Nummer 4: April 2004

De ‘verkeerde’ nering van de Kaak

Het jongensbordeel van Adrianus Kakebeen (1851-1941)

Tekst: Theo van der Meer

042004_KakebeenDe morsige en onverbeterlijke Adrianus Kakebeen (1851-1941) heeft met tussenposen vele jaren in de gevangenis moeten doorbrengen. Soms vanwege diefstal, maar meestal omdat hij minderjarige jongens had aangezet tot ‘ontucht’ met mannen. De politie deed geregeld invallen in zijn ‘homobordelen’ en de Tweede Kamer nam in 1910 strengere zedenwetten aan mede op basis van het dossier van ‘de Kaak’. Wie was deze onfrisse figuur en wat speelde zich af in zijn huizen?

In de avond van 5 augustus 1910, omstreeks acht uur, stapt inspecteur Van Beek van de rijksrecherche in een portiek in de Saenredamstraat, vlak bij de Ruysdaelkade. Al maanden achtereen observeert hij, verdekt opgesteld, de woning van Adrianus Kakebeen. Daar wordt zoals op zoveel plekken in de Pijp prostitutie bedreven. Hier vinden we echter geen hooggehakte vrouwen in pikante lingerie, in Saenredamstraat 12 huis werken jongens in korte broek en minderjarige dienstplichtigen in uniform. Het huis van Adrianus Kakebeen is een homobordeel en rendez-vous gelegenheid.

Tegenwoordig weet een beetje Amsterdammer wel dat homoprostitutie zich grotendeels afspeelt in de omgeving van de Paardenstraat bij het Rembrandtplein en rond de Spuistraat. Jongens uit alle delen van de wereld – al dan niet homoseksueel - bieden er hun diensten aan aan (goed) betalende klanten in min of meer luxueuze relaxruimtes. In Kakebeens dagen ging het niet zo professioneel toe, deed het eerder allemaal wat louche aan. Het waren vooral niet-homoseksuele jongens die zich voor een extraatje lieten overhalen tot contact met mannen. Voor de jongens waren veel seksuele handelingen ook volstrekt taboe, maar voor veel homoseksuele mannen boden die jongens nu eenmaal de enige mogelijkheid tot seksueel contact.

Adrianus Kakebeen, kortweg de Kaak, geboren in 1851 in de buurt van Rotterdam, was een vies en mottig mannetje. Hij had een grote neus, grote mond, een druipsnor en was pokdalig. Hij was ook puur van de penoze. Op de waslijst van zijn zonden stond behalve koppelarij, geweldpleging, diefstal, heling, valsemunterij en wapenbezit. Alleen als homoseksueel week hij af van de meeste van zijn maten in het kwaad. Maar van die nood had hij een andere (on)deugd gemaakt. In zijn jonge jaren had hij zichzelf geprostitueerd en als het zo uitkwam had hij klanten beroofd of gechanteerd. Nog op zijn oude dag pochte hij dat hij als jongen altijd geweten had hoe hij aan geld moest komen. Nadat hij in 1895 in Amsterdam was neergestreken, had hij als bordeelbaas eerst zijn kwartier gemaakt in de Paardenstraat. Na een veroordeling daarvoor in 1900 tot een jaar gevangenisstraf zette hij zijn bedrijf elders in de stad voort. In de Pijp betrok hij Saenredamstraat 12 huis.

Kennelijk liep zijn nering daar ook in het oog. In maart 1910 begint inspecteur Van Beek er voor het eerst in de straat te posten. “Met tact en scherpzinnigheid” bespiedt hij maandenlang het komen en gaan bij huize Kakebeen. Tot hij op 5 augustus door collega’s van de gemeentepolitie uit ‘hun wijk’ wordt gebonjourd. Ze spreken hem op die drukkend warme dag aan, juist nadat hij zijn post in het portiek had betrokken: “Wat of hij hier aan het doen was,” vroeg het tweetal hem schijnheilig. Het was duidelijk: hij diende de zaak aan hen over te laten. Ze namen de surveillance over en hielden ‘de koppelaar’ na een maand aan. Jongens, klanten en buren werden als getuige gehoord. Midden 1911 draaide Kakebeen voor drie jaar de bak in. Homoseksualiteit was in Nederland al 100 jaar niet meer strafbaar; wel strafbaar - zoals met alle “ontucht” - was het uitbaten van minderjarigen.

