Nummer 10-11: Oktober-November 2002

10112002_Cover


Op het omslag: detail van een toeristische stadsplattegrond uit 1886 (Amsterdam Geïllustreerd). De meest bezienswaardige gebouwen zijn 'in opstand' op de kaart afgebeeld. Gemeentearchief.

- Zwevend boven daken en pleinen
- Wegwijs in Amsterdam
- De dood in kaart
- Voorbij zijn de mooie dromen
- De taal van de kaart
- Altas Amsterdam
- Schaal: één op vijfduizend




Zwevend boven daken en pleinen

Amsterdam in vogelvlucht

Tekst: Bert Gerlagh

10112002_VogelvluchtUrenlang kun je er naar kijken: die priegelig gedetaillerde kaarten met die kleine rode daken en hun schoorstenen, de bootjes in het IJ en de boompjes aan de grachten. De vogelvluchtkaarten hebben een levendigheid en charme die de gewone plattegronden missen. De basis ervan is een plattegrond en een perspectivisch vertekende bebouwing – althans dat was zo toen Cornelis Anthonisz de eerste maakte in 1538. Nu biedt natuurlijk de luchtfoto uitkomst.

In 1544 verscheen de indrukwekkende vogelvluchtkaart van Amsterdam, vervaardigd door de cartograaf, schilder en graficus Cornelis Anthonisz. De kaart was een in prent vertaalde versie van het schilderij dat hij in 1538 had gemaakt en dat sindsdien op het stadhuis hing. Beide kaarten, het schilderij en de houtsnede, tonen de stad vanaf een denkbeeldig punt ergens in de lucht, vanuit het noordoosten: het IJ onderaan, het zuiden boven. De haven ligt vol met schepen; rechts boven, zwevend op een wolk, zit de zeegod Neptunus die het stadswapen vasthoudt. Hoewel naar onze huidige maatstaven Amsterdam nog maar klein was – in het westen begrensd door het Singel, aan de oostzijde door de Kloveniersburgwal en de Geldersekade en in het zuiden niet verder reikend dan tot het huidige Muntplein – was de stad al aanmerkelijk gegroeid sinds de stichting in de 13de eeuw. Zij behoorde inmiddels tot de grootste steden in Holland. Nog voor het jaar 1600 zou de stad een veel sterkere groei doormaken, die een aantal stadsuitbreidingen noodzakelijk maakte en die uiteindelijk zou resulteren in de enorme stadsvergroting in de 17de eeuw. Zover was het nog lang niet in 1544. Desondanks waren bewoners en stadsbestuur trots op hun stad, die – ook toen al – met graagte vergeleken werd met de veel grotere en veel oudere handelsmetropool Venetië. En vanuit Venetië kwam ook het voorbeeld voor Cornelis Anthonisz, namelijk de op dat moment al vermaarde vogelvluchtkaart die in 1500 door Jacopo de Barbari in opdracht van het stadsbestuur was vervaardigd. Deze ruim drie meter brede prent, gedrukt van negen houtblokken, toont de Dogenstad vanaf grote hoogte. Als uitgangspunt heeft De Barbari de plattegrond van zijn stad genomen, die hij volgens de regels van het perspectief kantelde en waarop hij vervolgens alle gebouwen afzonderlijk weergaf, als bij een moderne luchtfoto. Het idee om een plattegrond te combineren met de weergave van afzonderlijke gebouwen ‘in opstand’ (dus in perspectief) was op zich niet nieuw. Totdat de vogelvluchtkaart van Jacopo de Barbari verscheen, was echter nog nooit een hele stad gebouw voor gebouw, huis voor huis, in een dergelijk totaaloverzicht vastgelegd. Bij de omvang van het werk kwam nog de extra moeilijkheid, dat alle waarnemingen van hoe gebouwen er uitzagen, vanaf de begane grond en vanaf hoge gebouwen gedaan moesten worden en vervolgens ‘vertaald’ via de wetten van het perspectief, naar hoe ze er vanuit de lucht uitzagen. Mogelijkheden om de stad werkelijk vanuit de lucht te bekijken had de maker van de kaart natuurlijk niet.

Cornelis Anthonisz paste een zelfde werkwijze toe. Hij nam een, zeer waarschijnlijk door hemzelf opgemeten, stadsplattegrond als basis. Voor dat opmeten moet hij diverse torens en andere hoge gebouwen als meetpunt genomen hebben om vandaar uit via het meten van de hoeken en door het meten van de afstanden de positie van andere meetpunten te bepalen. Deze methode, de voorwaartse snijding, was nog maar kort tevoren (in 1533 in het Latijn, in 1537 in het Nederlands) gepubliceerd. Het is een vroege vorm van de driehoeksmeting of triangulatie, die pas na 1600 geperfectioneerd zou worden en sindsdien de basis is geweest voor alle kartering. Op de stadsplattegrond trok Cornelis Anthonisz vervolgens exact noord-zuid verlopende lijnen. Op het paneel waarop de vogelvluchtkaart geschilderd is, lopen die lijnen niet meer parallel, maar de schilder laat ze links boven aan de horizon samenkomen in een verdwijnpunt. Zo komt het, dat de stad beneden, aan de noordzijde, groter en breder is weergegeven dan boven, aan de zuidzijde, die verder van de toeschouwer verwijderd is. Zelfs de ingeschilderde bebouwing wordt naar boven toe iets kleiner. In het midden aan de bovenkant, waar het Spui en de Heiligeweg met omgeving te vinden zijn, smokkelde de kunstenaar met het perspectief, om ervoor te zorgen dat de bebouwing daar toch nog duidelijk zichtbaar bleef.

Bij de houtsnedekaart van 1544 is dit deel van de stad nog eens extra uitvergroot, waardoor de Handboog- en Voetboogdoelen beter te zien zijn - de kunstenaar was zelf lid van het Sint Joris- of Voetbooggilde. Bij de bebouwing die Cornelis Anthonisz op de houtsnedekaart weergaf, lijkt bovenin de kaart (dus waar het zuiddeel van de stad is afgebeeld) geen sprake meer van perspectivische verkleining, zoals op het schilderij uit 1538. Alles is weergegeven in zogeheten scheve parallelprojectie, dat wil zeggen dat alle gebouwen onder een zelfde hoek op het kaartblad staan en alle verticale (opgaande) lijnen parallel aan elkaar zijn getekend, zonder perspectief. Wel zijn de belangrijke gebouwen – de kerken, het stadhuis – een maatje groter weergegeven, zodat ze beter in het oog springen.

Amsterdam op 12 houtblokken

De geschilderde kaart was een opdracht van het stadsbestuur. Het lijkt erop dat Cornelis Anthonisz de houtsnedekaart gemaakt en uitgegeven heeft op eigen initiatief. Het grote voordeel van de nieuwe kaart boven de geschilderde versie was dat hij in oplage verscheen. De opdracht die de maker er bij zette, was veelzeggend. De kaart was niet alleen gemaakt ter ere van keizer Karel V, maar “oock den Eersamen Raedt der selver Stadt ende allen Liefhebberen der Konste etc.” Met andere woorden, Cornelis Anthonisz mikte op trotse stadsbestuurders en welgestelde burgers als kopers. In wat voor aantallen de kaart werd gedrukt, is onbekend. Wel weten we dat hij ten minste nog zesmaal opnieuw is uitgegeven, de laatste keer kort na 1636, dus bijna een eeuw na ontstaan. Een van de weinige middelen om de diverse uitgaven uit elkaar te houden, zijn de kleine wijzigingen in de gedrukte tekst bovenaan in het midden van de kaart. Hier kon met losse drukletters steeds iets veranderd worden. In de voorstelling, gesneden in twaalf houtblokken, konden geen wijzigingen worden aangebracht. Dat betekent dat de kaart al snel niet meer de actuele situatie weergaf, maar als antiquarisch object voldoende populair bleef om alle herdrukken lonend te maken.

Anders lag dat voor de volgende vogelvluchtkaarten, te beginnen met die van Pieter Bast uit 1597. Deze zijn allemaal uitgevoerd als gravure of ets, dat wil zeggen dat de voorstelling met burijnen en etsnaalden in koperen platen is gestoken. Mochten wijzigingen in het kaartbeeld nodig zijn, dan was het relatief eenvoudig op de plaat de bestaande lijnen weg te polijsten en vervolgens nieuwe lijnen te graveren. Al op de eerste uitgave, uit 1597, zijn sporen van veranderingen op de drukplaten zichtbaar. Dit heeft alles te maken met de elkaar snel opvolgende stadsvergrotingen en veranderingen aan de verdedigingswerken die het gevolg waren van de economische bloei van de stad na de Alteratie van 1578. De kaart van Bast werd opnieuw uitgegeven in 1599, 1606 en omstreeks 1611, telkens door een andere uitgever en telkens naar de laatste stand van zaken bijgewerkt. Dat bijwerken is niet door Bast zelf gedaan. Hij verliet na 1597 de stad om elders dergelijke kaarten te produceren, in 1598 van Franeker, het jaar daarop van Emden, daarna nog van Leiden en Leeuwarden; in 1605 is hij in Leiden overleden.

De vogelvluchtkaarten van Pieter Bast verschillen niet alleen in grafische techniek van de kaart van Cornelis Anthonisz. Door de techniek van de kopergravure zijn de details veel verfijnder. Ook is het perspectivisch verkort al aanmerkelijk minder en benadert een echte stadsplattegrond. Daardoor ontbreekt de hoge horizon die zowel op de kaarten van Jacopo de Barbari als van Cornelis Anthonisz een wat vreemde indruk maken. Verder was Pieter Bast verantwoordelijk voor een nieuwigheid. Hij voegde namelijk aan zijn vogelvluchtkaarten aparte afbeeldingen toe met gezichten op de stad op ooghoogte, zogeheten profielen. Of de twee profielen van Amsterdam – één vanaf de overkant van het IJ, de andere vanuit het westen - al bij de eerste uitgave van de kaart verschenen, of pas in 1599, is niet duidelijk. Wel staat vast, dat profielen sindsdien tot het vaste repertoire van makers en uitgevers van monumentale kaarten zijn gaan behoren.

Toen de laatste editie van de kaart van Pieter Bast op de markt kwam, was in Amsterdam alweer een volgende stadsvergroting aan de gang, ditmaal van enorme omvang, waarbij de Westelijke Eilanden, de Haarlemmerbuurt, de Jordaan en het westelijke deel van de grachtengordel werden aangelegd. Een stedenbouwkundige verandering op deze schaal kon niet meer op de kaart van Bast worden bijgewerkt. Het werd tijd voor een nieuwe kaart, en die kwam al vrij spoedig: “Van de honderden Amsterdamsche plattegronden, die in den loop der tijden het licht zagen, is er geen enkele, die zich, wat betreft het samengaan van nauwkeurigheid, uitvoerigheid en fraaiheid kan meten met het meesterwerk van Balthasar Florisz van Berckenrode, den grooten landmeter en kunstenaar uit de eerste helft der 17de eeuw, die van 1591-1645 heeft geleefd. Hij was ook de eerste, die een kaart gaf met alleszins juiste verhoudingen, waardoor zijn plattegrond ook voor hedendaagsche kartografen nog als betrouwbare bron dienst doet,” schreef A.E. D’Ailly in 1932. De eerste editie verscheen in 1625, na een voorbereiding van ten minste twee jaar. Dat is feitelijk een korte tijd, gezien de onvoorstelbare hoeveelheid werk die in de kaart moet zijn gaan zitten. In vergelijking tot de kaart van Pieter Bast was het bebouwde oppervlak van de stad bijna verdubbeld en daarmee het aantal gebouwen navenant gestegen. De namen van vrijwel alle straten, grachten en stegen staan erop vermeld, evenals die van de belangrijkste gebouwen. Uiterst gedetailleerd is de beplanting langs de grachten weergegeven en de kaart biedt een schat aan informatie over tuinen, bebouwing op binnenterreinen, achtergevels en nog veel meer. Hoewel bij de weergave van de huizen een zekere mate van standaardisatie is toegepast, zijn toch de verschillen in bouwhoogte en zelfs de aantallen schoorstenen per huis te onderscheiden. Ieder gebouw dat in vorm ook maar iets afwijkt van zijn omgeving is te herkennen. Naast veel landmeetkundig werk moet Balthasar Florisz talloze schetsen van individuele panden en gevelwanden hebben gemaakt. Van dat alles is, voor zover bekend, niets bewaard gebleven.

