Nummer 2: Februari 2003



Tussen kerk en synagoge

Het ontstaan van het Mr. Visserplein

Tekst: Liesbeth van der Horst

022003_VisserpleinWaar vanaf de 17de eeuw het levendige centrum van de jodenbuurt ontstond, plande het gemeentebestuur in de jaren vijftig van de 20ste eeuw een groot verkeersknooppunt: het Mr. Visserplein. Hele bouwblokken werden ervoor gesloopt. Over pakweg 5 jaar gaat het plein opnieuw op de schop. Tot die tijd mogen kinderen zich hier in de voetgangersonderdoorgang uitleven in kinderspeelplaats Tun Fun, dat deze maand zijn deuren opent.

De onaantrekkelijkste plek van Amsterdam is misschien wel het Mr. Visserplein. Eigenlijk is het geen plein, maar een verkeersknooppunt; een onoverzichtelijke wirwar van auto’s, trams en fietsen, ontstaan door een verkeersplan: plan 5, dat op 22 januari 1953 door de gemeenteraad werd aangenomen. Dit ambitieuze plan paste in de jaren van de wederopbouw. Het tijdens de oorlog gebombardeerde Rotterdam werd in die tijd ingrijpend vernieuwd en maakte een grote economische bloei door. Amsterdam dreigde een achtergebleven openluchtmuseum te worden. Dat wilde de gemeente voorkomen. Ook Amsterdam moest grootschalige, moderne nieuwbouw krijgen in nieuwe stadsdelen in Noord en de Bijlmermeer. Daarbij hoorde natuurlijk een netwerk van moderne verkeerswegen: de metro, de IJtunnel, de Coentunnel en de Schellingwouderbrug.

Om de toevoer van het verkeer naar de IJtunnel mogelijk te maken werd drastisch ingegrepen in de tijdens de oorlog door leegstand vervallen joodse wijk. De bebouwing langs beide zijden van de Weesperstraat werd gesloopt zodat er een brede verkeersweg ontstond. Voor de directe toegangsweg de tunnel in werden de oostzijde van de Foeliestraat en de Valkenburgerstraat gesloopt en de Markengracht gedempt. Aan het eind van de twee wegen verdwenen tussen de Houtkopersburgwal en de Jodenbreestraat tientallen huizen en winkels, aan de oostkant van de Mozes- en Aäronkerk ging de aangrenzende bebouwing tegen de grond en het ernaast gelegen politiebureau en het anatomisch-fysiologisch laboratorium verdwenen eveneens (zie de plattegrond uit 1956). Bij deze grootscheepse sloopactie verdwenen ook de omliggende straten: de Lazarussteeg met in het verlengde ervan de Markensteeg, een deel van de Rapenburgerstraat en het Markenplein. De vlakte die hier ontstond werd gebruikt voor een verkeerstunnel en een voetgangersonderdoorgang, met daarboven een tramhalte van lijn 9 op een overbrugging. Dit nieuwe verkeersknooppunt kreeg de naam Mr. L.E. Visserplein, naar de joodse president van de Hoge Raad die tijdens de bezetting fel protesteerde tegen de anti-joodse maatregelen. (Hij stierf een natuurlijke dood in februari 1942.) De autotunnel werd in juni 1969 volledig in gebruik genomen, de onderdoorgang voor voetgangers in oktober 1970.

De later verguisde ingreep, stuitte destijds nauwelijks op kritiek. Het moderne plein vervulde veel Amsterdammers met trots. Het Algemeen Handelsblad schreef dat er vanwege de toenemende intensiteit van het verkeer in de toekomst vele van zulke voetgangersonderdoorgangen in de stad zouden verschijnen. “Bij het ontwerpen is een pleinvormige ondergrondse ruimte ontstaan, verfraaid met plastieken e.d., die door de jeugd ook kan worden gebruikt voor ludieke doeleinden. Bij deze fraaie inrichting heeft ook de politie inspraak gehad. (...) Het is voor de eerste keer in Amsterdam, dat hier een kunstwerk is gemaakt, waarbij op deze grote schaal voetgangers- en rijverkeer met elkaar zijn verweven zijn.” Ons Amsterdam schreef in mei 1968: “In de directe nabijheid treffen wij hier aan de Portugees-Israëlitische Synagoge, het complex van de Nederlands-Israëlitische Synagoges, de Mozes en Aäronkerk en de Academie van Bouwkunst. De aanwezigheid van deze gebouwen is in belangrijke mate bepalend geweest voor de wijze van uitvoering van de auto-onderdoorgang.”

Bij de graafwerkzaamheden voor de tunnels kwamen enkele archeologische vondsten te voorschijn, die afkomstig bleken uit het middeleeuwse Leprozenhuis.

