Nummer 10: Oktober 2003



Hulp voor Amsterdamse bleekneusjes

Een eeuw Trein 8.28 H.IJ.S.M.

Tekst: Marcella van der Weg

102003_TreinZe kenden elkaar van de exprestrein van 8.28 uur naar Parijs, waarin veel handelsreizigers vanuit Amsterdam naar Rotterdam reisden. Aangedaan door een triest verhaal over een ziek jongetje, richtte een groepje reizigers in 1903 ín de trein een vereniging op die zwakke en zieke kinderen in vakantiehuizen wilde laten aansterken.

Op 1 oktober 1903 – nu honderd jaar geleden - reed de exprestrein Amsterdam–Parijs van 8 uur 28 het Centraal Station uit, richting Rotterdam. Op weg naar hun werk trof een aantal handelsreizigers elkaar vrijwel dagelijks in die trein van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.). Maar deze ochtend verliep anders dan andere. J.L. Cohen, inspecteur van een levensverzekeringsmaatschappij, had zijn medepassagiers het “schrijnende” verhaal verteld van een ziekelijk jongetje dat door gebrek aan frisse lucht maar niet herstelde. De ouders hadden geen geld om het kind naar buiten te sturen. Cohen wilde het er niet bij laten zitten en stelde de heren in zijn coupé voor een vereniging op te richten om zwakke of zieke kinderen ter genezing uit te zenden naar een bosrijke omgeving. Het idee vond niet alleen enthousiast bijval, een naam was ook al snel gevonden: Trein 8.28 H.IJ.S.M.

Onvermoeibaar ronselde Cohen elke morgen nieuwe leden in de trein van 8.28 uur, en met succes. Toen dik drie weken later in hotel-café De oude Graaf in de Kalverstraat de eerste ledenvergadering werd gehouden, telde de vereniging al 150 leden. Met de contributie van tien cent per week wilde de Amsterdamse vereniging “zwakke of herstellende kinderen van mindergegoeden van alle gezindten” een tijdje frisse buitenlucht laten “happen”.

Nu was dat ‘mindergegoed’ een rekkelijk begrip, zoals de aanwezigen zelf ook onderkenden. Men dacht er aanvankelijk vooral aan “kinderen van den fatsoenlijken burgerstand (die het in den tegenwoordigen tijd toch reeds zoo hard te verantwoorden heeft) in de gelegenheid te stellen het verblijf buiten te genieten, dat zij vaak voor versterking van hun gestel zoo hoognoodig hebben.” Na de officiële bekrachtiging van de vereniging meenden de kersverse leden ervan dat juist de hardwerkende maar sappelende kleine middenstander wel een steuntje kon gebruiken. Immers: “De vereenigingen voor vacantie-koloniën zorgen thans alleen voor de kinderen van den werkman.”

Trein 8.28 was namelijk niet de enige organisatie die zich het lot van de zogenoemde bleekneusjes aantrok. Al sinds 1883 kende Nederland de vakantiekolonies, tehuizen aan zee of in de bossen waar zwakke kinderen in zes weken konden aansterken. Voldoende buitenlucht en goede voeding moesten de gevreesde ziekte tuberculose voorkomen en de gezondheid van de arbeidende klasse verbeteren. Bijkomend voordeel was dat de arbeiderskinderen tijdens hun verblijf kennismaakten met een “beschaafde” leefwijze. Heel wat Amsterdamse ‘stumpertjes’ kwamen echter niet in aanmerking voor uitzending, omdat hun ouders de verlangde financiële bijdrage niet konden opbrengen. Zoals bijvoorbeeld kinderen van kleine neringdoenden of van laagbetaalde (losse) arbeiders. Trein 8.28 ontfermde zich over deze “arme kleinen”.

Boslucht, tranen en heimwee

Het pas aangestelde bestuur van Trein 8.28 stroopte voortvarend de mouwen op, maar kreeg al snel te maken met roddel en achterklap binnen eigen gelederen. Zo zou de voorzitter – op wiens werk niets viel aan te merken - onder meer “intiemen omgang” hebben gehad met een “dametje van slecht allooi” en dat paste niet in het beeld van een onberispelijke vereniging. Hij vertrok, tegenstribbelend en met medeneming van de gloednieuwe, “prachtigen presidentshamer”, waarin de naam van de vereniging was gegraveerd.