De Kaak en de minister

De zaak van Kakebeen drong ook door tot het Haagse. De katholieke minister van Justitie Regout had juist zijn voorstellen voor een omvangrijke herziening van de zedenwetten aan de Tweede Kamer gestuurd, toen Kakebeen werd opgepakt. Snel liet hij nog een rapport opstellen over de Kaak en zijn nering, dat kamerleden voor de debatten vertrouwelijk mochten inzien. Regout – volgens velen een zedelijkheidsapostel - verkondigde al jaren dat homoseksualiteit om zich heen greep doordat meerderjarige “wellustelingen” het op jonge jongens hadden voorzien. Kamerleden konden in het rapport lezen hoe op een keer zo’n “wellusteling” in Kakebeens woning bij keuze tussen een 17- en 20-jarige prompt de jongste had gekozen: zie je wel, hoe jonger hoe beter! Regouts wetten werden aangenomen en tot 1971 was homoseksuele omgang tussen meerder- en minderjarigen strafbaar (art. 248bis). De leeftijdsgrens voor heteroseksuele omgang bleef 16 jaar.

Na zijn vrijlating uit de Scheveningse gevangenis in 1914, liep Adrianus Kakebeen al snel weer tegen de lamp. In 1916 kreeg hij een jaar wegens heling aan zijn broek. Nadat hij ook die straf had uitgezeten, zette hij zijn ambacht als bordeelbaas voort, nu in de Grote Bickerstraat en vanaf midden 1920 op het Singel 321, hoek Raamsteeg. Datzelfde jaar nog deed de politie daar een inval. Dit keer waren ook de klanten erbij wegens overtreding van 248bis. Zeven van hen kregen straffen van vier maanden tot twee jaar. De Kaak, inmiddels 70, moest vijf jaar opknappen.

Wie zich de smoezelige en onverbeterlijke Kakebeen voor de geest probeert te halen, zal er vast niet aan willen denken hoe diens bordelen eruit gezien moeten hebben. Nee, zijn huis in de Saenredamstraat was niet chic: geen rode trijp en vergulde spiegels aan de muur, of zwoele verlichting, maar een gewone Amsterdamse woning met een paar kamers, een alkoof, een ruime keuken. Het meubilair bestond uit oude troep.

Stel je een drukke dag voor in Kakebeens huis. Er zitten een man of tien rondom een tafel in de keuken: volwassen mannen, een paar oudere jongens in militair uniform, een paar jongens in korte broek. Enkele aanwezigen spelen kaart. De anderen zitten elkaar monkelend op te nemen. Een van de jongens zit een man aan te halen. De Kaak is elders in het huis. Af en toe komt hij binnen, pakt een fles jenever uit een kastje, vult glaasjes bij, en zet een paar streepjes op een leitje. De soldaten krijgen een biertje, de jongste jongen een glaasje grenadine. Daarna loopt hij weer weg. Opeens staat de man die door de jongen werd aangehaald op en loopt ook weg. Even later steekt Kakebeen zijn hoofd om de hoek van de keukendeur en wenkt de jongen.

Als het allemaal afgelopen is, rekent de bezoeker af met de Kaak. Zoveel jenevers plus gebruik van een kamer en handdoeken, maakt bij elkaar een paar gulden. De jongen krijgt ook een paar gulden van de klant. Hij heeft met de man afgesproken dat ze elders in de stad nog wat gaan drinken. De man gaat als eerste de deur uit en loopt alvast naar de Ruysdaelkade. Vijf minuten later laat de Kaak de jongen uit en vraagt hem snel nog eens langs te komen. Omdat het een goeie dag is, hoeft de jongen niet voor zijn biertje te betalen. Zo is het in de verbalen van de politie beschreven!