… en op negen koperplaten

De kaart van Balthasar Florisz, gedrukt van negen koperplaten op evenzoveel bladen, was met 137 x 160 centimeter de tot dan toe grootste kaart van Amsterdam en zal bij menig rijke ingezetene als pronkstuk aan de wand hebben gehangen. Twee herdrukken volgden (in 1647 en omstreeks 1657), waarbij de veranderingen in de stad op de voet gevolgd werden. Op de verschillende edities is onder meer te zien hoe snel de bouw vorderde in het noorden van de Jordaan en op de Westelijke Eilanden (op de editie van 1625 nog grotendeels leeg), en op de derde editie verschijnt voor het eerst het nieuwe stadhuis op de Dam. Geen van de veranderingen op de beide herdrukken was van de hand van Balthasar Florisz, die immers bij de tweede editie al overleden was.

Dit hoogtepunt van de Amsterdamse vogelvluchtkaarten was tevens een soort eindpunt. Pas rond 1732 verscheen een geheel nieuwe monumentale vogelvluchtkaart, van de plaatsnijder en boekverkoper Gerred de Broen. Het was de eerste stadsplattegrond waarop de Nieuwe Uitleg, de in 1660 aangevangen stadsvergroting van de Leidsegracht over de Amstel naar het IJ, in vogelvlucht staat aangegeven. Wel bestaat er een manuscriptkaart in vogelvlucht van het nieuwe deel van de grachtengordel, in 1680 getekend door de stadsingenieur Jacob Bosch, maar deze is nooit in druk verschenen.

Gerred de Broen maakte een fraai ogende kaart, die echter veel minder is uitgewerkt dan de kaarten van zijn voorgangers. Het overgrote deel van de huizen is gestandaardiseerd weergegeven. Alleen de bebouwing in de Nieuwe Uitleg toont wat meer individuele trekjes, alsof het de maker speciaal om dat deel van de stad te doen was. Van de kaart van De Broen werden zeven edities uitgebracht, waarvan sommige wel, andere niet waren geactualiseerd. Met de laatste uitgave, rond 1780, komt er voor lange tijd een einde aan de vogelvluchtkaarten.

De feitelijke opvolger van de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz als monumentale, actuele wandkaart, was niet die van De Broen, maar de kaart die in 1662 door de stadsarchitect Daniël Stalpaert werd vervaardigd. Niet toevallig zijn beide kaarten precies even groot. Het gaat hier echter niet om de stad in vogelvlucht, maar een plattegrond waarbij alleen de belangrijke gebouwen in opstand zijn getekend. Dit principe is al heel oud; zo werd het al toegepast door Jacob van Deventer die, in het midden van de 16de eeuw, vele steden in de Noordelijke Nederlanden, waaronder Amsterdam, karteerde in opdracht van Philips II. Een vroeg gedrukt voorbeeld is de plattegrond in de stadsbeschrijving van Johannes Pontanus, verschenen in 1611. Op de kaart van Stalpaert is de nog niet voltooide Nieuwe Uitleg al te zien, grotendeels nog als ontwerp en daardoor ten dele in een andere vorm dan uiteindelijk uitgevoerd.

Ook in de 18de eeuw verschenen kaarten met de belangrijkste gebouwen in opstand, van zeer uiteenlopend formaat – zij het geen van alle zo groot als de kaarten van Balthasar Florisz en Stalpaert - om daarna voor langere tijd te verdwijnen. Dit type kaart kwam pas weer in zwang ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1883. De meeste van die kaarten waren vrij bescheiden van afmeting, omdat ze, al dan niet in gevouwen toestand, onderdeel vormden van reisgidsen voor de vele binnen- en buitenlandse toeristen (zie pagina 340). Sindsdien zijn dergelijke kaarten niet meer weg te denken uit het toeristische kaartenassortiment. En in sommige gevallen zijn de gebouwen zo groot weergegeven, dat ze hele delen van de plattegrond aan het gezicht onttrekken en daarmee meer in het genre van leuke souvenirs, dan van bruikbare kaarten thuishoren.

Ook de eerste echte vogelvluchtkaart uit de 20ste eeuw is meer een leuke wandplaat dan een serieuze kaart. Deze met humor getekende reclame van de Nederlandsche Plantenboter Fabriek, van omstreeks 1923, geeft zeker geen accuraat, maar wel een actueel beeld van de stad.

De werkelijkheid in een oogopslag

Serieuze getekende vogelvluchtkaarten van Amsterdam uit de vorige eeuw zijn er maar weinig. De bijna drie meter brede kaart van vrijwel de gehele stad die L.J.B. Wiessner als tekenaar bij Publieke Werken in 1945 vervaardigde, is nooit in druk verschenen en raakte pas enigszins bekend toen hij, in de jaren 1982 tot 1997, te zien was in de vaste opstelling van het Amsterdams Historisch Museum. Alleen enkele buitenlandse firma’s hebben zich nadien aan de productie van vogelvluchtkaarten gewaagd, zoals nog in 1985 de Belgische firma Keulemans. Die kaart – één uit een serie van meerdere Europese steden – werd uitsluitend ingelijst verkocht, is maar in een heel beperkte oplage gedrukt en op die manier exclusief gehouden. Anders ligt dat bij de kaart van Amsterdam die de firma Bollmann uit Braunschweig omstreeks 1956 uitgaf. Maar ook deze is slechts één uit een grote serie, waartoe bijvoorbeeld ook New York, Jeruzalem, Kopenhagen en tientallen Duitse steden behoren. In dat opzicht verschillen deze moderne makers eigenlijk niet van Pieter Bast, die rond 1600 van meerdere steden vogelvluchtkaarten maakte. Alleen is hun productie veel hoger, omdat hun hulpmiddelen als gedetailleerde, bestaande plattegronden, luchtfoto’s en moderne reproductietechnieken ter beschikking staan.

Wat ook niet is veranderd, is de charme van vogelvluchtkaarten. Ze geven de toeschouwer de mogelijkheid om de stad, waarvan hij maar een klein onderdeeltje is en die hij in werkelijkheid maar stukje bij beetje kan bekijken, in één oogopslag te overzien. Actualiteitswaarde is daarbij niet het eerste waar het om gaat, getuige het grote aantal 20ste-eeuwse facsimile-uitgaven van alle belangrijke oude vogelvluchtkaarten. Daarnaast blijven deze kaarten een onschatbare bron voor historisch onderzoek.

Drs. A.W. Gerlagh is conservator bij het Gemeentearchief, gespecialiseerd in prenten en tekeningen.




Wegwijs in Amsterdam

Kaarten ‘in opstand’ voor toeristen

Tekst: Marius van Melle

10112002_GidsHoe vindt een bezoeker van de hoofdstad zijn weg in het labyrint van de stedelijke bebouwing? De keus tussen eindeloos de weg vragen aan passanten en het kopen van een stadsplattegrond valt al snel uit in het voordeel van het laatste. Ze zijn er in allerlei soorten en formaten. Sinds de opkomst van het vreemdelingenverkeer vanaf het midden van de 19de eeuw zijn er heel wat drukkers, uitgevers en cartografen in de weer geweest ten gerieve van de stadsbezoekers.

Het massatoerisme is een betrekkelijk nieuw verschijnsel, ontstaan vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw en dat had alles te maken met stijgende welvaart en toenemende mobiliteit. Maar een eeuw eerder werd de stad al door spoorwegen makkelijker bereikbaar. Daar speelde uitgevers op in, zoals W.C. van Heusden te ’s-Hertogenbosch die in 1867 met een kaart op de markt kwam, getekend door C.K. de Geus. Deze was voorzien van een lijst van 140 ‘merkwaardige gebouwen’, in het Nederlands en het Frans. Van Heusden gaf ook kaarten uit van andere per spoor te bereiken steden.

Stonden bij de kaart van De Geus de bezienswaardigheden nog met nummers op de kaart vermeld, de Amsterdamse drukker en uitgever A. Braakensiek kwam in hetzelfde jaar met een kaart waarin tekeningetjes van belangrijke gebouwen het beeld verluchtigden. ‘Gebouwen in opstand’, heet dat in de wereld van de cartografie. Deze kaart van Braakensiek - de vader van politiek tekenaar Johan - zou vier steeds geactualiseerde drukken beleven. In 1872 tekende hij een geheel nieuwe kaart, die zo’n twintig jaar lang bijna jaarlijks in herziene versies zou verschijnen. Vanaf 1882 gaf boekhandelaar en uitgever Tjomme van Holkema ze uit, na tien jaar samen met H.M. Warendorf.

Een andere Braakensiek-kaart met bezienswaardigheden en zelfs stoomtreintjes ‘in opstand’ gaf Joh.G. Stemler (met Nederlandse en Franse tekst) uit ter gelegenheid van de Wereldexpositie die in 1883 achter het Rijksmuseum werd gehouden. Publiekstrekkende manifestaties waren altijd goed voor nieuwe kaarten, soms voorzien van een gids. Dat gebeurde ook bij de Internationale Tentoonstelling voor Reis- en Hotelwezen, die in 1895 op het Museumplein werd gehouden, en drie jaar later bij de kroning van Wilhelmina. Dergelijke gebeurtenissen leenden zich ook voor speciale uit reclameoverwegingen op de markt gebrachte toeristische kaarten. Zo bracht de Twentsche bank in 1924 een kaart uit van het centrum ten behoeve van de deelnemers van het 27ste Internationaal Eucharistisch Congres. Die konden dan gemakkelijk de weg naar de bankfilialen vinden en middels de op de achterzijde afgedrukte advertenties naar degelijke katholieke middenstanders.

Sommige handige lithografen/drukkers gingen zelf ook kaarten uitbrengen. Jan L.C. Kotting & Co kwamen in 1890 met een Gazette des Etrangers, die al snel werd omgedoopt tot Guide d’Amsterdam. De uitgave zou in tien jaar tijd evolueren van een flodderige kaart op krantenformaat tot een heuse stadsgids. Een succesvolle uitgave: in 1913 verscheen de 23ste editie. Daarna stortte vanwege de Eerste Wereldoorlog het vreemdelingenbezoek aan Amsterdam in.

Handzame gids met uitgekiend zoeksysteem

Dat bezoekers de stad wisten te vinden als er een grote manifestatie werd georganiseerd, had de wereldexpo van 1883 geleerd. Maar om daarbuiten ook mensen naar de stad te lokken, was extra inspanning nodig. Kioskondernemer Martin Wolff – de grondvester van AKO – nam het initiatief om naar Duits voorbeeld een Vereniging voor Vreemdelingenverkeer te stichten, de eerste VVV van ons land. Die in 1885 gestichte belangenorganisatie begon met een kaart en een gids op de markt te brengen, blijkens mededelingen in het Algemeen Handelsblad. Ze probeerde vooral kapitaalkrachtige reizigers naar Amsterdam te lokken en bedacht initiatieven die door gebrek aan gemeentelijke steun vaak een snelle dood stierven. Zo bedacht de vereniging bijvoorbeeld een plan voor een soort Sail-parade bij de opening van het Merwedekanaal (het huidige Amsterdam-Rijnkanaal) in 1892. Uit onvrede over de koers van de VVV ontstond in 1902 de ‘Vereeniging ter bevordering van Amsterdamsche belangen in het algemeen en van het Vreemdelingenverkeer in het bijzonder’, ’t Koggeschip. Deze richtte zich op de massa-met-smalle-beurs en niet op de categorie die het Amstel Hotel zonder hun inspanning toch wel zou vinden. Na de Eerste Wereldoorlog zou de eerste VVV opgeslokt worden door de tweede.