Niet veel later volgde nog een tegenslag: het eerste uitgezonden ‘stumpertje’ kwam slechter terug dan het vertrok. Trein 8.28 had het jochie, dat door een heupontsteking al bijna twee jaar aan bed gekluisterd was, voor herstel naar de “zoo gewenschte boschlucht” gestuurd. Maar gekweld door heimwee naar zijn moeder was het knaapje binnen vier dagen alweer thuis. De vereniging liet zich echter niet ontmoedigen. Nog datzelfde jaar zond ze 24 andere Amsterdamse bleekneusjes naar vakantiekolonies in de gezonde buitenlucht. Er zouden er in de komende decennia nog duizenden volgen.

“Het zijn dezelfde kinderen niet meer,” jubelde een bestuurslid dat een groepje kinderen tijdens de thuisreis had begeleid. “Vroeger meestal lusteloos, bleek, nu opgeruimd, vroolijk, met een blos op de wangen.” Een andere dame raakte diep ontroerd toen zij zag hoe ouders en kinderen elkaar bij terugkeer op het Centraal Station vreugdevol begroetten; daarbij werd menig “traantje geplengd”. Ook sommige onderwijzers – die regelmatig een kind voor uitzending aanmeldden – lieten weten dat de kinderen na terugkomst met meer “lust en opgewektheid” het onderwijs volgden.

Trein 8.28 stuurde alleen kinderen naar een ‘vakantiekolonie’ als een verblijf in de buitenlucht kans op verbetering of genezing bood en richtte zich steeds nadrukkelijker op het voorkomen van tuberculose, een ‘hot item’ in die dagen. Opname en ontslag geschiedden uitsluitend op medisch advies – en daarbij liet de vereniging zich soms weinig aan de ouders gelegen liggen.

Zo ondervond ook een vader die op het Centraal Station tevergeefs op zijn dochtertje wachtte. Het meisje was, zonder dat de ouders daarvan wisten, “voor haar eigen bestwil” nog een tijdje op het verzorgingsadres gehouden. De man was helemaal terneergeslagen “en had zelfs werk om zijn tranen te weerhouden.” Hij wilde zijn dochter “zoo gaarne” weer eens zien maar kon haar door “slappe verdiensten” zelf niet opzoeken.

Tehuizen voor alle gezindten

Dokters wil was wet, gold ook nog begin jaren vijftig toen Peter Koenders (59) door Trein 8.28 werd uitgezonden om over zijn kinderziektes heen te groeien. “Als de arts zei dat het moest, dan ging je. Het kwam niet bij je ouders op om ‘nee’ te zeggen.” Bij hoge uitzondering zeiden ouders dat toch, zoals het echtpaar dat na een wekenlange innerlijke strijd hun kind naar huis haalde. In hun bedankbriefje aan het bestuur schreven ze: “Wij konne niet langer buiten haar, wij ware geheel van in de war.”

Gewichtstoename betekende in die dagen dat het kind vooruitgang boekte. Flink eten (pap!) was dan ook het motto in de herstellingsoorden en de aangekomen kilo’s werden nauwkeurig bijgehouden. Het wegen, zo herinnert Henny Reusink (56) zich, was een heel evenement: ten aanschouwe van alle verzamelde familieleden werden de kinderen op een podium gewogen. “Ik stond daar op die weegschaal en toen sprak een verpleegster: ‘Dit is Henny Reusink. Ze is niet aangekomen, maar ze laat zich de kaas niet van het brood eten.’” Reusink moest aansterken, maar had zo’n heimwee dat het met dat eten niet zo wilde lukken. “Ik zie mezelf nog alleen aan een lange tafel zitten, achter de hangop. Je mocht pas opstaan als je je bordje had leeggegeten.”

