofie beleefde rond de eeuwwisseling ook in Amsterdam een korte bloeitijd. Een paar steenrijke volgelingen, onder wie Willem B. Fricke en de weduwe Petronella Catharina Meuleman-Van Ginkel, woonden sinds 1890 samen op Amsteldijk 76, het informele hoofdkwartier van de beweging. Vanwege de populariteit bleek al snel een grotere vergaderruimte nodig. Hiervoor kocht de speciaal opgerichte P.C. Meulemanstichting in 1905 het hele binnenterrein tussen Amsteldijk, Lutmastraat, Diamantstraat en Tolstraat. In 1908 werd daar eerst een nieuwe houten vergaderzaal geopend, een ontwerp van H.P. Berlage. Die deed 20 jaar dienst (tot de ronde tempel klaar was die er nu nog staat) en werd pas in 1983 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe buurthuis van architect H. Cornelisse, het linker gebouw.
Theosofen zijn dol op geometrische figuren als cirkels en driehoeken, waaraan veel symbolische betekenissen worden toegekend. Bij deze voormalige tempel is dat ook goed te zien. Aandacht was er vooral voor de lichtwerking in het gebouw: de theosofen waren immers op zoek naar het licht. Kort na de oplevering van het gebouw kreeg de beweging helaas een grote teleurstelling te verwerken. Krishnamurti, die gezien werd als reïncarnatie van Christus, vertrok uit de theosofische beweging en zorgde daarmee voor een splitsing die ook in Amsterdam tot gevolg had dat het ledental sterk slonk. Steeds vaker moest de zaal in de Tolstraat worden verhuurd aan anderen. In 1943 eiste de Duitse bezetter het gebouw op om er bioscoop Thalia te openen. “In Thalia in de Tolstraat, daar werd zondagmiddag live muziek gespeeld, in de oorlog!” herinnerde Simon Vinkenoog zich jaren later. Na de bevrijding kregen de theosofen zelf hun gebouw weer in handen, maar het bleef een bioscoop, eerst onder de naam Cultura, later als Cinétol. Deze bioscoop was bij een jong publiek snel geliefd, want exploitant Cor Koppies, de latere oprichter van Cinecenter, programmeerde er uitsluitend artistieke en cultfilms. Cinétol sloot in 1979, waarna er korte tijd nog een Turkse moskee in heeft gezeten. De noodlijdende theosofen probeerden het gebouw begin jaren tachtig tevergeefs aan een projectontwikkelaar te verkopen. Dankzij actiegroep Geen gesol met Cinétol staat de voormalige theosofische tempel nu op de monumentenlijst, en doet dienst als openbare bibliotheek. Overigens is er ook nog steeds een archief ondergebracht van de theosofische beweging.
Voordat we rechtsaf de Amsteldijk op gaan, werpen we een blik links op het Gemeentearchief, dat sinds 1914 gehuisvest is op nummer 67, in het voormalige raadhuis van de gemeente Nieuwer-Amstel. Tot 1889 stond hier de Bergenvaarderskamer, het gildehuis van de stokvisverkopers en schippers die op Bergen in Noorwegen voeren. De gemeente Nieuwer-Amstel liet er, bijna aan de rand van haar grondgebied (dat tot de huidige Ceintuurbaan liep) in 1892 nog een nieuw raadhuis bouwen, maar het onvermijdelijke gebeurde: de gemeente werd in 1896 goeddeels geannexeerd door Amsterdam en daarbij kwam ook dit in neorenaissancestijl opgetrokken raadhuis binnen de stadsgrenzen te liggen. Op de plek van de Amsteldijk 76 (waar de theosofische commune huisde) stond in de 19de eeuw aardewerkfabriek Nieuwburg, bekend van het Amstelporselein. En nog veel eerder lag hier een groot landgoed, waar eigenaar Gerrit Janszoon Coop in 1687 een katoendrukkerij begon. Voorbij de wig tussen nummer 78 en 79 opende in 1836 de grote glasblazerij Vos, Hanrath en Wiegel. Veel stokers en glasblazers woonden aan het dwars op de Amstel liggende Verwerspad (nu Tolstraat), omdat ze nu eenmaal afhankelijk waren van het water. Op Amsteldijk 80 woonde tussen 1908 en 1914 architect Berlage.
We slaan rechtsaf de Lutmastraat in, met twee rijen landelijke arbeiderswoningen van de Woning Maatschappij. Bij de kruising met de Diamantstraat gaan we tweemaal links en belanden in de Saffierstraat. “De sfeer is overdag bijzonder aangenaam. Het ziet er niet uit als een klassieke probleembuurt,” reageert oud-Saffierstraatbewoner Lennart Booij op de PvdA-website naar aanleiding van de recente incidenten in de fraai gerestaureerde wijk. “Maar dat is deels schijn.” Volgens de campaigner en televisieprogrammamaker zijn de kleine sociale huurwoningen niet berekend op grote allochtone én autochtone gezinnen “met lange pubers in stapelbedden”. En ontbreekt een goed buurthuis, sociale controle en politiebescherming. “Mooi aangeharkte armoede is nog steeds armoede.”