In 1905 was ’t Koggeschip betrokken bij een van de kaarten die Seyffardt’s Boekhandel op de markt bracht. Deze boekhandel was gevestigd op het Damrak, een strategische plaats voor reizigers die via het Centraal Station de stad binnen kwamen. Deze positie zou overgenomen worden door Allert de Lange, die in het voorjaar van 1999 na 119 jaar de deuren moest sluiten. Allert de Lange gaf ook reisgidsen uit die leken op de voorbeelden uit het buitenland, zoals de Baedeker-gids. Moderne gidsen met wandelingen en register, heel wat hanteerbaarder dan bijvoorbeeld de gids die de boekhandelaar en latere paardentramondernemer K.H. Schadd in 1869 het licht had doen zien. Die leek in opzet wel op de 17de-eeuwse stadsbeschrijvingen, waarin bezienswaardigheden per categorie werden beschreven. Als gebruiker bleef je dan bladeren, van kerk naar weeshuis, van museum naar een andere kerk.

In het Olympische jaar 1928 liet de toeristische sector nadrukkelijk van zich horen. Menige kaart werd herdukt, met wat aanpassingen rond de plekken waar de sportwedstrijden plaatsvonden. Een voorbeeld is de 17de editie van het Cito-plan, die door H. van Diehlen uit Den Haag werd uitgegeven. Die kaart heette naar het uitgekiende zoeksysteem om snel een straat, gracht of een bezienswaardigheid te vinden (cito is Latijn voor snel). De kaart was niet alleen onderverdeeld in vakken – een gridnet, noemt men dat in cartografische kringen – maar ook met een schaal die de ‘ruiten’ weer onderverdeelden. In 1912 kwam Van Diehlen met zijn eerste Cito-kaart. Papierhandelaar en uitgever J. Vlieger op de binnen-Amstel kwam iets later ook met een Cito-kaart, hetgeen illustreert dat de naam op het zoeksysteem sloeg en niets met de maker ervan te maken had.

Maar de Haagse kaart heeft de markt veroverd en Citoplan is een merknaam geworden. Het behoort nu tot de meest verkochte kaarten. Sinds 1985 verhoogt een ringbandje de duurzaamheid en het gebruiksgemak. De stad was met de uitbreidingen in Zuidoost zo omvangrijk geworden, dat een vouwkaart erg onpraktisch was geworden en een boekje gebruiksvriendelijker werd. Desondanks verschijnen er nu nog steeds vouwkaarten, waarbij het opvalt dat de stad een beetje gekanteld is om alles op de kaart te krijgen. Tot dan werd traditioneel het IJ voorgesteld als een horizontaal lopende begrenzing van de binnenstad. Dat zou een echo uit het verleden kunnen zijn, toen de stadsplattegrond steevast werd afgebeeld met het IJ als horizontaal lopende waterpartij in het zuiden. Dat was zo rond 1840/1850 omgedraaid, onder invloed van de toen zeer overheersende Franse cartografie. Door al die Napoleontische oorlogen was de cartografie daar verder dan elders ontwikkeld, en die schreef voor dat het noorden boven moest zijn. Wat Amsterdam betreft werd dat dus noordnoordoost.

Kaartjes met alleen het centrum erop verschenen ook nog. Vanaf 1939 had de ‘Cito-Ideaalkaart’ een inzetkaartje van het centrum met een andere schaal. Een voorbeeld van zo’n centrum-kaartje is het kaartje dat bij een VVV-gidsje zit dat eind jaren dertig moet zijn uitgegeven, gezien de tekst: “Eenige route’s voor wandelingen door de stad zijn verkrijgbaar bij de VVV. Vooral een wandeling door de z.g. Jodenbuurt op Zondagmorgen is heel interessant.”

Kaarten voor de Canadese soldaten

Na de bevrijding in 1945 kwam het vreemdelingenverkeer weer op gang doordat Amsterdam als Europese verzamelhaven voor de naar huis terugkerende Canadese soldaten was verkoren. Voor hen werden weer speciale kaartjes gemaakt en ook Cito haaste zich om met een geactualiseerde kaart te komen. Dat ging in alle haast niet zonder fouten: zo heet het Beatrixpark nog steeds Diepenbrockpark, zoals dat op last van de NSB-burgemeester Voûte sinds 8 februari 1942 genoemd moest worden, welke naamsverandering op 18 mei 1945 weer werd geannuleerd. De naamsverandering van de Noorder- en Zuider Amstellaan in Churchill- en Rooseveltlaan (besluit 8-5-1946) is weer wel verwerkt.

De Canadese soldaten werden opgevolgd door in Duitsland gelegerde dienstplichtigen, voor wie Amsterdam een geliefkoosd oord werd om verlof te houden. Ook de kaartenondernemer die samen met Cito de markt zou veroveren kwam uit Duitsland. Ing. Gerhard Falk uit Hamburg wist net als dr. Burda uit Beieren profijt te trekken uit de behoefte van de geallieerde legers aan betrouwbare kaarten. Burda stapte al snel over op publiekstijdschriften, maar Falk bouwde in verschillende landen een netwerk op van joint ventures om stadsplattegronden uit te geven. Via via belandde Falkplan uiteindelijk bij de Eindhovense uitgeverij Suurland. Sinds 2000 heeft het regionale krantenconcern Wegener een beslissende stem in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

In de jaren vijftig begon de toeristenstroom goed op gang te komen. Nederland was door de zuinige regeringspolitiek in vergelijking met nabijgelegen landen goedkoop, dus dat verhoogde nog eens de aantrekkingskracht van de stad. In deze periode wist ook een kleine drukker/uitgever op de Oude Schans 59, Uitgeverij Lieverlee een graantje mee te pikken. De kaarten blonken niet uit in duidelijkheid, maar daar stond tegenover dat in de vier moderne talen tips stonden die buiten de gebaande paden gingen. Zoals bij het Rijksmuseum een introductie vragen om de particuliere Six-kunstverzameling te bezichtigen.

Deze initiatieven zijn uiteindelijk stukgelopen op de schaalvergrotingen van de markt en de wijzigingen in de grafische industrie door de digitale revolutie. Het aardige is dat tussen de marktleiders Cito- en Falkplan nu weer kleintjes een plaatsje veroveren met thematische kaarten. Zo kwam de Echte Nederlandse Wielrijdersbond in 1981 met een fietskaart. Het duurde bijna tien jaar voordat Citoplan daar een antwoord op had. Belangstellenden in architectuurgeschiedenis hebben ook hun eigen kaart gekregen. Recentelijk is er ook een coffeeshop-map verschenen. Dat de grote uitgeverijen daar hun handen niet aan willen branden, zal voor de initatiefnemers een opstekertje zijn.

De hordes buitenlanders die in groepsverband achter hun gids aanhobbelen richting Nightwatch – al decennialang goed voor een derde van de toeristische hotelgasten – zullen niet de grootste kopers van kaarten en gidsen zijn. Maar er blijven genoeg belangstellenden over. Daarbij is het verschil tussen de stadsplattegrond voor algemeen gebruik en die voor toeristisch gebruik verloren gegaan: een vreemdeling kan net zo goed overweg met een Falkplan als een Amsterdammer. De laatste zit echter niet te wachten op tekeningetjes van bezienswaardigheden, want die kent ze van buiten. Zo zijn de 'in opstand' getekende bouwwerken nagenoeg verdwenen. Vooral in folderachtige centrumkaartjes en in sommige reisgidsen wil deze traditie nog wel eens weerklank hebben. Het gevolg is wel dat er een zekere mate van eenvormigheid in het kaartbeeld is ontstaan. Bebouwing is altijd oranje-rood (baksteenkleur) bijvoorbeeld. Eén constante is gebleven: de worsteling om de uitdijende stad binnen het kader te krijgen. Regelmatig werd dat opgelost door dat kader te overschrijden, of door met inzetkaartjes te werken. Nu de stad in het IJ aan het uitbreiden is, doemt een levensgroot probleem op voor de vouwkaart. De spanwijdte van een toerist heeft ook zijn grenzen, en een kaart dient altijd nog min of meer in de oorspronkelijke vorm teruggebracht te worden. Een inzetkaartje ten kostte van landelijk Noord, misschien?

M. van Melle is historicus.




De dood in kaart

De geboorte van de themaplattegrond

Tekst: Michiel Wagenaar

10112002_ThemakaartDe cholera-epidemie van 1866 kostte 1100 mensen het leven, maar ze had ook een paar gunstige bijeffecten: de Jordaan en andere volksbuurten werden aangesloten op de Duinwaterleiding én de ramp werd in kaart gebracht op een van de eerste themaplattegronden die in ons land verschenen.

In de 19de eeuw werd de statistiek een wetenschap en de beoefenaren ervan ontdekten al snel de voordelen van een illustratieve weergave van de informatie die ze wilden presenteren. Een mogelijkheid was de themaplattegrond. Dat zijn kaarten waarop één of enkele onderwerpen centraal staan, terwijl zo veel mogelijk andere informatie wordt weggelaten. Neem bijvoorbeeld metroplattegronden: het lijnennet is helder weergegeven, maar de rest van de stad wordt slechts schematisch aangeduid. Die metrolijnen zijn (vanaf het perron tenminste) ook in het echt te zien, maar andere onderwerpen van themakaarten zijn niet zomaar waarneembaar in de stad: de frequentie van straatroof in diverse stadsdelen bijvoorbeeld, of de spreiding van welvaart, of van bepaalde ziekten. Themakaarten tonen het verband tussen plekken en verschijnselen, maar dat verband is niet altijd eenvoudig verklaarbaar. De cholerakaart van 1866 is daarvan een treffend voorbeeld. De cholera bleek vooral toe te slaan in stinkende volksbuurten. Maar waarom?

Diarree en braken

In 1830 werd Europa in korte tijd getroffen door een tot dan toe onbekende ziekte van epidemische omvang. Het ziektebeeld had een dramatisch verloop. Besmetting leidde tot hevige diarree en braken, waarvan slechts een beperkt aantal patiënten genas. Soms trad al na enkele uren de dood in; meestal duurde dat enkele dagen. De ziekte verspreidde zich zó snel dat medici al spoedig spraken van een pandemie. De oorsprong daarvan werd getraceerd in Bengalen, en dan vooral in Calcutta. In 1830 dook de ziekte op in Moskou. Talloze inwoners ontvluchtten in paniek de stad, waardoor de ziekte zich weer verder verspreidde, allereerst over Oost-Europa. Alleen al in Rusland sleepte deze ‘nieuwe pest’ meer dan 197.000 inwoners het graf in, en maakte kort daarna in Hongarije meer dan 100.000 slachtoffers. Al snel werd ook West-Europa getroffen. In 1832-1833 openbaarde de geheimzinnige nieuwe epidemie zich in Amsterdam, waar in korte tijd 1200 slachtoffers vielen.

De medici stonden met lege handen. Effectieve geneesmiddelen bestonden er niet, en het zou nog lang duren voor die werden uitgevonden. Over de verspreiding van en besmetting met cholera hadden artsen de meest bizarre opvattingen - althans, gezien vanuit onze moderne inzichten. De meeste experts waren ervan overtuigd dat de ziekte in ons polderland werd overgedragen door kwade dampen, die uit de door en door verrotte en besmette bodem opstegen. Die opvatting was geheel onjuist, maar wel begrijpelijk. Veel van de ooit zo welvarende Hollandse steden, waar het aantal slachtoffers aanzienlijk was, verkeerden in diep verval. In Amsterdam werd het stadsbeeld ontsierd door half ingestorte bruggen en kadewanden en wegrottende walbeschoeiingen. De grachten, de belangrijkste riolen van de stad, raakten dichtgeslibd door huisvuil en slachtafval. De stank van het ontbindende afval en uitwerpselen was vooral in de zomermaanden niet te harden.