Dat de jonge jongens van 16 of 17 jaar de klanten in korte broek bedienden, was niet omdat ze hoopten met hun blote benen eerder te worden gekozen door een klant. Je eerste lange broek was tot begin 20ste eeuw een mijlpaal in je ontwikkeling van jongen naar man. Die bereikte je pas aan het einde van de puberteit. Weer of geen weer: jongens onderscheidden zich van de mannen door hun korte broek. Ook zo iemand als Simon Carmiggelt kreeg in 1930 pas op zijn 17de zijn eerste lange broek van zijn vader, en dan nog alleen maar omdat hij toen voor een krant ging werken. Waarschijnlijk vonden sommige klanten zo’n korte broek wel opwindend. En mannen die op dienstplichtigen ‘peesden’, voelden zich juist weer aangetrokken tot het huzarenuniform. Huzaren droegen een broek met leren zitvlak en sommige versies van hun uniform hadden bovendien een kort jack, dat boven de broek was afgesneden. De oude Kakebeen schepte er jaren later nog over op dat in zijn kroeg in de Paardenstraat veel huzaren plachten te komen. Dat behoefde geen verdere uitleg!

Een onschuldig smoeltje

“Ik ben de beste hoer van het huis,” zei een van de jongens van Kakebeen een keer tegen een klant. De meeste van de jongens die bij de Kaak over de vloer kwamen, gebruikten dat woord niet voor zichzelf. Het waren arbeidersjongens, voor hun vertier op de straat aangewezen. Ze wilden er volwassen uitzien; ze wilden roken, en naar zoiets spannends als de bioscoop gaan. Of ze wilden achter de meisjes aan, maar al moesten ze vaak hard werken, ze hadden geen cent te makken, zeker niet als ze in dienst zaten. Ze wilden op (seksuele) ontdekkingstocht, maar privacy was – anders dan geslachtsziekte - rond 1900 een zeldzaam goed. En er deed altijd wel dat verhaal de ronde over ruggenmergtering! Als je ‘het’ zelf deed kon je krankzinnig worden, zei Kakebeen tegen jongens, maar als een ander ‘het’ bij je deed was het niet zo erg. Daar kwam het dan meestal ook op neer: de klanten deden ‘het’ bij de jongens en die kregen een paar kwartjes, soms een paar gulden toe. De meeste jongens zouden liever dood gevonden worden, dan iets terug te doen.

De 17-jarige Jan B. zal over de Kaak gehoord hebben van zijn twee jaar oudere broer Peter. Beiden waren kind aan huis toen Kakebeen in de Grote Bickerstraat woonde. Als je alleen de politieverhoren leest, krijg je de indruk dat de jongens louter slachtoffer waren van boosaardige wellustelingen, die hen op willekeurige plekken van de straat plukten. Zoek je wat verder, dan blijkt dat veel jongens vlak bij elkaar woonden, of met elkaar in dienst lagen. Ze hoorden van elkaar hoe je een paar kwartjes kon verdienen. Een beetje jongen van de straat wist in die dagen heus wel waar Abraham de mosterd haalde. En een jongen die in de Kalverstraat werd aangesproken door een vreemde met de vraag hoe laat het was en dan een borrel kreeg aangeboden, hoefde voor een antwoord echt niet op de klok van de Munt te kijken!

De jongens van Kakebeen werden vaak ook aangetrokken door het criminele sfeertje om de man: vanwege de centen of de spanning, of allebei. Kakebeen had tot op hoge leeftijd ook altijd knapen om zich heen, die het thuis niet uithielden vanwege ruzies. Sommigen hadden misschien zoals Peter B. een onschuldig smoeltje, maar stalen als de raven en schuwden daarbij geen geweld.