We lopen de Saffierstraat door tot aan de Smaragdstraat. De twee monumentale kasteelachtige woonblokken van Amsterdamse-Schoolarchitect J.C. van Epen zijn in 1925 gebouwd door de Stichting Amsterdam van de Algemene Woningbouw Vereniging (AWV), waardoor de bouw gefinancierd is buiten de woningwetlening om. De woningen weken bij oplevering af van de gebruikelijke corporatiewoningen, ze waren groter en voorzien van een doorspoeltoilet en badkamer met ligbad. Met een huur van twaalf gulden in de week, waren het huizen voor de beter gesitueerde leden van de sociaal-democratische AWV, van hoofdonderwijzers tot vakbondsbestuurders.

Evacués op de Amsteldijk
Bij de Smaragdstraat slaan we linksaf en lopen naar de hoek met de Amsteldijk. Daar, in de grote voorkamer en suite van nummer 96, opende in 1927 Godfried de Jong, de vader van historicus Loe de Jong, melkzaak De Sierkan. Achter de winkel woonde Loe als scholier en student. Als jochie vormde hij met buurtgenootjes de straatvoetbalclub DVO (De Vuile Onderbroek), maar als tiener moesten hij en zijn tweelingbroer Sally ook vaak na schooltijd flessen melk nabezorgen in de wijk. Jan de Jong (geen familie), destijds loopjongen en later voorzitter van de Algemene Woningbouw Vereniging, kwam eind jaren dertig vaak in De Sierkan, en weet nog dat “de klanten, die er vanouds bleven plakken, bedrukt de toestand van de wereld bespraken.” Na de meidagen van 1940 werden op de grote zolders van het Amsteldijk-complex evacués van het bombardement op Rotterdam ondergebracht. Voor de joodse buurtbewoners moesten de grote rampen toen nog komen. Na de eerste razzia’s in februari 1941 troffen de huurophalers van de AWV steeds vaker lege woningen aan en verplaatste het bestuur uit voorzorg ledenregistratie en bewonersarchief naar een van de werkplaatsen. Jan de Jong weet ook nog dat op kantoor al snel na de eerste deportaties mensen “die geen lid waren en met de Duitsers heulden” langskwamen om een woning op te eisen. De AWV weigerde aanvankelijk elke medewerking, maar na een schrobbering door nazi-kopstuk Aus der Fünten op het SS-hoofdkwartier in de Euterpestraat zwichten ze begrijpelijk voor de druk. De Jong: “Na de oorlog hebben we van alles ondernomen om die grijze muizen weer van onze woningen af te krijgen. Maar dat kon niet op grond van de huurbeschermingsregels.”
We lopen terug de Smaragdstraat in. In de benedenwoning op nummer 95 (vroeger nummer 23) was tientallen jaren het bescheiden hoofdkantoor van de AWV te vinden, waar Jan de Jong in 1935 als 15-jarige jongste bediende werd. Van hieruit werden iedere maandag en dinsdag door vier opzichters in de hele stad huis aan huis de huren opgehaald. Op dinsdagavond hield het bestuur hier spreekuur: dan stond er steevast een rij voor de deur.

Stort of kuip
We lopen de Smaragdstraat uit richting het badhuis op het Smaragdplein. Het hoekhuis Smaragdstraat 1, schuin ertegenover, is de woning die Bert en Marja (die in de Volkskrant een geruchtmakend dagboek publiceerden) op 19 oktober 2004 halsoverkop verlieten na hoogoplopende conflicten met de Marokkaanse jongeren die ’s avonds voor het badhuis rondhangen. Het badhuis van architect Westerman uit 1926 is nu een oefenruimte voor bands, maar had vroeger een belangrijke buurtfunctie. “Mijn vader en ik gingen er altijd heen op vrijdagavond en mijn moeder en zusje op zaterdagmorgen, want we hadden thuis geen douche of bad,” vertelt oud-buurtbewoner Ad van Moock in Harry Storks boek Het geheim van de Albert Cuyp (1994). “We kochten om vijf uur een kaartje en dan waren we om acht uur aan de beurt. Je nam voor een dubbeltje stort of kuip.”
We lopen langs de rechterkant van het badhuis door naar het eigenlijke plein met centraal een voetbalkooi, rechts de in Amsterdamse-Schoolstijl opgetrokken islamitische basisschool El Arquam (voorheen Floris V-school/Jan Lievensschool) en links een rustiek hofje in Engelse stijl met fraaie gevelsteen waarop de namen prijken van het Eigen Haard-bestuur, commissarissen en architect anno 1931. Na deze wandeling op een grijze wintermorgen moeten we even hard niezen. “Gezondheid!” roept een passerende Marokkaanse man ons vriendelijk toe. Ook dat is de Diamantbuurt denken we, als we de buurt, die het nieuws haalde als getto maar oogt als een romantisch dorp, verlaten via het poortje naar de Jan Lievensstraat en Van Woustraat.