In 1848-1849 werd West-Europa door een tweede nog veel grotere golf van cholera asiatica getroffen. In Londen werden in drie maanden 33.000 doden geteld, in Parijs 19.000. In Amsterdam kwam het dodental ten slotte uit op 2273. Overigens bleef de ziekte ook na het wegebben van de epidemie incidenteel vele slachtoffers maken. Het zou nog geruime tijd duren voordat de medische wetenschap de ware oorzaak, en daarmee ook de juiste preventie van de aandoening ontdekte. Toch werd er intussen vooruitgang geboekt in de strijd tegen deze ziekte.

De opmars van de medische statistiek

Terwijl van de gevestigde medische wetenschap voorlopig weinig heil te verwachten was, werd er op een ander terrein wél aanzienlijke vooruitgang geboekt. De 19de eeuw is niet voor niets de ‘eeuw van de statistiek’ genoemd. Wiskundigen, geografen en artsen raakten gefascineerd door de onderlinge samenhang die bepaalde verschijnselen in de samenleving vertoonden. De basis voor het onderzoek daarnaar was gelegd met de eerste grootschalige volkstellingen, die het revolutionaire Frankrijk voor het eerst rond 1800 organiseerde, allereerst natuurlijk in eigen land, maar spoedig daarna ook in de andere landen die door Napoleon veroverd waren. Samen met een plaatselijke bevolkingsboekhouding, uitgevoerd door de burgerlijke stand en het bevolkingsregister (eveneens van Franse origine), beschikten onderzoekers en geïnteresseerde burgers nu voor het eerst over een betrouwbaar bestand van bevolkingsgegevens.

Al spoedig verscheen in ons land het eerste voorbeeld van een ‘geneeskundige plaatsbeschrijving’, een statistische exercitie die in de loop van de 19de eeuw furore zou maken. Wat medici daarbij opviel waren de grote verschillen in sterfte tussen de onderzochte plaatsen. Zo bleek bijvoorbeeld dat de cholera in ons land buitengewoon selectief te keer ging. Terwijl iedere epidemie in Amsterdam, Rotterdam of Dordrecht vooral slachtoffers maakte in de verpauperde volksbuurten, bleek diezelfde cholera in een doodarm industriedorp als Hilversum veel minder fataal te zijn. Waar lag dat aan? Opnieuw werd die vraag beantwoord met een verwijzing naar de ‘kwade dampen’, die de lucht in het Gooi immers veel minder verpestten dan in Amsterdam. Mede daarom werd in Hilversum het ene na het andere sanatorium geopend. Maar de werkelijke doorbraak kwam in 1854, toen de Britse arts John Snow in een epidemiologisch onderzoek naar de verspreiding van de cholera in Londen onomstotelijk vaststelde dat het drinkwater de belangrijkste besmettingshaard voor deze ziekte vormde.

Londen beschikte evenmin als Amsterdam over een drinkwaterleiding. In beide steden werd drinkwater gewonnen uit regentonnen, ernstig vervuilde rivieren, of uit vergaarbakken. Vooral die laatste twee bronnen stonden in contact met de open riolen en beerputten die in beide steden schering en inslag waren. In Amsterdam werd het meeste drinkwater uit de nog relatief schone Vecht gehaald en in waterschuiten over de Amstel naar Amsterdam gebracht, waar het werd opgeslagen in waterkelders met een pomp er bovenop; daar konden de burgers een emmertje water kopen. Maar als de Amstel was dichtgevroren, moesten er ijsbrekers worden ingezet om de waterschuiten vrij baan te geven en dan werd het water aan de pomp zó duur dat arme Amsterdammers toch maar weer vervuild regenwater of putwater gingen drinken.

Snows conclusie werd met hoongelach ontvangen. Zo meende de Utrechtse hoogleraar Mulder nog in 1860 dat het in Rotterdam volstrekt onnodig was “om bij de komst der cholera omzigtig te wezen met Maas- of Rottewater; géén medicus behoeft het gebruik van regenwater aan te bevelen”. Zijn opvatting kreeg grote bijval onder zijn collega’s.

Waaróm dat drinkwater zo’n grote rol speelde, bleef echter ook voor Snow voorlopig verborgen. Maar dát het van doorslaggevend belang was bleek al spoedig, toen Amsterdam, als een van de eerste steden van Nederland, dankzij de particuliere Duinwatermaatschappij in 1853 een ‘moderne’ waterleiding kreeg. In december van dat jaar tapte men, voor een cent per emmer, uit een pomp bij de Haarlemmerpoort het eerste door buizen aangevoerde duinwater. In de volgende jaren werd het buizenstelsel uitgebreid tot in de woningen van de welgestelde Amsterdammers. Het leidingwater viel zeer in de smaak, maar bovendien bleken - ongepland - de gevolgen voor de volksgezondheid bepaald spectaculair. De vierde cholera-epidemie van de 19de eeuw, die van 1866, maakte 1100 slachtoffers. Dat waren er weliswaar nog evenveel als in 1855, maar in die tien jaar was Amsterdam wél met ruim 10.000 inwoners gegroeid.

Jordaan en Eilanden zwaarst getroffen

Evenals bij de voorgaande epidemieën onderzocht een speciale commissie uit de gemeenteraad het verloop van de ziekte per buurt en voor de stad als geheel. Bovendien vergeleek men de uitkomsten met die van andere steden, bij voorkeur eveneens gelegen in een veenweidegebied zoals Amsterdam. En wat bleek? Dat Amsterdam “in weerwil van haar vervuilden en grootendeels drassigen bodem, in weerwil van de ongezonde behuizing van zoovelen, in weerwil van het toegenomen handelsverkeer (…) betrekkelijk minder te lijden had gehad dan vele andere voorname steden, zo binnen- als buitenlands”.

Die conclusie was, zeker binnen Nederland, niet overdreven. Want terwijl de epidemie van 1866 bijna elf slachtoffers maakte per 1000 ingezetenen in Rotterdam, en zelfs zestien per 1000 in Dordrecht, kwam de sterfte aan cholera op vier per 1000 in Amsterdam, dat toen naast Den Helder als enige stad in Nederland beschikte over een drinkwaterleiding.

Wie mocht denken dat de medici nu wel overtuigd waren van de preventieve hygiëne van gezuiverd drinkwater komt bedrogen uit. De geneeskunde moest wachten tot 1883, toen de Duitse onderzoeker Robert Koch de cholerabacil ontdekte als veroorzaker van de ziekte. De bacil werd aangetroffen in menselijke uitwerpselen. Kwamen die in contact met drinkwater, hetgeen veelvuldig voorkwam in het Amsterdam van vóór 1850, dan kon de besmetting zich razendsnel verspreiden. Dat zelfs ná de introductie van het duinwater nog zo veel slachtoffers vielen, had te maken onwetendheid en met de kosten van dat water, die vooral in de armoebuurten moeilijk waren op te brengen.

Het definitieve einde van de cholera in Amsterdam kwam met de aanleg van waterleiding en riolering tot in de armste krottenwijken, in combinatie met een betere voeding en hygiëne.

Maar voor het zover was, werd van alle cholera-epidemieën in Amsterdam nauwkeurig bijgehouden hoe de ziekte zich per week over straat, wijk en buurt verspreidde. Van de laatste grote epidemie (1866) werden deze gegevens weergegeven op een zogenaamde thematische kaart. Zo konden tijdgenoten in één oogopslag zien welke stadsdelen (onevenredig) zwaarder werden getroffen door de epidemie dan andere. In krottenwijken als de Jordaan (de wijken GG tot en met JJ) en de Oostelijke Eilanden (wijk T) werden aanzienlijk meer slachtoffers geteld dan in de chique grachtengordel, waarin wijk RR zelfs geheel van de epidemie gevrijwaard bleef.

De zogenaamde cholerakaart van 1866 is een mooi en bovendien nogal vroeg voorbeeld van een thematische kaart. Daarop wordt een bepaald verschijnsel afgebeeld op een sterk geabstraheerde topografische kaart. Op een thematische kaart zijn de gegevens die nodig zijn voor de ruimtelijke oriëntatie tot een minimum beperkt. Op de kaart van 1866 ontbreken de loop van de grachten en de Amstel, van straten en pleinen, laat staan van bouwblokken en percelen. Alleen de belangrijkste contouren van de stad en de eenheden van waarneming (de toen gangbare wijkindeling) zijn afgebeeld. De (voor vrijwel iedereen onzichtbare) gemeentegrens, waarbinnen de nog goeddeels onbewoonde stadsdelen WW tot en met ZZ liggen, is eveneens weergegeven. Wat zich daar buiten afspeelde viel letterlijk buiten het bestek van de choleracommissie, die de gegevens over het ziekteverloop bijhield.

Zoals gezegd, werden gegevens van het verloop van de cholera ook tijdens vorige epidemieën bijgehouden. Slechts in enkele gevallen leidde dat tot een ruimtelijke (cartografische) vertaling daarvan. Een vroeg voorbeeld is de cholerakaart van Scheveningen uit 1832. Hier werd de topografische onderlegger, de plattegrond, nog zonder noemenswaardige abstrahering gebruikt. Dat kon natuurlijk ook, omdat het hier om een piepklein dorp ging.

Eén oogopslag

Thematische kaarten zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit kranten, tijdschriften en van het internet. Anders dan de saaie en onoverzichtelijke tabellen waar ze vrijwel altijd op zijn gebaseerd, zijn kaarten veel krachtiger informatiedragers. De ruimtelijke spreiding van een verschijnsel - het aantal verkeersdoden per provincie of per type weg; de prijzen van koopwoningen per regio - heeft daarnaast een belangrijke attenderende waarde. De ‘lezer’ van zo’n kaart zal zich afvragen waarom dat ene verschijnsel zich in het ene gebied veel nadrukkelijker voordoet dan in het andere.

De Amsterdammers van 1866 zouden die laatste vraag waarschijnlijk anders beantwoorden dan wij dat nu doen. Er heerste in die tijd een wijd verbreid fysisch determinisme. Men was er, anders gezegd, van overtuigd dat de bodemgesteldheid, het klimaat en de aard van de bebouwing ter plekke zelf verantwoordelijk waren voor het zich meer of minder vaak voordoen van een verschijnsel. Dat het werk van Charles Darwin die overtuiging krachtig bevorderde zal niemand verbazen.

Dr. M.F. Wagenaar is historicus en sociaal-geograaf, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1984 tot 1988 was hij redacteur van Ons Amsterdam.

Literatuur:

J.A. Verdoorn, Het gezondheidswezen te Amsterdam in de 19e eeuw. Nijmegen 1981.

W.F. Heinemeijer en M. F. Wagenaar, Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen kartografie. Ede/Wageningen, 1987.

E.L. Houwaart, De hygiënisten. Artsen, staat en volksgezondheid in Nederland 1840-1890. Groningen, 1991.




Voorbij zijn de mooie dromen

Waarom plankaarten zijn vervangen door globale schetsen

Tekst: Peter de Brock

10112002_StadsingenieursDe plankaarten van Van Niftrik uit 1866 en van Van Eesteren uit 1935 verbeelden niet alleen visies van de gedroomde ideale stad, maar zijn ook artistieke hoogstandjes. “Fantastisch geschilderde kunstzinnige visies van hoe de stad zich kon gaan ontwikkelen,” aldus Maarten Kloos van architectuurstichting Arcam. Maandenlang zaten tientallen tekenaars van de dienst Publieke Werken aan de plankaarten te werken, en dat is te zien. Tegenwoordig kan en moet alles veel sneller. “Bovendien,” zegt architect Adriaan Geuze, “zit niemand meer te wachten op een alles overkoepelde visie.”