Koenders en Reusink verbleven beiden in Vossenveld, een voormalige villa in Soest die Trein 8.28 midden jaren twintig als tweede eigen pand had aangekocht. De vereniging maakte in de eerste jaren onder meer gebruik van tehuizen van andere verenigingen zoals Bethanië in Zeist. Maar al snel groeide de behoefte aan een eigen gebouw. De exploitatie daarvan zou voordeliger zijn, waardoor er meer kinderen naar buiten konden. Bovendien wilde de vereniging niet langer afhankelijk zijn van het regime van andere instellingen. Zo bleek het soms lastig een plekje te vinden voor wat oudere Amsterdamse jongens “die van verveling altijd niet weten wat zij zullen uitvoeren” en deelde het personeel in Bethanië – tot grote schrik van Trein 8.28 - “lijfstraffen” uit.

Maar een eigen huis kostte geld. De vereniging – afhankelijk van het contributiedubbeltje en donaties – bracht zichzelf daarom energiek en soms ludiek onder de aandacht van het publiek. Zo tufte er in de jaren dertig een promotielocomotief door de Amsterdamse straten - overigens moesten ouders toen al naar draagkracht bijdragen in de verpleegkosten. De fondsenwervingsacties wierpen hun vruchten af en op 8 mei 1911 was het zover: Trein 8.28 opende in Soest de eerste van vijf eigen tehuizen. Omdat de vereniging zich binnen de sterk verzuilde kinderuitzending inzette voor kinderen van alle gezindten, huurde ze in Den Dolder een huis waar het keukenpersoneel speciaal voor joodse bleekneusjes koosjer kookte.

Dagelijkse onderbroekencontrole

In de eigen tehuizen merkte Trein 8.28 nu zelf hoe lastig het was al het personeel in de hand te houden. Een zuster ontpopte zich bijvoorbeeld als een “hysterica” met losse handjes en een directrice van de Nieuwe Weg in Soest haalde zich de woede van het bestuur op de hals door “barbaarsch” op te treden tegen bedwateren. Zelf noemde ze haar methode om kinderen het bedplassen af te leren – waarbij ze de ‘boosdoeners’ onder meer met de bevuilde lakens sloeg – zeer succesvol. Het bestuur deelde haar zienswijze niet.

Peter Koenders had in Vossenveld niets te klagen; hij vond het er heerlijk. “We trokken dagelijks in rijen de natuur in en zongen dan heel toepasselijk liederen als ‘De paden op, de lanen in.’” Die ene keer dat de ouders op bezoek mochten komen, had de jonge Koenders geen tijd voor ze, hij speelde liever buiten. Om de weerstand verder op te bouwen sliepen de kinderen ’s middags een uurtje buiten, in op het zuiden gesitueerde lighallen. Tot de dagelijkse routine behoorde ook – en Henny Reusink kan er nóg niet over uit – “het controleren van de onderbroeken”. Met de uitgetrokken onderbroeken opengesperd voor zich uit, moesten de kinderen langs een zuster lopen. “Die wierp er dan een blik in; of ie nog een dagje meekon.”

Feestelijke onderbrekingen dienden zich op gezette tijden ook aan. Voor de verjaardag van koningin Juliana – die zich een belangstellende ‘buurvrouw’ betoonde - sloofden de kinderen zich al weken van tevoren uit. Een meterslange strook papier werd volgetekend (het cadeau), er werd een lied ingestudeerd en de bleekneusjes bekwaamden zich in het klepperen-op-maat. Op de grote dag boden ze de tekening aan en defileerden al klepperend en zingend langs het bordes van paleis Soestdijk. “Dat cadeau,” giert Reusink, “verdween later natuurlijk achter de rododendrons.”

Al in het midden van de jaren vijftig begon het aantal uitzendingen te dalen – en die trend zette zich door. Trein 8.28 zag zich gedwongen huizen af te stoten. De gedachte dat een jong kind thuis bij het gezin hoorde, raakte steeds wijder verbreid en de volksgezondheid verbeterde. Begin jaren zeventig schafte het kleuterhuis Petten zelfs het bordje havermout af: door de toegenomen welvaart moesten de kinderen eerder vermageren dan aankomen.