Leprozen en scheepswerven

Precies op de plaats van het huidige Mr. Visserplein werd, waarschijnlijk in 1402, het Leprozenhuis of Sint Antoniesgasthuis gebouwd, een van de oudste zorginstellingen van Amsterdam. Het lag destijds, vanwege de besmettelijkheid van lepra (ofwel melaatsheid) buiten de stad, aan de Sint Antoniesdijk die liep van de Sint Antoniespoort (nu de Waag) naar Muiden. Een maal per jaar, op koppermaandag, de maandag na Driekoningen, mochten de melaatsen de stad in om de huizen langs te gaan voor aalmoezen. De dag groeide uit tot een volksfeest, dat zo uit de hand liep dat de jaarlijkse rondgang in 1604 werd verboden.

In de 16de eeuw werden bij het Leprozenhuis de eilanden Marken, Uilenburg en Rapenburg aangelegd waar scheepswerven werden gevestigd. Door de stadsuitbreiding van 1593 kwam het Leprozenhuis binnen de stad te liggen. Het gebouw werd nu ommuurd om de patiënten van de buitenwereld te isoleren. De ziekte kwam toen echter al niet meer zo heel veel voor en verdween op den duur helemaal. Er werden voortaan zwakzinnigen in het Leprozenhuis ondergebracht en later proveniers, mensen die door storting van een som geld het recht op levenslange verzorging hadden gekocht. De scheepswerven werden in het midden van de 17de eeuw verplaatst naar de nieuwe eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg en rondom het Leprozenhuis ontstond een buurt met woonhuizen en kleine bedrijfjes, waar vooral veel gevluchte joden zich vestigden. De Hoogduitse joden lieten er vlakbij een grote synagoge bouwen in 1670, de Portugese joden in 1675. Voor het Leprozenhuis raakte de joodse benaming Lazarushuis in zwang.

De ‘Jodenhoek’ rondom het huidige Mr. Visserplein was een dichtbevolkte buurt. Veel joden – die tot de gelijkberechting in 1796 waren uitgesloten van de in gilden georganiseerde beroepen – bedreven er straathandel. Door de economische stagnatie in de loop van de 18de eeuw verpauperde de buurt. De eerste grote saneringen werden doorgevoerd in de tweede helft van de 19de eeuw. De gemeente nam het vervallen Leprozenhuis over door de meeste proveniers af te kopen met een levenslange uitkering van ƒ 650 per jaar. Op 27 januari 1865 werd een plan van stadsarchitect B. de Greef goedgekeurd om het complex te vervangen door een politiebureau, een armenschool en het anatomisch-fysiologisch laboratorium van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. De uitvoering van het plan werd vertraagd door twee proveniersters die hardnekkig weigerden te vertrekken. Maar uiteindelijk overleed de een en zwichtte de ander voor een afkoopsom van ƒ 20 per week. Het politiebureau en de armenschool werden in 1868 in gebruik genomen, het laboratorium in 1869. De armenschool zou van 1921 tot 1930 dienst doen als doofstommenschool en werd daarna bij het laboratorium gevoegd.

Na de sloop van het middeleeuwse Leprozenhuis in 1868 bleef alleen het poortje naar de binnenplaats behouden. Het werd de toegang tot de binnenplaats van de armenschool. Het poortje werd honderd jaar later, bij sloop van het bouwblok voor de aanleg van het Mr. Visserplein, opgeslagen en in 1976 heropgebouwd in het nieuwbouwblok bij de Sint Antoniesluis, een paar honderd meter van de oorspronkelijke plek. Het biedt er nu toegang tot de binnenplaats van het De Pintohuis in de Sint Antoniebreestraat. Dit ‘Leprozenpoortje’ is hoogstwaarschijnlijk gebouwd door Hendrick de Keyser bij een vernieuwing van het Leprozenhuis in 1609. In het fronton staan naast het wapen van Amsterdam een reliëf van een melaatse man en vrouw met de kleppers waarmee zij vanwege het besmettingsgevaar hun nabijheid bekend moesten maken.