Stadsingenieur J.G. van Niftrik wordt in 1866 belast met het ontwerpen van een plan “waardoor zal zijn bepaald, welke rigting bij elke volgende bebouwing of verbouwing moet gegeven worden, zoowel wat de thans beschikbaar te stellen terreinen binnen de Singelgrachten, als wat de zoodanige betreft, die bij eventuele uitbreiding buiten de grachten verkregen kunnen worden.” Amsterdam heeft dringend behoefte aan zo’n plan, want door de toenemende bouwactiviteiten van particulieren en omliggende gemeenten dreigt een onsamenhangende chaotische stad te ontstaan. Zo sluiten de meeste nieuwe wegen van de dito uitbreidingen van de buurgemeenten niet aan op het Amsterdamse stratenpatroon. De stad wil de regie houden van haar eigen gewenste uitbreiding. “Maar te miskennen is het niet dat er zich, op het gebied van uitbreiding behoeften doen gevoelen: dat, evenzeer als in andere groote steden het geval is geweest of nog is, het niet mogelijk is te bepalen, hoever die behoeften zich zullen uitstrekken; dat die behoeften geleid moeten worden, en dat die leiding moet uitgaan, niet van den individu, die alleen zijn persoonlijke belang raadpleegt, maar van het bestuur dat vanuit zijn standpunt de zaak met een ruimen en niet aan het heden gehouden blik overziet.”

Na zes maanden heeft Van Niftrik zijn plankaart voor de stadsuitbreiding klaar. Als het college van burgemeester en wethouders niet tot een besluit kan komen, wordt zijn plan voorgelegd aan een raadscommissie. Bij een vergadering van deze commissie noemt burgemeester Fock de plannen terloops een “fantasie van een ambtenaar” en een “utopie”. Ook de gemeenteraad vindt de plannen te grootschalig en veel te duur en het ontwerp van de stadsingenieur wordt naar de vuilnisbak verwezen. Een klinkende overwinning voor de liberale gemeenteraadsleden die gekant zijn tegen inperking van de vrijheden van grondeigenaren en bouwers. Gelukkig is de grote manuscriptkaart van Van Niftrik waar de stadsbestuurders niets in zagen bewaard gebleven voor het nageslacht. Het is een van de topstukken op de tentoonstelling in het Gemeentearchief.

Ook de axonometrische plankaarten in vogelvluchtperspectief van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Cornelis van Eesteren uit 1936 zijn van hoge artistieke kwaliteit. In maart 1929 gaat de stedenbouwkundige aan het werk met de nieuwe afdeling Stadsontwikkeling van de dienst Publieke Werken. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Alle belangrijke vraagstukken worden middels een periodiek sociaal-economisch en demografisch onderzoek uitgebreid onderzocht. Van de te verwachten toename van het verkeer tot het aantal benodigde speelplaatsen. Aan personeel geen gebrek. In de beginfase kent de tekenzaal al een bezetting van 21 man. Vijf en half jaar later presenteert Van Eesteren zijn gedroomde stad. Vooral de Nota van Toelichting, gepubliceerd in twee delen met talrijke bijlagen en voorzien van enkele opmerkelijke plankaarten in vogelvluchtperspectief, baart veel opzien. Op deze kaarten, gemaakt door de tekenaars J. Smit en H. Mastenbroek, worden de hoofdstructuren benadrukt en is de toekomstige bebouwing slechts weergegeven door grote ongedetailleerde egale vlakken van gelijke hoogte. In de Nota van Toelichting wordt het AUP gepresenteerd als “een afgerond en als het ware afgesloten stedenbouwkundig plan”, dat volstaat voor het huisvesten van het voorspelde maximum van 960.000 inwoners in het magische jaar 2000.

Ambtelijke dictatuur

Dat de architectonische plankaarten zoveel mooier uitpakten dan de andere topografische kaarten van Publieke Werken (de grootste kaartenproducent) heeft te maken met doel waarvoor zij werden gemaakt. “De meeste kaarten van Publieke Werken waren bestemd voor eigen gebruik of voor andere gemeentelijke diensten,” vertelt Erik Schmitz, medewerker van het Gemeentearchief en betrokken bij de samenstelling van de tentoonstelling. “Maar vooral de grote versies van de plankaarten in vogelvluchtperspectief, van twee bij drie meter, werden speciaal gemaakt voor bijzondere gelegenheden als uiteenzettingen en presentaties. Mooie visuele hulpmiddelen om de beeldvorming over de stadsuitbreiding een handje te helpen.” Zijn voorkeur gaat uit naar de kaart die vanaf het Nieuwe Meer een blik werpt op de geplande Westelijke Tuinsteden. “Die is zo mooi omdat de vlakverdeling heel goed uitgebalanceerd is. Bovendien wordt heel duidelijk de samenhang tussen de oude stad en de nieuwe wijken gevisualiseerd.” Sommige andere kaarten uit de serie vindt hij veel minder geslaagd. “Een paar zijn er zelfs een beetje rommelig.”

Volgens Schmitz zijn die tekeningen het logisch resultaat van de luxe positie die Van Eesteren en zijn afdeling hadden binnen het gemeentelijk apparaat. “Hij verkeerde in de unieke mogelijkheid om zijn idealen te verwezenlijken op basis van modern samenhangend onderzoek naar de bevolkingssamenstelling, de verkeersstromen en de behoefte aan havens en industrieterreinen. Er werd zelfs op microniveau onderzoek gedaan naar de benodigde aanleg van speelplaatsen voor kinderen van diverse leeftijdscategorieën.” De manurenboekhouding van Stadsontwikkeling uit 1931 laat duidelijk zien hoeveel tijd er werd gestoken in het maken van de diverse plankaarten. Zo vergde het in kaart brengen van alle garages 350 uur werk. Aan andere meer routinematige kaarten werd veel minder tijd besteed. Maar aan de bescheiden uitbreidingsplannen voor de tuindorpen Buiksloot en Oostzaan werd respectievelijk toch nog 237,5 en 160 uur getekend. Aanzienlijk meer tijd ging er zitten in het inzichtelijk maken van de recreatiebehoefte van de toekomstige stadsbewoners: 666 manuren.

De monopoliepositie van Stadsontwikkeling op het gebied van stadsuitbreiding leidt ook tot kritiek. “Wie durfde in het verleden critiek oefenen op zijn beleid?” schrijft architect Arthur Staal in 1946 de machtspositie van de afdeling. “Wie vreesde dan niet uitgesloten te worden van opdrachten? Het is een lange, lange geschiedenis van ambtelijke dictatuur.” Hij waarschuwt ook voor de realisering van het AUP. “Er valt nu nog betrekkelijk weinig te bouwen, maar op het plan uit 1935 wordt voortgewerkt. Zo onopgemerkt wordt Amsterdam er aan vastgeklonken, totdat het straks niet anders meer kan. Wij zullen Amsterdam dan ten graven dragen, geslachtofferd als het architecturale beeld op de pijnbank van de wetenschappelijke beoefening.”

Architectuurhistoricus Vincent van Rossem noemt in zijn alom geroemde proefschrift over het AUP de axonometrische tekeningen van Van Eesteren “opmerkelijk zo niet revolutionair”. Ook over de andere plankaarten in de Nota van Toelichting is hij vol lof vanwege de uitstekende cartografische kwaliteiten en kleurgebruik. Zo vindt Van Rossem dat de gewestelijke Kaart B zijn contrast dankt aan het uitgekiende kleurgebruik. “Deze kaart heeft een ondergrond in de kleur van het gebruikte papier waarop de hoofdverkeerswegen en de recreatieve verbindingen, weergegeven met helder rood en groen, direct in het oog springen.” Met als gevolg dat de kaart volgens hem “verrassend eenvoudig en helder” blijft “terwijl er toch een tamelijk complex stedenbouwkundig probleem wordt weergegeven.”

Hoe zorgvuldig er met kleurgebruik werd omgegaan illustreert Van Rossem aan de hand van Kaart A, die een beeld geeft van de stad en haar relatie met het omringende landschap. Middels kleurcontrasten worden functies als wonen, werken, verkeer en recreatie van elkaar gescheiden. “Een afzonderlijke kleur voor elk van deze bestemmingen was vrijwel uitgesloten omdat het resultaat zodoende chaotisch in plaats van overzichtelijk zou worden.” En dan nog gingen voor publicatie van deze kaart nog diverse drukproeven vooraf. “Waarschijnlijk omdat bij het drukken bleek dat het onmogelijk was om met grafische middelen de kwaliteit van het geaquarelleerde origineel in alle opzichten te evenaren.” Het bewijst maar weer eens de belangrijke rol die in het AUP was weggelegd voor het beeld. Zo ontstaat in 1931 bij Stadsontwikkeling het idee voor het maken van een film “waarin een synthetisch beeld van onze stad zou worden gegeven.” Want de dienst had gesignaleerd dat de bevolking totaal onbekend was met de stedenbouwkundige problemen van een grote stad als Amsterdam.

“Dit alles kan een film, mits suggestief samengesteld en door een leidende gedachte artistiek gebonden, aan de ogen van onze burgers doen voorbijgaan als een pakkende getuigenis van de grootheid en schoonheid van onze stad.”

Maar de cinematografische droom sneuvelde als gevolg van de ingezette economische crisis. Misschien moeten we daar achteraf wel blij om zijn. Wellicht had de dienst als het groen licht had gekregen voor de film wel minder aandacht, tijd en geld gestoken in de vogelvluchtperspectiefkaarten. In het huidige snelle digitale tijdperk wijken de met de hand getekende plankaarten steeds vaker voor gelikte computeranimaties. “We leven nu eenmaal in een ander tijdsgewricht met een veel snellere omlooptijd,” aldus Maarten Kloos, directeur van het Amsterdamse architectuurcentrum Arcam. “Nu kan alles in een vloek en een zucht op de computer worden gemaakt. Maar wel zonder artistiek accent. Zelfs de meest fabelachtige computerkaarten kunnen niet tippen aan de kunstzinnige prenten van Van Niftrik en Van Eesteren. Dat zijn toch bijna schilderijen van de gedroomde ideale stad.”

Gepuzzel met woningen

Alles kan nu dus sneller en realistischer. En dat leidt soms tot hilarische taferelen. Maarten Kloos: “Na publicaties in de media van de artist’s impression van onze geplande nieuwbouw aan het Oosterdok belde er teleurgestelde architectuurtoeristen op dat ze het gebouw helemaal niet konden vinden.” Toch wordt er volgens Kloos ondanks de verzakelijking nog wel handmatig getekend maar niet meer op de grote schaal als voorheen. “De omlooptijd van de kaarten is ook veel geringer. Alles is constant aan verandering onderhevig.” En het tijdperk van de grote plankaarten is gewoon voorbij. Daarvoor ontbreken de overkoepelende toekomstvisies. “Het is nu toch ondenkbaar dat er een ambtenaar komt met een soortgelijk plan als Van Niftrik? Misschien dat qua impact alleen de plannen voor de bouw van een luchthaven in zee vergelijkbaar zijn.” Arcam heeft in 1995 het tij proberen te keren met het in kaart brengen van alle diverse toekomstplannen voor de regio Amsterdam. “Wij wilden met het fenomeen kaart, als verschijnsel, expressie en communicatiemiddel het denken over de toekomst van de stad stimuleren.”

Er worden nu nog wel plankaarten gemaakt voor minder grote nieuwbouwprojecten. Zo tekende Adriaan Geuze van West 8 Landscape Architects het stedenbouwkundig plan voor de eilanden Borneo en Sporenburg in het Oostelijk Havengebied. De huidige werkwijze die hij schetst is van een totaal andere orde dan in de tijd van Berlage en Van Niftrik. Geuze: “Uitgangspunten in hun visie van de ideale stad waren boulevards die na verloop van tijd uitkwamen op een kruispunt, rotonde of plein. Zodoende konden zij aan grand design doen.” Geuze en zijn collega’s moeten het doen met “willekeurige stukjes uitsneden van de stad” die ze bij prijsvragen krijgen toegewezen. “Ons werk begint met het op de locatie plakken van het door ambtenaren doorberekende vereiste aantal woningen. Net zo lang totdat het er allemaal op past.” Het spreekt voor zich dat bij dit eindeloze plakwerk de computer heldenwerk verricht. “Pas als je uit het gepuzzel komt maak je een representatieve plankaart en als vehikel ook nog een maquette van piepschuimblokjes. “Gewoon omdat de meeste mensen en zeker de gemeenteraadsleden met hun mulo 3 geen tekeningen kunnen lezen.”

