Nummer 2: Februari 2003



De stallen van Zeeburg

Waar koeien en varkens Amsterdam inkwamen

Tekst: Peter-Paul de Baar

022003_ZeeburgerdijkAan het allerlaatste stuk van de Zeeburgerdijk, bij de pijlers van de Amsterdamse Brug, zijn onlangs onverwacht de fundamenten opgegraven van een groot stallencomplex. Hoe oud waren die stallen, wanneer werden ze gesloopt en waar dienden ze voor? Met behulp van de 18de-eeuwse stadsgeschiedschrijvers Commelin en Wagenaar konden de stadsarcheologen het raadsel oplossen.

Vanaf molen De Gooijer aan het eind van de Oostenburgergracht loopt de Zeeburgerdijk naar de oostelijke stadsrand. Het eerste deel van die dijk, met 19de-eeuwse huizenblokken, heeft een stads karakter. Waar de huizen ophouden, en rechts het Flevohuis (verzorgingshuis) oprijst, begint de dijk parallel te lopen aan de drukke Zuiderzeeweg. Die loopt omhoog naar de Amsterdamse Brug (en verderop de Schellingwouderbrug). Dit is het einde van de oude stad. De Zeeburgerdijk houdt hier op, of, beter gezegd, ze maakt een scherpe hoek naar het zuiden, onder de Zuiderzeeweg/Amsterdams Brug door, en gaat daar Westelijke Merwedekanaaldijk heten.

Als we hier de Zeeburgerdijk opklimmen, zien we het water van de Nieuwe Vaart (uit 1650), met daarachter het Oostelijk Havengebied, vroeger de zompige kwelders langs het IJ. Op de hellende strook land vlak achter de dijk staat een charmant huis in landelijke stijl met houten voorhuis (rond 1900 nog genummerd Zeeburgerdijk 193, sinds omstreeks 1915 nummer 321 en sinds kort 633-641). Vanaf de zijkant gezien blijkt het twee puntgevels naast elkaar te hebben, dus oorspronkelijk waren het twee pandjes. Een huis met historie, zoals we zo dadelijk zullen zien.

Hokken vol mest

Tussen het eeuwenoude dijkje en het Nieuwe Diep (ten zuiden van de Zuiderzeeweg) wil stadsdeel Zeeburg een ‘helofytenfilter’ maken, een filtersysteem voor het water uit het Nieuwe Diep. Dat is een reeks aaneengeschakelde meertjes, beplant met riet. Bij het weggraven van de grond tussen de voet van de dijk en de pijlers onder de Zuiderzeeweg stuitten de graafarbeiders eind vorig jaar onverhoeds op zware funderingen. Zij waarschuwden hun chef en die alarmeerde stadsarcheoloog Jerzy Gawronski en zijn medewerkers. Uiteindelijk bleek het te gaan om een groot rechthoekig complex van zo’n 40 bij 23 meter. In het zuidelijk deel waren langgerekte booggewelven te zien, het noordelijk deel was verdeeld in twee rijen rechthoekige hokken. Uit de potscherven tussen en naast de fundamenten kon worden afgeleid dat ze waarschijnlijk uit de tweede helft van de 18de eeuw dateerden. Maar bovendien werd in diverse hokken mest gevonden. En toen beseften de onderzoekers dat ze grote veestallen hadden opgegraven.

Wat voor stallen dat waren, daar hadden ze in eerste instantie geen benul van. Gawronski weet veel van de Amsterdamse geschiedenis, maar alle details heeft hij nou ook weer niet paraat. In Ons Amsterdam werd 1991, in een serie wandelingen langs de IJ-oevers, al eens dat oude pand achter de dijk besproken: dat was de herberg Zeeburg, in deze vorm gebouwd in 1675 en sindsdien op heel wat prenten afgebeeld. Zeeburg (Seeburgh) betekent: bescherming tegen de (Zuider)zee. Aanvankelijk sloeg dat op de dijk langs het IJ (nu Zeeburgerdijk/Diemerzeedijk), die waarschijnlijk dateert uit het begin van de 14de eeuw en waarvan ook de Sint Antoniesdijk, de Zeedijk, de Nieuwendijk, de Haarlemmerdijk en de Spaarndammerdijk deel uit maakten. Tamelijk bekend was ook dat die herberg stond op de plek waar ooit een soort bewoond fort stond, als extra versterking tegen de woelige Zuiderzee en eventuele vijanden die maar al te graag die dijk wilden doorsteken. Dat was namelijk nogal makkelijk: de Diemerzeedijk was een heel smalle dus kwetsbare strook tussen het IJ (uitloper van de ongetemde Zuiderzee) én het Nieuwe Diep. Dat binnenmeer ontstond in 1422, toen door een springvloed de Diemerzeedijk al eens doorbrak!

Die versterking heette, op z’n Frans, de Redoute ofwel Reduite Seeburgh. Dat hoge huis bestond van 1646 tot 1669, toen het grootste gevaar voorbij leek. Ervoor in de plaats kwam herberg Zeeburg. Ook die heeft heel wat meegemaakt. Van 1925 tot in de jaren zeventig was het het kantoor van de Quarantaine-inrichting Zeeburg, later Noodziekenhuis Zeeburg: de patiënten woonden in barakken langs de dijk ten westen van het kantoor, waar sinds kort appartementencomplexen staan.

