Nummer 9: September 2004

Ruzie in de orkestbak

Hoe Mengelberg zijn musici bijna tot staken dreef

Tekst: Marius van Melle

092004_MengelbergHonderd jaar geleden beleefde het Concertgebouworkest misschien wel het meest turbulente jaar in zijn bestaan. Hoogoplopende conflicten die bijna tot een staking leidden, een dirigent die het ontslag van een derde van de musici wist door te drukken: wat was er aan de hand in de muziektempel in de Van Baerlestraat?

Op 4 februari 1904 vond in het Paleis voor Volksvlijt een grootse huldiging plaats van H.M. de koningin-moeder Emma. Het was namelijk een kwart eeuw geleden dat zij zich in Nederland vestigde. Er stond veel zang en voordrachtskunst op het programma, toepasselijk voor een manifestatie waarvan de opbrengst zou gaan naar het door Emma gestichte sanatorium voor longlijders Oranje-Nassau Oord. Maar het had niet veel gescheeld of het hoogtepunt van de middag was niet doorgegaan: de uitvoering van de feestcantate door het Concertgebouworkest geleid door de componist zelf, Willem Mengelberg. De musici dreigden namelijk te staken. Een repetitie hadden ze al laten schieten omdat ze zich wilden beraden op de situatie. Met moeite wist administrateur-directeur Willem Hutschenruyter de orkestleden ervan te overtuigen dat zo’n stap niet erg gelukkig zou zijn. Aan de uiteindelijke uitvoering van de feestcantate viel overigens niet te horen dat de stemming achter de lessenaars niet zo feestelijk was. Nieuw was de muziek voor het orkest trouwens niet, want deze was al uitgevoerd bij het koninklijk huwelijk in 1901 en nu alleen van andere tekst voorzien.

Dit Concertgebouwconflict vormde de apotheose van een al langer durende machtsstrijd tussen de zakelijk directeur en de artistiek directeur van het orkest: Hutschenruyter en Mengelberg. De zakelijk directeur ergerde zich zeer aan Mengelbergs inefficiënte manier van werken en zijn dictatoriale houding tegenover het orkest. De musici van hun kant, verenigd in Semper Crescendo en gesouffleerd door erelid Hutschenruyter, stelden steeds luider de repeteerwijze van de dirigent en diens wispelturige gedrag ten opzichte van individuele musici aan de kaak. Ook hekelden ze de interne financiële relatie tussen winstgevende orkest- en verliesgevende gebouwexploitatie binnen één vennootschap. De kritiek vond echter geen gehoor, niet bij de dirigent én niet bij het bestuur. Het bestuur wenste geen inmenging in de bedrijfsvoering van de kant van musicerende employés. Bovendien stond het niet toe dat het gezag van de steeds fameuzer wordende dirigent ten principale ter discussie zou worden gesteld, want zijn roem bracht immers geld in het laatje. Het opteerde nog liever voor het verlies van het orkest – of van een gedeelte daarvan – dan voor een mogelijk door het orkest afgedwongen ontslag van Mengelberg.

Willem Hutschenruyter (1863-1950), telg uit een Rotterdams geslacht van musici, was als (tweede) hoornist bij het Concertgebouworkest begonnen, maar nam van lieverlee zoveel administratieve taken over van de oude bedrijfsleider Willem Stumpff dat hij vanaf 1897 niet meer meespeelde. Kennelijk om diens opvolging op scherp te stellen vroeg hij drie jaar later ontslag, waarop hij maar al te graag terugkwam om voor vijf jaar als administrateur te worden benoemd. Als intermediair tussen bestuur en orkest – hij deelde de loonzakjes uit en suste de spanningen die Mengelberg opriep – gold hij voor het bestuur als een onmisbare steunpilaar. Daarvan was hij zich wel bewust, want eind 1902 diende hij weer ‘tactisch’ zijn ontslag in. Ditmaal om gedaan te krijgen dat het bestuur de zakelijke en artistieke bevoegdheden zou afbakenen, omdat de vage scheiding daarvan tot conflicten met Mengelberg leidde. Dat was overigens de eerste poging daartoe in de geschiedenis van het Nederlandse kunstmanagement. Ook deze keer slaagde hij in zijn opzet, en in de zomer van 1903 trok hij de ontslagaanvraag in. Hij mocht zich in het vervolg zelfs directeur-administrateur noemen.