Ondertussen nam Trein 8.28 steeds vaker moeilijke of onhandelbare kinderen onder haar hoede; de aandacht verlegde zich naar het “geestelijke bleekneusje”. Uitzending, zo meende het huis in Petten in 1971, doorbrak de vicieuze cirkel tussen kind en ouder en gaf het kind ook letterlijk even de ruimte. Want thuis “raakt men geïrriteerd omdat er geen leef- en speelruimte is, niet in de woning maar ook daar buiten niet. Vooral in een stad als Amsterdam, waar de straten door geparkeerde auto’s worden geblokkeerd en er door de drukte van het verkeer geen speelruimte is voor het kind.” Ook kreeg het kind in Petten regelmaat – daar ontbrak het thuis nogal eens aan.

Kinderen in achterstandswijken

Het huis in Petten sloot als laatste in 1974 zijn deuren: het aanbod van kinderen voor uitzending kwam niet meer overeen met de daaraan verbonden financiële lasten. Het instituut, zo concludeerde de vereniging, heeft zichzelf overleefd. En dus boog het bestuur zich over de vraag: hoe nu verder? Een bestuurslid meende dat “Trein 8.28 thans op een punt is gekomen waar beslist dient te worden of de reis niet ten einde is.” Maar het eindstation is vooralsnog niet in zicht: sinds een krappe dertig jaar geeft de vereniging op kleine schaal financiële ondersteuning aan “kinderen die in hun ontwikkeling bedreigd zijn”. En dat is, geeft de huidige voorzitter Lex Kan grif toe, “zeer breed”. “De bleekneusjes van tegenwoordig,” glimlacht Kan, “boeken een last-minute vlucht naar Torremolinos. Voor een groot deel van de bevolking is dat binnen het bereik gekomen. Onze doelgroep schuift met de tijd mee; er zijn nu andere kinderen die een beroep op ons doen.” Zo hebben de Amsterdamse ‘stumpertjes’ veelal plaatsgemaakt voor allochtone kinderen in achterstandswijken. “In buurten waar ouders niet in staat zijn een bijdrage te betalen, willen wij bijvoorbeeld scholen helpen om een vakantiekamp te organiseren. Dat doen we graag en zoiets ligt nog dicht bij het oorspronkelijke doel van de vereniging.”

Trein 8.28 heeft haar grenzen verruimd, ook letterlijk. Een project dat Kan - in het dagelijks leven kinderpsycholoog – na aan het hart ligt is een school in India, waarvoor Trein 8.28 het startkapitaal leverde. Hij bracht het project zelf in. Dichter bij huis helpt de vereniging bijvoorbeeld ook gehandicapte kinderen die een liftje nodig hebben om hun rolstoel in de auto te krijgen. “Of we kopen een fiets voor een ama [een alleenstaande minderjarige asielzoeker], of voetbalschoenen voor een jongetje in de Bijlmer wiens ouders dat niet kunnen betalen. We zoeken echt naar kinderen die zich met wat hulp beter kunnen ontplooien.”

En daarbij laat de vereniging niet zozeer de regeltjes als wel het hart spreken. “We hebben weliswaar grenzen vastgesteld voor het doneren, maar soms zegt een van ons gewoon: ‘Jongens, dit moeten we doen. Hier heb ik een goed gevoel bij.’” Zoals Kan ook een goed gevoel heeft bij een relikwie uit het verleden: nog steeds betaalt ieder bestuurslid jaarlijks € 5,20 - het wekelijkse ‘dubbeltje’. “Dat heeft een licht folkloristische karakter. Maar dat mag.”

M. van der Weg is freelance journalist.

Bronnen

Archief Trein 8.28 H.IJ.S.M.

Frank von Winckelmann, Trein 8.28 H.IJ.S.M. Honderd jaar geschiedenis van een Amsterdamse vereniging voor het zorgbehoevende kind, Lustrum-herdenkingsboek 2003