Geuze heeft de grote plankaarten in vogelvluchtperspectief van het AUP gezien in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. “Ze zijn echt niet te geloven! Maar vroeger konden er ook maandenlang een paar man aan zitten te tekenen.” Dat is nu wel anders. “Wij hebben nu geen tijd meer om een hele mooie alles zeggende tekening te maken die na gebruik kan worden ingelijst. Door de computer zijn wij in staat om heel snel heel veel te reproduceren. Dus krijg je twintig verschillende kaarten die allemaal matig zijn uitgewerkt. Dat is ook logisch, omdat er geen tijd en geld is voor mooie artistieke handmatige tekeningen. Wij kregen voor het stedenbouwkundige plan voor Borneo en Sporenburg ƒ 20.000. Daar kan ik met zes mensen anderhalve week voor werken. Natuurlijk hebben wij vijf keer zoveel tijd genomen. Maar als je de woningtypes moet uitwerken, exploitatiecijfers moet narekenen en verkeerscirculaties moet ontwikkelen, blijft er weinig tijd over voor het maken van een mooie plankaart.”

Duidelijk is dat Amsterdam een duidelijke centrale toekomstvisie ontbeert. De plankaarten die er nog gemaakt worden zijn kleinschalig van aard. Maarten Kloos van Arcam: “Tien tot vijftien jaar geleden publiceerden diverse marktpartijen opeens heel veel ontzettend gedetailleerde nieuwbouwplannen waarmee ze kapitaal hoopten te vergaren voor realisatie.” Erik Schmitz van het Gemeentearchief: “Klopt. Van die leuke gedetailleerde kaarten waarop de toekomstige bewoners hun koophuis kunnen aankruisen. De gemeente is nu veel meer geconcentreerd op facilitair niveau, dat heeft zo zijn consequenties voor het stadsbeeld. In sommige opzichten lijkt het op de 19de eeuw, toen de stad slechts de straten aanlegde en bouw van huizen overliet aan particulieren.” Architect Adriaan Geuze: “Het is nu een proces van kleine stapjes. Het moment van grand design is helemaal verdwenen. We leven in een totaal andere samenleving. Misschien is het wel jammer dat de echte briljante geesten als de Berlages en Hausmannen nooit meer hun ideale stad kunnen tekenen. Niemand is geïnteresseerd in mijn alles overkoepelende visie voor het totale havengebied van de Houthavens tot en met het KNSM-eiland. Dan krijg ik te horen: donder op, wie denk je wel dat je bent! Nee, ik moet het doen met lapjes grond.”

P. de Brock is freelance journalist.

Literatuur

Vincent van Rossem. Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam geschiedenis en ontwerp, NAi uitgevers, 1993.

Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 50 jaar, Amsterdamse Raad voor de Stedebouw, 1985.



De taal van de kaart

Wat voor wijk is dit?

Tekst: Peter-Paul de Baar

Een stadsplattegrond dient natuurlijk in de eerste plaats om de weg te vinden. Maar een geoefende kijker kan er veel méér uit afleiden. Bijvoorbeeld hoe oud een wijk ongeveer is, en of ze is gebouwd voor arme of rijke mensen.

Michiel Wagenaar, docent Sociale Geografie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft er veel ervaring mee. Hij kwam als net afgestudeerd historicus bij de geografen terecht en keek dus altijd al iets anders tegen kaarten aan dan zijn collega’s. Met collega prof.dr. Willem Heinemeijer (1922-2000) stelde hij het schitterende boek Amsterdam in kaarten samen. Oudere lezers van dit blad herinneren zich hem wellicht ook als redactielid van Ons Amsterdam in de jaren 1984-1988.

“Kijk, dit is een mooie kaart om er wat verschillen op aan te wijzen,” zegt Wagenaar, en toont de kaart van Blaeu uit 1647. “Het centrum is natuurlijk niet moeilijk te vinden. Als een stad een rivier heeft, is die stad vaak daarlangs ontstaan. En zo’n eeuwenoud centrum is ook vaak herkenbaar aan de dichtheid van de bebouwing. Nou, dat is hier ter weerszijden van het Damrak en het Rokin goed te zien. Het is een nogal rommelig patroon. De middeleeuwse stad is ‘organisch gegroeid’, zoals wij geografen zeggen, dat wil zeggen zonder vooropgezet plan. Als er ongepland weer een buurtje was ontstaan buiten de overbevolkte ommuurde stad, dan werd dat op den duur weer binnen de muren getrokken; dan kwam er een nieuwe ‘burgwal’ en de oude burgwal werd een binnenstadsgrachtje. Of zo’n stuk voormalige stadsgracht werd gedempt en in een plein veranderd: zo is rond 1600 de Nieuwmarkt ontstaan.”

Een béétje regelmaat is nog wel te ontdekken in die organisch gegroeide oudste stadskern, legt Wagenaar uit. Dat was doorgaans opgelegd door het landschap ter plekke; het moerasgebied dat is ontgonnen om Amsterdam te kunnen bouwen. De eerste woninkjes stonden op de dijk langs de Amstel-monding, die later Damrak ging heten. Daarna breidde de bewoning zich uit naar zijstegen langs de sloten die (met een hoek van 30 graden) schuin op de Amstel uitkwamen. “Als je nu kijkt naar de Jordaan, die vanaf ongeveer 1610 werd bebouwd, dan zie je dat ook daar het veenweidegebied als onderlegger voor het stratenpatroon heeft gediend; dat wil zeggen dat de straten en grachten zijn aangelegd langs diezelfde ellenlange afwateringssloten als in het oude centrum. De Rozengracht is als het ware het verlengde van de Nieuwe Nieuwstraat. Maar dat zie je niet meer meteen, omdat de loop sinds de 17de eeuw wordt onderbroken door die majestueuze grachtengordel, de Heren-, Keizers- en Prinsengracht. Die zijn als drie keurige concentrische halve cirkels rond de middeleeuwse stad gedrapeerd, op regelmatige afstand onderbroken door dwarsstraten haaks op de grachten. Dat is een regelmatig meetkundig patroon en daaraan kan je zien dat het vooraf is bedacht. En het laat ook zien dat de grond hier niet (zoals in de Jordaan) stukje bij beetje, van sloot tot sloot, is opgekocht en bebouwd, maar dat hier hele gebieden tegelijk zijn onteigend. Dat moet veel geld en moeite gekost hebben. Je kan bovendien al op de kaart zien dat er grote percelen zijn met behoorlijke binnentuinen. Dus ook als je de huizen zelf niet ziet, kan je al uit de kaart afleiden dat dit een rijkeluisbuurt was. En voor de Jordaan geldt het tegendeel. Dat ze daar het oude landschapspatroon intact hebben gelaten, geeft aan dat het stadsbestuur er weinig geld voor over had: een buurt voor de eenvoudige Amsterdammers, dus. Vóór de Woningwet van 1901 was stedenbouw nu eenmaal een luxe.”

In de 19de eeuw herhaalt dit onderscheid zich bij de grootschalige stadsuitbreidingen van die tijd. Aan het ‘hoepelrok-patroon’ van het Museumplein en de omringende straten kan je zien dat ze op de tekentafel ontworpen zijn. Het aangrenzende deel van de Pijp ten noorden van de Van Ostadestraat volgt weer het oude slotenpatroon.

Stedenbouw voor de kleine man

“Je kunt natuurlijk op het verkeerde been worden gezet,” vervolgt Wagenaarer. “Neem de Vondelstraat en de P.C. Hooftstraat. Dat zijn deftige straten, maar wel aangelegd langs oude polderpaden. Dat kwam omdat de overheid zich er nog niet mee bemoeide en dus van massale onteigening nog geen sprake kon zijn. Daardoor liepen ook de ambitieuze plannen van Van Niftrik spaak. En een nog duidelijker uitzondering op onze regel is de Rivierenbuurt. Daar zie je juist een grootse opzet, met die ongekend brede Amstellaan (nu de Vrijheidslaan) die zich symmetrisch splitst in de Noorder- en Zuideramstellaan, nu de Churchill- en de Rooseveltlaan. Dat moet wel een rijkeluisbuurt zijn, denk je meteen, maar nee, ze was bedoeld voor middenstanders en eenvoudige ambtenaren, net zoals de prachtige Nieuwe Pijp bedoeld was voor de ‘betere arbeiders’. De Woningwet maakte het de gemeente nog wat makkelijker op grote schaal te onteigenen als er een goed uitbreidingsplan lag, en de nieuwe socialistische wethouders als Wibaut en De Miranda hadden het geld er graag voor over. Voor het eerst kwam stedenbouw binnen het bereik van de kleine man.”

We zouden nog uren door kunnen gaan, maar Wagenaar beperkt zich ertoe nog te wijzen op een paar stukjes stad die ook voor niet in Amsterdam bekende stedenbouwhistorici makkelijk te dateren zouden zijn, omdat ze bepaalde modes weerspiegelen. Zoals bijvoorbeeld Betondorp. Dat heeft een soort spinnenwebstructuur, met de Brink als middelpunt, en opvallend weinig toegangswegen. Aan de omgeving is te zien dat het in de polder is gebouwd, dus dan weet je dat het geen middeleeuws brinkdorp is, zoals dat her en der op bos- en heidegronden is te vinden. Dus moet het wel een nostalgisch ontwerp uit later tijd zijn. En inderdaad: het is typisch een tuindorp uit de jaren twintig, geïnspireerd door de Engelse ‘garden city’-beweging, die in Nederland vurige aanhangers had onder romantisch ingestelde sociaal-democraten als Henri Polak, Floor Wibaut en Arie Keppler. De mannen van Betondorp moesten weliswaar heen en weer naar de zondige grote stad, maar ja, die waren gehard; hun vrouwen en kinderen konden in ieder geval bijna al hun tijd doorbrengen in hun onbedorven caféloze dorp. Een ander zeer herkenbaar kaartbeeld levert de strokenbouw in het naoorlogse deel van Bos en Lommer en in de Westelijke Tuinsteden, waarover meer valt te lezen in ons vorige nummer: dat móeten wel wijken uit de jaren veertig of vijftig zijn, ziet de kenner uit pakweg Frankfurt meteen. Ten slotte wijst Wagenaar met enig afgrijzen op de honingraatstructuur van de hoge Bijlmerflats uit eind jaren zestig, tussen veel openbaar groen (want privétuinen werden kleinburgerlijk geacht). “Dat is zo’n afwijkende vorm dat je het meteen herkent als product van het modernistische functionalisme, met als messias de Fransman Le Corbusier.” Wagenaar: “Nou, we weten wat daarvan terecht is gekomen. We hebben leergeld betaald. Als je zo’n structuur op de kaart aantreft, dan weet je vrijwel zeker: die buurt is gebouwd vóór 1980.



Atlas Amsterdam

Digitale plattegrond als stadsencyclopedie

Tekst: Peter-Paul de Baar

10112002_Atlas_AmsterdamGoed nieuws voor Amsterdam-liefhebbers met een computer: steeds meer documentatie over de stad wordt gedigitaliseerd en daardoor makkelijker bereikbaar. Een nieuwe stap in die richting is het internet-project Atlas Amsterdam, waarin oneindig veel informatie in kaartvorm kan worden gepresenteerd en met elkaar gecombineerd. Al staat dit project nu nog in de kinderschoenen.