In november daarop volgend diende Hutschenruyter bij het bestuur een nota in waarin voor medezeggenschap van de musici werd gepleit. Hij wilde af van de individuele contracten die willekeur mogelijk maakten en bepleitte een collectief contract. De musici zouden verder deel moeten hebben aan de exploitatie. De bedoeling was om “het orkest in zekeren zin te doen participeeren in de meerdere of mindere welvaart van de zaak; het een adviserende stem te geven in die zaken, waarbij zijn belang ten nauwste betrokken is en den toestand van vogelvrijheid, waarin het zich thans bevindt, op te heffen.” Dit als gezagsondermijnend ervaren voorstel versterkte zijn positie binnen het bestuur allerminst, temeer daar er net een bestuurswisseling had plaatsgevonden. Voorzitter P.A.L. van Ogtrop, met wie ‘Hutsch’ het goed kon vinden, was overleden; nieuwe gezichten waren diens neef H.J. van Ogtrop en Mengelbergs vriend en buurman Charles Boissevain. Na eerst met redelijk succes zijn relatie met Mengelberg op scherp te hebben gezet om deze in zijn artistieke hok terug te duwen, zette Hutschenruyter nu zijn verhouding met het bestuur op het spel.

‘Een geest van verzet’

De emoties binnen Het Gebouw waren eind november 1903 behoorlijk opgelopen. Juist een paar weken daarvoor was de beroemde Gustav Mahler voor het eerst op bezoek geweest, wat het begin zou zijn van een succesvolle samenwerking tussen de componist-dirigent en Mengelberg. De samenwerking tussen Mengelberg en de orkestmusici verliep daarentegen steeds moeizamer. Begin december kwam een conflict tussen Mengelberg en solo-cellist Isaac Mossel tot ontploffing, omdat de laatste volgens de dirigent “voornamelijk bij de repetities tegenwerkt, brutaal is in houding en gezegden en een geest van verzet kweekt onder de orkestleden, waardoor een onhoudbare toestand is ontstaan.” Dit conflict bleek een veel bredere strekking te hebben dan een onverenigbaarheid van karakters. Die onhoudbare toestand is, schreef Mengelberg aan het bestuur, voor een deel het gevolg van het optreden van directeur-administrateur Hutschenruyter, “die zijn nieuwen titel misbruikt en de orkestleden onder den indruk brengt alsof híj alles, de heer Mengelberg niets te zeggen heeft.” Het bestuur zat nu klem: weliswaar wilde het wel van de even temperament- als talentvolle Mossel af, maar op het oplaaien van het conflict tussen de dirigent en de administrateur zat het beslist niet te wachten. Hutschenruyter was ook moeilijk aan te pakken, want in het orkest was hij geliefd en in de organisatie van het Concertgebouw nam hij een centrale plaats in. Ten aanzien van zijn positie concludeerde het bestuur dan ook tactisch: “temporiseeren, hoe moeilijk ook, schijnt dus op het ogenblik in het belang van het Concertgebouw noodzakelijk.” Om er retorisch aan toe te voegen: “zal het bij de bestaande disharmonie tusschen de HH. Hutschenruyter en Mengelberg mogelijk blijken?”

Toen het bestuur echter besloot om op te gaan treden tegen de orkestmusici zonder Hutschenruyter daarin te kennen, besloot deze op zijn strepen te gaan staan en opnieuw zijn ontslag in te dienen. Het bestuur hield dat stil om geen olie op het vuur te gooien en zelf sprak hij er ook met niemand over, wellicht hopend dat deze zet net zo gunstig zou uitpakken al de vorige twee keer. Maar toen de nieuwe voorzitter J.A. Sillem na afloop van de zondagmiddagmatinee van 6 december 1903 het orkest bestraffend toesprak en liet blijken geheel aan de zijde van Mengelberg te staan, kon Hutschenruyter wel bevroeden dat het anders zou lopen.

Op de toespraak van Sillem volgde een brief van tweede dirigent André Spoor, ondertekend door 47 orkestleden. Daarin werd gesignaleerd dat “in het orkest een geest van gedruktheid, van moedeloosheid” heerste vanwege de onrust die Mengelbergs wijze van repeteren veroorzaakte. Het orkest zelf en Hutschenruyter zorgden er echter voor dat deze “steeds zooveel mogelijk bedwongen is”. Voorzitter Sillem had van Spoor en de zijnen al eerder mondeling begrepen dat Mengelbergs houding tijdens repetities onuitstaanbaar werd gevonden: “plagerig, onnoodig vermoeiend en arrogant”. Mengelberg had echter ook aanhangers binnen het orkest. Dat bleek uit de ‘Mossel-affaire’, toen enkelen uit dat kamp bereid waren om bij het bestuur tegen de cellovirtuoos te getuigen. Dat groepje werd aangevuurd door solo-hoboïst Carl Krüger, een Duitse musicus die al 25 jaar in Nederland woonde en die een paar jaar eerder Hutschenruyter was opgevolgd als voorzitter van de Amsterdamsche Toonkunstenaars Vereeniging. Het is dus wel verklaarbaar dat deze eerste vakbond van musici in Nederland, die net tien jaar bestond en die veel leden van het Concertgebouworkest in zijn gelederen had, zich zo afzijdig hield tijdens de conflicten in de Van Baerlestraat. Dit zou een rol spelen bij de bestuurswisseling later tijdens het conflict, toen Krüger door de leden werd weg gefloten om weer plaats te maken voor ‘Hutsch’.