Alles wordt hier tweemaal zo breed en tweemaal zo hoog

De saneringen uit de 19de en begin 20ste eeuw veranderden het typische joodse karakter van de wijk niet, al verminderde de woonfunctie van de buurt door de vestiging van diamantbewerkers. Na de demping van de Houtgracht en de haaks daarop gelegen Leprozengracht in 1882 ontstond het Waterlooplein, waar de markt zich concentreerde. Ook in de Lazarussteeg, de Markensteeg en op het Markenplein – die verdwenen door de aanleg van het Mr. Visserplein – bleven kraampjes staan waar vis, zuurwaren, fruit, textiel en vooral gebruikte goederen werden verkocht. Het was een levendige buurt waar veel Amsterdammers inkopen gingen doen. De Tweede Wereldoorlog maakte hieraan een einde. De joodse bevolking werd gedeporteerd. Tijdens de hongerwinter in 1944-1945 werd het hout uit de leegstaande huizen gesloopt voor in de kachel en het fornuis. Veel bouwvallige huizen werden kort na de oorlog afgebroken.

Al in 1931 had de gemeente plannen gemaakt om de straten tussen de Nieuwmarktbuurt, de Weesperbuurt en de Plantage te verbreden vanwege het toenemende gemotoriseerde verkeer. De plannen, die door de crisis en de oorlog waren blijven liggen, kregen na de oorlog een nieuwe vorm. Het kaalgeslagen, vervallen stuk stad werd gekozen als locatie voor het IJtunneltracé. De Tijd schreef op 21 november 1960 over de oude Jodenbuurt: “Nu de bewoners zijn verdwenen en het leven is geweken, blijkt het decor volkomen uit de tijd. Daarom gaat nergens in Amsterdam de slopershamer heviger worden dan in deze buurt. (...) Alles in de nieuwe Jodenbuurt wordt tweemaal zo breed en tweemaal zo hoog, behalve de schaarse gebouwen die hun plaats zullen behouden: de oude synagoges en de Mozes en Aäron.” Het oorspronkelijke stratenpatroon verdween. De 17de-eeuwse synagogegebouwen kwamen te liggen aan een stuk autosnelweg.

Het verkeersplein dat was aangelegd als een model voor de toekomst, bleek in de praktijk al snel minder ideaal dan verwacht. Al in 1973 werd geconstateerd dat er onvoldoende rekening was gehouden met fietsers en bromfietsers en omdat de voetgangers hardnekkig bovengronds bleven oversteken, werden de oversteekplaatsen gehandhaafd. In de tweede helft van de jaren zeventig kwam er toenemende kritiek op ingrijpende saneringen in de stad. Het Mr. Visserplein werd eerder een bron van ergernis en problemen dan van trots. De onderdoorgang voor de voetgangers raakte vervuild en werd een ontmoetingspunt voor junks en helers aan de rand van de Waterloopleinmarkt, die vanwege de bouw van het stadhuis van 1975 tot 1988 tijdelijk aan de Rapenburgerstraat was gevestigd. Het Amsterdams Stadsblad schreef op 5 januari 1983: “Ondanks het drukke verkeer dat voortdurend rond de tramhalte cirkelt, waagt menigeen zich liever tussen de auto’s dan in de donkere spelonk.” Voor de verkeersveiligheid werd de tramhalte verplaatst. De voetgangerstunnel werd hierdoor nog naargeestiger. De tunnel werd afgesloten met een hek en in 1985 dichtgemetseld.

Een ondergrondse kinderspeelplaats

Vanaf de jaren tachtig zijn de opvattingen over de stadsvernieuwing veranderd. De nadruk is komen te liggen op de woonfunctie van het centrum; nieuwbouw wordt geïntegreerd in de oude bebouwing. Doorgaand verkeer door het centrum wordt zoveel mogelijk vermeden. In 1992 spreekt de Amsterdamse bevolking zich in een referendum uit voor een autoluwe binnenstad. Vermindering van het autoverkeer wordt mogelijk door de aanleg van de ringweg. De zogenaamde Wibautas - de grote verkeersweg van het Amstelstation tot de IJtunnel - verliest hierdoor zijn functie voor het doorgaande verkeer. Er kunnen nu plannen worden gemaakt om de ‘gaten’ in de stadsbebouwing weer te dichten en het verkeer terug te dringen. Maar er blijven complicaties.

Het plan om de rotonde op het Mr. Visserplein te veranderen in een dubbele T-kruising wordt uitgesteld vanwege bezwaren vanuit het bedrijfsleven. De binnenstad zou hierdoor – zolang de Noord/Zuidlijn niet gereed is – onvoldoende bereikbaar zijn. De Wet Geluidshinder maakt de combinatie van woningbouw en doorgaand verkeer moeilijk verenigbaar. Er worden daarom plannen gemaakt voor een lange tunnel vanaf Noord tot aan het Jonas Daniël Meijerplein of zelfs het Weesperplein. Het hele gebied rondom het Mr. Visserplein zou dan bovengronds weer kunnen worden bebouwd. Maar de uitvoering van dit plan blijkt veel te duur. Ook het plan om de tunnels van het Mr. Visserplein op te vullen met zand en te bebouwen verdwijnt weer van tafel. Er wordt jarenlang gepraat; tegen ieder nieuw voorstel zijn weer nieuwe bezwaren.