‘Schepen met mager Varckens’

Dat daartegenover ook stallen waren geweest, was nou ook weer niet helemáál onbekend. Ton Heijdra, auteur van vele buurtgeschiedenisboeken, noemt ze terzijde in Indische Buurt, van Seeburgh tot Zeeburg (2000) En in 1984 citeerden Hans Huijboom en Vladimir Mars in hun charmante boekje Te voet Amsterdam uit al de ANWB-gids Wandelingen om Amsterdam uit 1927 van Amsterdam-kenner A.E. d’Ailly (oom van de burgemeester). Daarin had hij het niet alleen over de herberg, maar ook over een nabije ‘schuur’ waarin vee werd gestald.

De kennis van alle genoemde auteurs blijkt ten slotte terug te voeren op de mededelingen van de 17de- en 18de-eeuwse stadsgeschiedschrijvers Isaac Commelin en Jan Wagenaar. Ook stadsarcheoloog Gawronski las die dikke, in leer gebonden boeken nu weer met rode oortjes. “Digter naar de Stad, op een hoek van den Zeedyk,” schrijft Wagenaar, “werdt in ’t jaar 1649 een steenen reduit opgeworpen, Zeeburg genaamd; doch twintig jaaren daarna werdt dezelve wederom afgebroken, en eene Herberg in de plaats gestigt, die nog den naam Zeeburg draagt.” Commelin schreef al in 1693 in zijn Beschrijvinge der Stadt Amsterdam over de sloop van het ‘reduyt’ Zeeburg, in 1663: “Maar in den Jaren 1675, ter plaatze voornoemd, is een heerlijke Herberg, mede Zeeburg genaamt, getimmert, by de Regenten van de Oude-zyts Huyssitten Armen tot [= te] Amsterdam, daar bij een lange Brug in Zee, waaraan de Schepen aen komen en haar inhebbende Vee op lossen. In ’t voorjaar komen. In ’t voorjaar komen hier de Schepen met magere Varckens aan, en geschieden des Satur- en Sondags de meeste handelinge in de zelve, daar toe de Kooopluyden van alle gewesten uyt Hollandt en andere Provinzien komen, en werd daarin zeer groote handel gedreven. Tot gerief van dese magere Varkens sijn drie grote Schuren en veel Hocken gemaakt. Ook kan men daer, soo wel als aan den Overtoom en elders, seer schoone Y Baers, Bot en andere Vis bekomen, leggende dese plaets soo pleisant, als ergens soude konnen bedacht worden.”

Kortom: er lag hier al een steiger waarop vee uit de rest van het gewest Holland en van elders naar Amsterdam werd aangevoerd. Die werden daar ook verhandeld, en voor de dieren die niet meteen verkocht werden, kwamen er nu stallen.

Zoals Commelin meldde, waren steigers, herberg en stallen het eigendom van het Oudezijds Huiszittenhuis, ook wel Oudezijds Huiszitten-armenhuis genoemd. Dat was een stedelijke instelling voor armenzorg, niet voor zwervers maar voor ‘huiszittende armen’. Je had zo’n instelling voor de Oude Zijde (ten oosten van de Amstel) en voor de Nieuwe Zijde (de westoever). De eerstgenoemde was sinds 1610 gevestigd aan het Waterlooplein, hoek Weesperstraat, in het complex waar nu de Academie van Bouwkunst te vinden is. Wagenaar weet te vertellen dat de regenten van dit Huiszittenhuis al in 1539 van het stadsbestuur het recht kregen om alle vee dat uit Friesland, Gelderland en Overijssel kwam te ontschepen. Dat wilde zeggen: zij schiepen daarvoor de faciliteiten: een lange veesteiger die naast de herberg uitstak in het IJ, een herberg waar de veekooplieden konden eten, drinken en overnachten en stallen voor het niet meteen aan Amsterdamse slagers verhandelde vee. Daarvoor mochten ze weer een bedragje vragen aan alle vee-importeurs. In de praktijk verpachtten de ‘Huiszittenmeesters’ dit recht aan anderen, en dat leverde ze geld op waarmee de liefdadige activiteiten konden worden bekostigd.

Behoud van de fundamenten

De gevonden fundamenten zijn overigens niet die van de allereerste stallen, maar dateren uit 1769, toen er een veel uitgebreider complex werd gebouwd. Maar ook van de alleroudste stallen bleek toch iets terug te vinden: een vloertje.

Aan het nut van herberg en stallen voor de veehandel kwam een eind nadat de gemeente in 1887 een heus Gemeentelijk Abattoir had gesticht in de Rietlanden, iets meer stadswaarts, aan de huidige Veelaan. Sindsdien werd het vee daar rechtstreeks heengebracht, niet alleen meer per boot, maar ook per trein. De stallen bleven nog tot 1938 staan (blijkt uit artikeltjes uit dat jaar in Maandblad Amstelodamum), eerst als bewoonde boerderij, later als opslagplaats van bouwmaterialen.

Het klinkt raar, maar behalve met de muurtjes, waren de archeologen vooral blij met de gevonden mest. Die stuurden ze meteen naar het laboratorium! Ontleding daarvan kan namelijk leren wat varkens en koeien destijds te eten kregen. Maar het kan nog wel maanden duren voor het laboratorium met conclusies komt.

Opgegraven fundamenten blijven zelden zichtbaar; de meeste archeologen hebben geleerd daarmee te leven. Ze zijn al blij als ze even mogen graven vóór ergens een groot nieuwbouwcomplex wordt neergezet. Des te blijer is Jerzy Gawronski dat het dit keer iets anders gaat. Stadsdeel Zeeburg heeft besloten dat in die filtermeertjes tussen het riet ook best wat rustieke oude muurtjes boven water uit mogen steken. En dat is een mooi plan.