Stel: u bent in een andere buurt gaan wonen en u zoekt een goede school voor uw kinderen, niet te ver van huis. U kijkt in het telefoonboek, waar u onder de S van scholen verwezen wordt naar de sector Onderwijs op de roze pagina’s voorin. In de ellenlange lijst voorin speurt u naar postcodes die een beetje op de uwe lijken. Daar bent u wel even mee zoet.... Of: u heeft een eetafspraak bij nieuwe kennissen op de Hoofdweg, nummer tweehonderdzoveel. Waar vindt u dat adres: ergens bij het Surinameplein, bij het Mercatorplein of het Bos en Lommerplein? Bellen lukt niet; ze zijn kennelijk nog niet thuis.

Maar dán is er de Atlas Amsterdam!

Op de internetsite www.atlas.amsterdam.nl vindt u niet alleen een plattegrond van Amsterdam, maar ook een zoekschermpje waarop u een straatnaam en huisnummer kunt intikken. Als u een school dicht bij huis zoekt, typt u hier uw eigen huisadres. Daaronder staan een paar vakjes met thema’s: zoals ‘topografie’, ‘cultuur, ‘gezondheidszorg’, ‘kinderen’, ‘sociaal’ en ook ‘onderwijs’. Dat vakje vinkt u aan, drukt op de zoekknop en, voilà, op een detailkaartje worden alle scholen rond uw woning getoond, als icoontjes in de vorm van een schoolbank. Of u vult het adres van uw tandarts in de Apollolaan in, en kiest het vakje ‘topografie’. Dan verschijnt een detailkaartje van de Apollolaan waarop alle percelen afzonderlijk worden aangegeven, mét huisnummer. En het huis van uw tandarts staat midden op uw scherm. Dat zijn maar twee toepassingsmogelijkheden van versie 1.0 van de Atlas Amsterdam, die sinds 1 oktober 2001 op internet te vinden is.

Projectleider Arris Oliemans houdt kantoor op de derde verdieping van het GG&GD-gebouw op de Nieuwe Achtergracht, waar projectbureau De Glazen Stad is gevestigd. Dat stimuleert de elektronische informatievoorziening door de gemeente op alle niveaus. De naam doet weer denken aan een gidsje dat de gemeente rond 1990 uitgaf: Het glazen huis. Dat had tot doel gemeentelijke diensten vindbaar te maken voor de burger: een soort interne telefoongids van het stadhuis voor de buitenwacht. De titel typeerde het democratische streven naar grotere openbaarheid en inzichtelijkheid van het bestuur. Maar door de permanente reorganisaties was dat gidsje al binnen een jaar zwaar verouderd. Omstreeks 1995 begon internet aan zijn razendsnelle opmars en één van de voordelen van dat communicatiesysteem is juist dat informatie voortdurend aangepast kan worden. Veel gemeentelijke informatie werd al digitaal toegankelijk omstreeks 1993, toen PIGA werd geïntroduceerd: het Publieks-Informatiesysteem van de Gemeente Amsterdam. Eerst kon je dat aanschaffen op diskette, later kwam het op internet. Het bestond nog alleen uit tekst: als je het zoekwoord ‘tandartsen’ of ‘parkeervergunning’ intikte, kreeg je een lijst te zien van aanklikbare namen of instanties die daarover gingen. In 1999 volgde een - terecht bekroonde - website van de gemeente (www.amsterdam.nl), waarin PIGA werd geïntegreerd. En deze gemeentesite biedt sinds enige tijd ook kaartjes waarop het adres van een gezochte instantie staat gemarkeerd. Eind oktober komt er een vernieuwde versie, met nog meer kaartbeelden uit de Atlas Amsterdam erin.

In de Atlas Amsterdam zijn kaarten echter niet meer alleen een handige aanvulling, maar het belangrijkste ordeningsprincipe. “De Atlas komt voort uit het besef dat heel veel informatie over Amsterdam een ruimtelijke component heeft,” zegt Oliemans. “Misschien wel tachtig procent van de gegevens heeft wel iets met een locatie te maken. Een stoeptegel die ergens losligt, een makelaar die ergens is gevestigd. Een kaart is dan ook een goede ‘onderlegger’ om dingen duidelijk te maken. Veel mensen vinden het ook préttiger om informatie visueel gepresenteerd te krijgen dan met een heleboel woorden. Neem die scholen in de buurt: je ziet ze in één oogopslag.”

Een totaalplan voor gemeentelijke diensten

De Atlas Amsterdam heeft enerzijds hetzelfde doel als dat oude gidsje en PIGA: burgers wegwijs maken in Amsterdam en de openbaarheid van het bestuur bevorderen. Maar ze heeft ook een functie binnen het gemeentelijk apparaat. Verschillende kaart-gegevens kunnen met elkaar worden gecombineerd en ook kan tekstuele informatie worden gekoppeld aan topografische informatie. De Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) deed al eind jaren negentig pionierswerk op dit terrein. Ze had natuurlijk zelf al heel veel kaartmateriaal: bijvoorbeeld gedetailleerde plattegronden waarop riolen waren ingetekend. Maar als om een of andere reden de straat moest worden opgebroken, diende natuurlijk ook rekening te worden gehouden met gasbuizen en elektrische leidingen en waterleidingbuizen. Die stonden ingetekend op identieke grootschalige plattegronden, die bewaard werden bij het Gemeentelijk Energiebedrijf (nu NUON) en de Gemeentewaterleidingen. En alléén daar kon je de rapporten vinden waaruit bleek wanneer die diensten ieder voor zich weer van plan waren dezelfde straat open te breken. De DRO begon de relevante plattegronden in de computer samen te voegen tot één grote elektronische plattegrond, zodat diverse kaartbeelden over elkaar heen konden worden geprojecteerd. Eerst de eigen kaarten met bijbehorende informatie, later ook het materiaal van andere diensten die mee wilden werken. Ook andere gemeentelijke instanties begonnen op eigen houtje met dergelijke projecten: voor intern gebruik, voor onderling contact of voor publieksvoorlichting. Ten slotte brak het besef door dat het wél zo slim was de koppen bij elkaar te steken en samen één totaalplan uit te werken. Dat werd de Atlas Amsterdam.

Dat klinkt overigens vanzelfsprekender en makkelijker dan het is. Projectleider Oliemans: “Niet alle gebruikers willen nu eenmaal hetzelfde. We zitten tóch nog een beetje in een spagaat tussen de publieke en de professionele markt. Voor ambtenaren en voor professionele beroepsgroepen (makelaars, wetenschappers) kan de informatie niet gedetailleerd genoeg zijn, natuurlijk. Maar dan dreigt weer het gevaar dat de gewone burger door de bomen het bos niet meer ziet. En het systeem wordt technisch ook zwaarder belast, waardoor het zoeken trager gaat. Al dat soort problemen moeten we nog oplossen. Dus bouwen we de Atlas heel geleidelijk uit.”

Inderdaad zijn de mogelijkheden van versie 1.0 nog vrij beperkt – in ieder geval vergeleken met wat in principe mogelijk is. Het is nu nog vooral een adressenboek in kaartvorm: waar in de straat vind je een bepaald huisnummer, waar staan kerken of moskeeën, waar moet je zijn voor een visakte? Heel geleidelijk wordt er andersoortige informatie aan toegevoegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor enkele bestemmingsplannen. Je ziet een overzichtskaartje van het hele gebied, maar kan ook per huis de toegekende functie op de scherm zien, inclusief de betreffende besluiten.

Veel andere informatie is al wel gedigitaliseerd en aan de kaart gekoppeld, maar toch nog niet beschikbaar voor de gewone gebruiker van Atlas Amsterdam. Veel daarvan staat echter al wel op het intranet van de gemeente, het netwerk waartoe alleen gemeenteambtenaren toegang hebben. Dat intranet dient als een soort proeftuin. Dat allerlei gegevens nog niet in de openbare Atlas Amsterdam staan, kan allerlei redenen hebben. Soms vinden de beheerders de informatie te onvolledig: bivoorbeeld omdat nog niet alle stadsdelen hun gegevens hebben doorgegeven. En soms willen diensten informatie niet afstaan omdat ze vinden dat de gewone burger daar niets mee te maken heeft. Neem de exacte ligging van gasleidingen: moet je dat nou op het wereldwijde internet zetten, als gratis service aan terroristen? Geregeld spelen ook financiële overwegingen een rol. Het Kadaster vraagt nu voor ieder uittreksel een behoorlijk bedrag: daar staan ze dus niet te popelen om alles gratis te verstrekken. Er wordt daarom gestudeerd op de mogelijkheden om sommige internetinformatie alleen beschikbaar te stellen aan betalende abonnees.

Koppelingen met woningaanbod en bouwaanvragen

Een hoofdstuk apart is statistische informatie, bijvoorbeeld de spreiding van etnische groepen over de stad, of werkloosheid, of het aantal huisartsen per 1000 inwoners. Die informatie is sinds 1894 verzameld door het Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam, dat nu bureau Onderzoek en Statistiek (O+S) heet. Daar toveren ze nu al met één druk op de knop alle postcodegebieden op het scherm waar meer dan zestig procent van de bevolking een universitaire opleiding heeft, dan wel op de LPF stemde. Al die gegevens zitten nu nog in een systeem dat Stadsmonitor Amsterdam heet en alleen toegankelijk is voor een elite van O+S-medewerkers, topambtenaren en betrokken wetenschappers. En O+S staat ook niet te trappelen om al dat materiaal zómaar via internet openbaar te maken, omdat er zonder nadere toelichting en bewerking maar al te snel overhaaste conclusies uit kunnen worden getrokken.

Maar binnenkort zijn toch al interessante aanvullingen op de Atlas te verwachten. Er komt een koppeling met de Woningnet-site, met het woningaanbod in de regio. De Stedelijke Woningdienst levert gegevens over bouwaanvragen en nieuwbouwlocaties. En het Gemeentearchief stelt zowaar op termijn talloze oude stadsbeeldfoto’s beschikbaar die aan de betreffende straten op de digitale kaart gekoppeld gaan worden. De eigen site van het Gemeentearchief biedt hiervan binnenkort al een voorproefje.

“Maar het gaat ons niet alleen om nog meer informatie,” zegt Arris Oliemans. “We willen ook dat alles veel makkelijker vindbaar wordt. Het zou bijvoorbeeld mogelijk moeten zijn dat je een vraag intypt als: ‘Welke huisarts in mijn omgeving heeft vandaag weekenddienst?’ en dat je dan vanzelf een plattegrondje met diens adres te zien krijgt!”

Tot troost voor de lezers die zelf geen internetaansluiting hebben: in de Openbare Bibliotheek kunt u naar hartenlust internetten en alle informatie is ook wel ergens nog op papier te raadplegen.



Op de tekenkamer van de Dienst der Publieke Werken maakten ambtenaren aanvankelijk alleen kaarten wanneer beleidsmaker en uitvoerders van de dienst daar behoefte aan hadden.
Vanaf eind 19de eeuw werd aan een aantal kaarten structureel gewerkt, eerst de overzichtskaart: 1:10.000 (1902) toen de meer gedetailleerde 1:1000 (1909) en tussen 1910 tot 1993 verscheen in verschillende fraaie versies de 1:5000 kaart.