Ondertussen gebeurt er wel iets. In 1996 worden op de VaRa-strook, de gedempte Markengracht tussen Valkenburgerstraat en Rapenburgerstraat, 350 woningen gebouwd. De weg naar de IJtunnel wordt versmald tot een tweebaansweg. De autotunnel onder het Mr. Visserplein wordt afgesloten, maar de verkeersrotonde blijft – voorlopig – gehandhaafd. Door de bebouwing van de VaRa-strook komen er weer nieuwe straten en krijgt Amsterdam ook weer een Markenplein. Rondom het Mr. Visserplein worden ook twee grote vestigingen voor hoger beroepsonderwijs gebouwd: de Theaterschool in de Jodenbreestraat (op de plaats van het in 1994 afgebroken Maupoleum) en op de kop van de VaRa-strook de Nederlandse Film- en Televisieacademie, die in oktober 1999 wordt geopend.

Zolang de verkeersrotonde op het Mr. Visserplein voorlopig gehandhaafd blijft, zijn de eronder gelegen ongebruikte tunnels slechts tijdelijk beschikbaar voor een nieuwe bestemming. Het is een lege ruimte van meer dan 3000 vierkante meter. Particuliere initiatiefnemers mogen er plannen voor indienen. Discotheek Mazzo wil er een grote danshal van maken. Andere initiatiefnemers hebben plannen voor een kunsthal, een parkeergarage voor touringcars, een oldtimerstalling, een rollerdisco, een complex van repetitielokalen, een ondergronds pretpark en een expositieruimte annex mediacafé. Het Verzetsmuseum dient – als de verwerving van gebouw Plancius dreigt te mislukken – een plan in voor een ondergronds museum over het ondergrondse verzet.

De meeste plannen lopen spaak omdat de investeringen te hoog zijn voor een tijdelijke bestemming. En de gemeente heeft geen haast: “De indieners zullen genoegen moeten nemen met een tijdelijk huurcontract. De gemeente wil namelijk de mogelijkheid openhouden het plein alsnog te bebouwen. Als niemand met een rendabel plan komt, blijft de ruimte de komende tien jaar onbenut,” zegt woordvoerder ir. J. Hock in Het Parool van 17 januari 1996. Een deel van de tunnel wordt in gebruik genomen voor een warmtekrachtcentrale. In 1997 vestigt fietsmakerij en -verhuurder Mac Bike zich in de ingang bij de Mozes en Aäronkerk. Voor de rest van de ruimte wordt pas in 2001 vergunning verleend en deze maand is het zover: de opening van Tun Fun, een speelplaats voor kinderen tot twaalf jaar met een bioscoop, kinderdisco, grote klimconstructies en een voetbalkooi. De open gedeeltes van de tunnel, aan beide zijden van de trambrug, zijn eind 2002 overkapt.

Tun Fun heeft een huurcontract van vijf jaar, maar als de ondergrondse speelplaats succesvol blijkt te zijn wordt het contract misschien wel verlengd, want het blijft moeilijk om tot een definitieve oplossing voor het plein te komen. In 1998 heeft de gemeenteraad – na aandringen van bewoners en gebruikers van de buurt – al besloten om een nieuwe poging te doen tot aanpassing van het IJtunneltracé. Na veel discussies wordt in 2002 een inrichtingsplan vastgesteld: het Masterplan Wibautas. Plannen om er een ‘koninklijke as’ van te maken naar Parijs’ voorbeeld, compleet met triomfbogen, hebben het niet gehaald. In het uiteindelijke, minder ambitieuze plan worden de Wibautstraat en de Weesperstraat veiliger en aangenamer door een brede middenberm met bomenrijen. Op het Mr. Visserplein zal het autoverkeer niet langs vier, maar langs drie zijden van het plein worden geleid. Voor de Portugese synagoge wordt een grote verkeersvrije ruimte gecreëerd, aansluitend op het Jonas Daniël Meijerplein. Ook hier worden bomen geplant. Wanneer dit alles uitgevoerd gaat worden is nog niet vastgesteld... en ook of het hele plan wordt uitgevoerd staat nog niet vast. Een medewerker van de gemeentelijke projectgroep Wibautas meldt: “Er is minder geld voor dan we hadden gehoopt en er is nog discussie over de verkeerstechnische consequenties. Zeker wat betreft het Mr. Visserplein is de uitvoering onzeker.”

L. van der Horst is conservator van het Verzetsmuseum en freelance journalist.