Een slepende affaire

Alle opgekropte spanningen kwamen in 1904 tot uitbarsting. Begin januari besloot het bestuur de ontslagaanvraag van Hutschenruyter in te willigen. Voor de vervulling van de vacature toverde bestuurslid Boissevain de oplossing uit zijn hoge hoed. Zijn zwager H. de Booy was net als luitenant-ter-zee-eersteklas gepensioneerd en die zou uitstekend geschikt zijn om met straffe hand het orkest weer op koers te krijgen. Om de schijn van familiaire belangenverstrengeling binnen de N.V. te vermijden, zou Boissevain zijn bestuurszetel beschikbaar stellen. Mengelberg was hier fel tegen en dreigde zelfs met ontslag: voor hem liever Boissevain dan De Booy. Maar het bestuur bleek niet te vermurwen. Ook niet toen de orkestvereniging Semper Crescendo in een door zestig leden ondertekende brief – alle musici op tien na, vermoedelijk de groep-Krüger - een beroep deed op het bestuur om Hutschenruyter alsnog voor de N.V. te behouden, indien hij zijn ontslagaanvraag zou intrekken. Behalve bij bestuurssecretaris Richard van Rees maakte deze actie op het bestuur geen enkele indruk. Het weigerde nu zelfs elk contact met de orkestvereniging. Ook de door deze naar voren geschoven bemiddelaar mr. J.A. Levy kreeg geen voet tussen de deur.

Het was in deze situatie, dat de orkestleden besloten de stokken en de rieten in het foedraal te laten en te gaan staken. Zoals gezegd wist ‘Hutsch’ ze daarvan af te brengen, zodat op 4 februari 1904 opgetreden kon worden voor Emma. Die kon later die middag nog genieten van een optreden van Mengelberg achter de vleugel, op de viool begeleid door zijn vriend Charles Boissevain.

Van ongenoegen binnen het orkest was die dag geen spoor te bekennen, maar het conflict sleepte zich nog maanden voort en in de pers werd er ook uitvoerig over gerapporteerd. Zowel binnen als buiten het Concertgebouw deed bovendien het publiek van zich horen; met applaus, boegeroep, bloemenhulde, petities, adressen en ingezonden brieven in kranten poogde het invloed uit te oefenen op de afloop van de affaire. Vooral toen bleek dat degenen werden weggewerkt die zich het meest hadden ingezet voor de ideeën betreffende meer zeggenschap en democratischer verhoudingen binnen Het Gebouw, zwol de kritiek van pers en publiek op het bestuur en op de rol van Mengelberg aan. Met name het in mei aangekondigde ontslag van tweede dirigent André Spoor kwam hard aan. Het ontging een deel van de dagbladpers ook niet dat het wel heel toevallig was dat op voorspraak van Mengelberg vooral joodse musici ontslag werd aangezegd. En dat waren bijna allemaal prominente orkestleden, die bij concerten de eerste partijen speelden en in de persverslagen steevast werden bejubeld. Binnenskamers viel hij bovendien wel eens te betrappen op antisemitische stereotyperingen.

Op 7 juni 1904 maakten ten slotte de overgebleven orkestleden de gang naar Canossa om individueel een nieuw arbeidscontract te ondertekenen. Een collectief contract, waarvoor ‘Hutsch’ en Semper Crescendo zich sterk hadden gemaakt, was voor het bestuur onbespreekbaar. Pas ruim een halve eeuw later zou dat gerealiseerd worden, lang nadat de vereniging Semper in 1906 was opgeheven omdat het bestuur van de N.V. elk contact afhield. Negen jaar lang zou er in het Concertgebouw geen vereniging van orkestmusici bestaan. De autoritaire bevelsstructuur had voorlopig gewonnen. Door de fameuze Grote Zaal klonken nu naast melodieuze geluidsgolven ook marinecommando’s.

Grimlachend keek het satirische weekblad De Ware Jacob op het conflict terug. Mengelberg werd daarin de tekst in de mond gelegd: “In ’t Concertgebouwconflict / Heb ik Hutsch eruit gewrikt / (Hij heeft nog geen woord gekikt) / - Hutsch is er erg van geschrikt; / Dat heeft Krüger me verklikt. - / Steun heb ik in dit conflict / Van ’t bestuur, dat trouw mij likt / En goedkeurend tot me knikt.”

M. van Melle is historicus en freelance journalist.

Met dank aan Florian Diepenbrock