Het beheer van de openbare ruime in Amsterdam werd in 1851 ondergebracht bij de speciaal hiervoor opgerichte Dienst der Publieke Werken. De ambtenaren die daar werkzaam waren moesten een goed en actueel beeld hebben van de straten, plantsoenen kruispunten en gebouwen in de stad. Plattegronden waren daarbij onmisbaar en ze werden door ambtenaren van de dienst in verschillende uitvoeringen gemaakt: wilden beleidsmakers of uitvoerders een kaart hebben, dan werd die simpelweg getekend en eventueel gedrukt. Ze werden aanvankelijk alleen gemaakt als er behoefte aan was. Het vervaardigen van kaarten gebeurde dus niet planmatig. Eind 19de eeuw veranderde dit. Publieke Werken wilde voortaan op ieder gewenst moment kunnen beschikken over grootschalige, gedetailleerde kaarten. Om te beginnen werd een grote kaart in twaalf bladen gemaakt: het College van B&W had daarvoor in 1896 de opdracht gegeven. Deze kaart werd getekend onder leiding gemeenteambtenaar H.J. Scheltema en in 1900 gedrukt op een steendrukpers van drukkerij Tresling & Co, in een oplage van 316 exemplaren. Het werd een fraaie kaart op schaal 1:3750.
Vervolgens werd op de tekenkamer van Publieke Werken – wederom onder leiding van Scheltema – in 1902 een verkleining hiervan gemaakt op een schaal van 1:10.000. Deze was logischerwijs, minder gedetailleerd dan de eerste.
Een nieuwe druk van de eerste Scheltema-kaart, de 1:3750 zat er niet in.: de stenen waarvan die gedrukt was, waren teveel afgesleten om nog een mooie druk te verkrijgen, zo bleek in 1905. Bovendien wilde men een kaart die geschikt was voor het registreren van het gemeentelijke leidingnet en daarvoor was deze kaart niet gedetailleerd genoeg. Eenmaal op dit punt aanbeland, werd een nieuw beleid uitgestippeld voor het stelselmatig in kaart brengen van de stad op een schaal van 1:1000. In 1908 werd het eerste proefblad gedrukt en vanaf 1909 vorderde de productie in rap tempo. De Scheltema-kaart in twaalf bladen was hiermee vervangen door een veel gedetailleerdere uitgave. Om het hele gebied binnen de stadsgrens af te beelden, had men in 1909 liefst 76, mogelijk 77 bladen nodig. Na annexaties van 1921 (toen onder andere Sloten, Nieuwendam, Ransdorp, Buiksloot, Watergraafsmeer en delen van Nieuwer-Amstel bij de stad werden getrokken) en 1966 (delen van het voormalige Weesperkarspel, wat leidde tot het hedendaagse Amsterdam-Zuidoost), werden dat er meer dan 250.
Sinds 1908 waren er dus twee soorten kaarten die door de medewerkers van Publieke Werken en het publiek konden worden geraadpleegd: de één op een schaal van 1:1000, de ander 1:10.000 (uitgegeven op één blad). Het hoeft niemand te verbazen: het gat tussen de twee beschikbare uitgaven werd al gauw te groot gevonden: een nieuwe kaart van Amsterdam op schaal 1:5000.

Stadsuitbreiding “in kleuren en streepen”
Van de uitgave van de 1:5000 kaart uit 1911 is helaas maar een van de vier bladen bewaard gebleven (uitgevoerd in kleur). Ook bezit het Gemeentearchief een gemonteerde versie met aanvullingen uit 1916, waarop in de onderrand staat vermeld: “gedrukt in december 1910 | herdrukt in april 1914 | herdrukt in januari 1916. Er moeten dus minstens vier verschillend gedateerde uitgaven van deze 1:5000-kaart geweest zijn. Die waren bovendien leverbaar in verschillende kleurstellingen: in zwart, in zwart en blauw en in kleur.
Het gemonteerde exemplaar is een speciale, historisch ingevulde uitgave en staat bekend onder de naam ‘De Kaart van Van Eck’. Hierop tekende stadshistoricus J. van Eck de ontwikkeling van de stad in. Die kaart kreeg een speciale titel: “Amsterdam | 1915 | in kaart gebracht | door den dienst van Publieke Werken | in kleuren en streepen | aangegeven de uitbreiding van de stad, | hare havenwerken en spoorwegen van | de tweede helft der 19de eeuw tot heden | door J. van Eck”. De verwijzing naar het jaar 1915 lijkt te slaan op het werk van Van Eck, want zijn onderzoeksresultaten werden getekend op een uitgave van de kaart uit 1916. Delen van de ‘kale kaart’ werden overplakt met gegevens onder de stadsontwikkeling buiten de Singelgracht, voornamelijk van na het jaar 1865. In manuscript zijn twaalf vakken aangeduid waarin de de nieuwe uitleg werd verdeeld. Hierbinnen zijn honderden details ingetekend van de ontwikkelingen van de topografie, die in de opgeplakte legendablokken nader worden uitgelegd, vaak met vermelding van de relevante raadsbesluiten. In rood staan de zesentwintig bolwerken ingetekend die de stad insloten voor het begin van de nieuwe uitleg. In het IJ is in dezelfde kleur de palenrij ingetekend, die in de jaren zestig van de 19de eeuw werd verwijderd. De opgeplakte legenda is in enkele hoofdgroepen samen te vatten: “De oude stad; Plantsoenen binnen stadsvest; Bebouwing langs de schansen; Uitbreidingen (sedert) 1876 en Langs de schansen (in elke van de twaalf uitbreidingsvakken).” Het is niet duidelijk of er na 1916 nog uitgaven van deze kaart in vier bladen verschenen. In ieder geval zijn ze niet bekend.
Wel bekend bij het Gemeentearchief is de 1:5000-kaart die enkele jaren later door Publieke Werken is vervaardigd, maar niet is gedateerd. Hierop is iet de hele gemeente ingetekend, maar alleen de geactualiseerde stedelijke bebouwing (in rood). Ook zien we (in roze) de nog niet uitgevoerde plannen van architect H.P. Berlage in Amsterdam-Zuid. Deze kaart, die bestaat uit een oost- en een westblad, toont een kaartbeeld dat overeenkomt met Amsterdam in 1920-1921. De in totaal zes exemplaren van de kaart die bekend zijn, laten alle hetzelfde kaartbeeld zien. Het lijkt er dus op dat de kaart geen gewijzigde heruitgaven heeft gekend.
De eerstvolgende1:5000-kaart stamt uit 1929-1930. Deze werd niet zoals zijn voorganger op twee grote bladen gedrukt, maar op negen wat kleinere bladen. Overeenkomstig de uitgave van 1920 – 1921, tonen ze de stedelijke bebouwing, aangevuld met een randje onbebouwd gebied. Aansluitend, in de jaren 1931 – 1934, worden ook de bladen gedrukt die het overige landelijke gebied binnen de gemeentegrenzen laten zien (bladen 10 tot en met 25). Het is een prachtige kaart met een evenwichtig kaartbeeld. Ook de kleurstelling is bijzonder fraai.
Als hulp om het goede blad te kunnen vinden, werd, vermoedelijk ook tussen 1931 en 1934, een bladwijzer gedrukt. Hierop staan alle 25 bladen ingetekend. Het is opvallend dat de bladen 17 tot en met 21 hierop maar half zo breed zijn als de overige bladen. Vreemd, want deze vijf bladen zijn even groot als de bladen 7 tot en met 16. De originele bladen 21 tot en met 25 zijn wel kleiner dan de overige. Ze zijn slechts half zo hoog. De onjuiste weergave van de verhoudingen van deze bladen op de bladwijzer doet vermoeden dat deze eerder werd getekend dan de kaartbladen 17 tot en met 21, Op de bladwijzer is overigens elk vakje dat een 1:5000-blad weergeeft weer verdeeld in kleinere vakjes van zes bij zes: dit is de bladindeling van de 1:1000 kaart. Onderaan de bladwijzer is te zien op welke hoogte Amsterdam zich bevindt ten opzichte van de omliggende gebieden: het getekende hoogteprofiel toont een ‘dwarsdoorsnede’ van Noord-Holland dat loopt van de Noordzee, via Amsterdam tot de Zuiderzee.

Knippen en plakken
Iedere stadsplattegrond, of die nu gebruikt wordt door toeristen of door medewerkers van Publieke Werken, moet met regelmaat worden gewijzigd en aangevuld. Het actualiseren van kaartbladen gebeurt meestal door delen van de oorspronkelijke tekening te vervangen door het nieuwe kaartbeeld. Voor de 1:5000-serie werd, hoogst uitzonderlijk, een andere wijze gebruikt. Deze kaarten werden gewijzigd door delen die sterk waren veranderd te overplakken. Hiertoe werden in of rond 1934 zogenaamde correctiebladen gedrukt. Dit zijn gedrukte vellen met enige tientallen ‘eilandkaartjes’. Deze moesten worden uitgeknipt en over het verouderde kaartbeeld worden geplakt. Het Gemeentearchief bezit twee van die correctiebladen, genummerd 4 en 7. Er zijn er dus in ieder geval zeven van gemaakt. Het overplakken moet een tijdrovende bezigheid zijn geweest en er zullen door deze techniek ook vele verschillende kaartbeelden zijn ontstaan, immers, als niet alle ‘eilandjes’ waren opgeplakt, was het blad slechts gedeeltelijk bijgewerkt en dus niet helemaal actueel. De collectie van het Gemeentearchief bevat enkele tientallen beplakte bladen, maar niet een van na 1934. Waarschijnlijk gebeurde het knippen en plakken daarna niet meer – misschien omdat het vrij duur en arbeidsintensief was en enige accuratesse vereiste.
Een ander probleem bij het vervaardigen van de actuele kaarten ontstond toen de stads steeds maar verder uitbreidde. Toen in 1966 de stadsgrenzen werden verlegd om in de voormalige gemeente Weesperkarspel het huidige Zuidoost te realiseren, werd een nieuwe bladindeling van de 1:10.000-kaart nodig om de hele stad op één kaart te krijgen. Daarmee veranderde ook de 1:5000-kaart die is afgeleid van de overzichtskaart in negen bladen: elk 1:10.000 blad omvat exact het gebied van vier 1:5000-bladen.
Toch is er iets merkwaardigs aan de hand met het aantal kaartbladen van de 1:5000-kaart. Op de bladen die vóór 1993 verschenen, lezen we dat het een kaart in zesendertig bladen is. Deze bladen zijn genummerd 1.1. tot en met 9.4. Mar in 1991/1992 werd het blad 14.1 Uitdam gedrukt, omdat dit uiterste noordoostelijke stukje van Amsterdam tot dan toe niet op de kaartbladen voorkwam. Het bladnummer 14.1. werd vastgesteld na doornummering van de spiraalvormig toegekende oudere bladen van de 1:10.000-kaart – zie ter illustratie de nummering in de kaart op pagina 367.
(Schuin) boven de bladen 9,2 en 3 zouden ook nog de bladen 10 tot en met 13 moeten worden toegevoegd. Die zijn echter nooit gedrukt. De aanvulling aan de oostkant met de bladen 14.1 tot en met 14.4 kwam er maar ten dele: alleen de Uitdamkaart rolde van de pers.
In 1993 werd het laatste 1:50000-blad gedrukt: de koste rezen de pan uit en vraag was er nauwelijks naar de kaarten. Bovendien namen de mogelijkheden voor het maken van kaarten op de computer begin jaren negentig in rap tempo toe. De producent van de 1:5000-kaart, Geo-informatie Amsterdam, koos ervoor om over te stappen op digitale kaartvervaardiging. De gedetailleerdere 1:1000-kaart werd toe nal digitaal vervaardigd en dat moest op korte termijn ook het geval zjn met de 1:10.000-kaart. Bovendien werd het niet langer nodig gevonden de 1:5000-kaart apart te vervaardigen; met de computer kon die immers in een handomdraai worden ontleend aan de digitale 1:10.000-kaart: Het beeld hoeft ten slotte alleen maar te worden vergroot. De Papieren versie – niet langer gedrukt, maar geprint – was kwalitatief natuurljk wel een stuk minder geworden dan de oudere bladen, met name in de lijnvoering. Vanaf 1996 zijn er wel weer geprinte 1:5000-bladen leverbaar, waarbij opvalt dat het tegenwoordig gaat om een kaartin zevenendertig bladen, en niet langer om zesendertig.

Tekst: Marc Hameleers
Marc Hameleers is conservator en plattegronden-expert bij het Gemeentearchief Amsterdam