De jongens in het bordeel kwamen dan misschien uit armoedige thuissituaties en waren soms al met twee benen het slechte pad op gegaan, de klanten van Kakebeen kwamen uit alle lagen van de bevolking: een letterkundige (“bulkt van het geld,” zei de Kaak), een burgemeesterskandidaat uit Limmen, een hbs-leraar uit Den Helder, een administrateur uit Rotterdam, een handelsreiziger, een kantoorklerk, en een arbeider uit Amsterdam. Het merendeel van de klanten was eerder zelf gesjochten jongen. Ze hadden als handelsreiziger of als kantoorklerk misschien iets verder geleerd dan de jongens van de Kaak, maar ze hadden de pech homoseksueel te zijn in een tijdperk dat daar van gruwde. Een psychiatrisch rapport over de 35-jarige handelsreiziger Salomon Lam zegt meer over toenmalige opvattingen dan over de boosdoener. Hij was “raar”, “een raar ventje”, “een halve gare”, “idioot”, “brutaal”, “verbrassend”, “arrogant”, “gemeen in zijn mond”, “babbelig”, “zeer coquet”, “een eigenaardig type”, “een blagueur”, zelfs “een Don Juan tegenover vrouwen”. Hij waste zich te vaak en nog wel over het hele lijf. Als kind op school had hij altijd een druipneus. “Idiotie” kwam in zijn familie veelvuldig voor en zijn vader had syfilis gehad. Terwijl hij al jaren dezelfde betrekking had, beweerde het rapport dat hij er geen kon houden. De “halve gare” had al een eerdere veroordeling achter de rug. Hospita’s en buren, soms getipt door de politie, bespioneerden hem als hij bezoek ontving. Hij was meermalen hardhandig op straat gesmeten. Eigenlijk was hij altijd de pineut.

Zedenwet 248bis

De meeste jongens van de Kaak zullen hun herinneringen aan hem bij de overige familiegeheimen opgeborgen hebben. Ze trouwden en kregen kinderen. Sommigen waren of werden professionals, zoals ene W.M.: hij pikte zelf klanten op van de straat en nam ze mee naar het huis van Kakebeen. Na de veroordeling van de Kaak in 1921 trouwde hij, kreeg kinderen en toonde zich een waardig opvolger van “de ouwe”. Hij liet soms jongens voor zich werken en chanteerde zelf de klanten.

Een enkeling onder de jongens had zelf misschien meer belangstelling voor mannen dan voor vrouwen, maar kozen toch voor een huwelijk. Ze bleven echter gewoon bij de Kaak komen…

In de loop van 1926 kwam Adrianus Kakebeen terug uit de gevangenis in Scheveningen. De Amsterdamse zedenpolitie hield hem daarna in de peiling. Al was hij inmiddels de 75 gepasseerd, de politie vertrouwde hem voor geen cent. En terecht niet. Hij begon geen nieuw jongensbordeel, maar was zelf veelvuldig klant van minderjarige jongens. Sommigen pikte hij op bij een urinoir. Behalve ‘oude jongens’, kwamen ook oude klanten nog bij hem aan huis, onder hen ook de “halve gare”, Salomon Lam. Hij had de Kaak tijdens een van diens verblijven in de gevangenis brieven gestuurd om hem moed in te spreken. Nu, op zijn beurt, probeerde Kakebeen een van de jongens ertoe aan te zetten Lam te beroven of te chanteren, desnoods met geweld. De opbrengst diende wel met de ouwe gedeeld te worden.

Eind december 1928 rekende de politie Kakebeen in. Hij liep toen met honderden guldens en gestolen goed op zak. Negen maanden later, na de hele weg tot en met de Hoge Raad te hebben afgelegd, betrok hij – bijna 80 – opnieuw een cel in de Scheveningse gevangenis. Hij was schuldig aan overtreding van de wet (248bis) waaraan zijn veroordeling in 1911 mede had bijgedragen. Vier jaar later keerde hij voorgoed terug in Amsterdam. De vele jaren in de gevangenis, noch zijn leven aan de zelfkant hebben hem klein gekregen: hij stierf in 1941, 90 jaar oud.

Dr. T. van der Meer is historicus.