Nummer 10-11: Oktober-November 2002


De taal van de kaart

Wat voor wijk is dit?

Tekst: Peter-Paul de Baar

Een stadsplattegrond dient natuurlijk in de eerste plaats om de weg te vinden. Maar een geoefende kijker kan er veel méér uit afleiden. Bijvoorbeeld hoe oud een wijk ongeveer is, en of ze is gebouwd voor arme of rijke mensen.

Michiel Wagenaar, docent Sociale Geografie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft er veel ervaring mee. Hij kwam als net afgestudeerd historicus bij de geografen terecht en keek dus altijd al iets anders tegen kaarten aan dan zijn collega’s. Met collega prof.dr. Willem Heinemeijer (1922-2000) stelde hij het schitterende boek Amsterdam in kaarten samen. Oudere lezers van dit blad herinneren zich hem wellicht ook als redactielid van Ons Amsterdam in de jaren 1984-1988.

“Kijk, dit is een mooie kaart om er wat verschillen op aan te wijzen,” zegt Wagenaar, en toont de kaart van Blaeu uit 1647. “Het centrum is natuurlijk niet moeilijk te vinden. Als een stad een rivier heeft, is die stad vaak daarlangs ontstaan. En zo’n eeuwenoud centrum is ook vaak herkenbaar aan de dichtheid van de bebouwing. Nou, dat is hier ter weerszijden van het Damrak en het Rokin goed te zien. Het is een nogal rommelig patroon. De middeleeuwse stad is ‘organisch gegroeid’, zoals wij geografen zeggen, dat wil zeggen zonder vooropgezet plan. Als er ongepland weer een buurtje was ontstaan buiten de overbevolkte ommuurde stad, dan werd dat op den duur weer binnen de muren getrokken; dan kwam er een nieuwe ‘burgwal’ en de oude burgwal werd een binnenstadsgrachtje. Of zo’n stuk voormalige stadsgracht werd gedempt en in een plein veranderd: zo is rond 1600 de Nieuwmarkt ontstaan.”

Een béétje regelmaat is nog wel te ontdekken in die organisch gegroeide oudste stadskern, legt Wagenaar uit. Dat was doorgaans opgelegd door het landschap ter plekke; het moerasgebied dat is ontgonnen om Amsterdam te kunnen bouwen. De eerste woninkjes stonden op de dijk langs de Amstel-monding, die later Damrak ging heten. Daarna breidde de bewoning zich uit naar zijstegen langs de sloten die (met een hoek van 30 graden) schuin op de Amstel uitkwamen. “Als je nu kijkt naar de Jordaan, die vanaf ongeveer 1610 werd bebouwd, dan zie je dat ook daar het veenweidegebied als onderlegger voor het stratenpatroon heeft gediend; dat wil zeggen dat de straten en grachten zijn aangelegd langs diezelfde ellenlange afwateringssloten als in het oude centrum. De Rozengracht is als het ware het verlengde van de Nieuwe Nieuwstraat. Maar dat zie je niet meer meteen, omdat de loop sinds de 17de eeuw wordt onderbroken door die majestueuze grachtengordel, de Heren-, Keizers- en Prinsengracht. Die zijn als drie keurige concentrische halve cirkels rond de middeleeuwse stad gedrapeerd, op regelmatige afstand onderbroken door dwarsstraten haaks op de grachten. Dat is een regelmatig meetkundig patroon en daaraan kan je zien dat het vooraf is bedacht. En het laat ook zien dat de grond hier niet (zoals in de Jordaan) stukje bij beetje, van sloot tot sloot, is opgekocht en bebouwd, maar dat hier hele gebieden tegelijk zijn onteigend. Dat moet veel geld en moeite gekost hebben. Je kan bovendien al op de kaart zien dat er grote percelen zijn met behoorlijke binnentuinen. Dus ook als je de huizen zelf niet ziet, kan je al uit de kaart afleiden dat dit een rijkeluisbuurt was. En voor de Jordaan geldt het tegendeel. Dat ze daar het oude landschapspatroon intact hebben gelaten, geeft aan dat het stadsbestuur er weinig geld voor over had: een buurt voor de eenvoudige Amsterdammers, dus. Vóór de Woningwet van 1901 was stedenbouw nu eenmaal een luxe.”

In de 19de eeuw herhaalt dit onderscheid zich bij de grootschalige stadsuitbreidingen van die tijd. Aan het ‘hoepelrok-patroon’ van het Museumplein en de omringende straten kan je zien dat ze op de tekentafel ontworpen zijn. Het aangrenzende deel van de Pijp ten noorden van de Van Ostadestraat volgt weer het oude slotenpatroon.

Stedenbouw voor de kleine man

“Je kunt natuurlijk op het verkeerde been worden gezet,” vervolgt Wagenaarer. “Neem de Vondelstraat en de P.C. Hooftstraat. Dat zijn deftige straten, maar wel aangelegd langs oude polderpaden. Dat kwam omdat de overheid zich er nog niet mee bemoeide en dus van massale onteigening nog geen sprake kon zijn. Daardoor liepen ook de ambitieuze plannen van Van Niftrik spaak. En een nog duidelijker uitzondering op onze regel is de Rivierenbuurt. Daar zie je juist een grootse opzet, met die ongekend brede Amstellaan (nu de Vrijheidslaan) die zich symmetrisch splitst in de Noorder- en Zuideramstellaan, nu de Churchill- en de Rooseveltlaan. Dat moet wel een rijkeluisbuurt zijn, denk je meteen, maar nee, ze was bedoeld voor middenstanders en eenvoudige ambtenaren, net zoals de prachtige Nieuwe Pijp bedoeld was voor de ‘betere arbeiders’. De Woningwet maakte het de gemeente nog wat makkelijker op grote schaal te onteigenen als er een goed uitbreidingsplan lag, en de nieuwe socialistische wethouders als Wibaut en De Miranda hadden het geld er graag voor over. Voor het eerst kwam stedenbouw binnen het bereik van de kleine man.”

We zouden nog uren door kunnen gaan, maar Wagenaar beperkt zich ertoe nog te wijzen op een paar stukjes stad die ook voor niet in Amsterdam bekende stedenbouwhistorici makkelijk te dateren zouden zijn, omdat ze bepaalde modes weerspiegelen. Zoals bijvoorbeeld Betondorp. Dat heeft een soort spinnenwebstructuur, met de Brink als middelpunt, en opvallend weinig toegangswegen. Aan de omgeving is te zien dat het in de polder is gebouwd, dus dan weet je dat het geen middeleeuws brinkdorp is, zoals dat her en der op bos- en heidegronden is te vinden. Dus moet het wel een nostalgisch ontwerp uit later tijd zijn. En inderdaad: het is typisch een tuindorp uit de jaren twintig, geïnspireerd door de Engelse ‘garden city’-beweging, die in Nederland vurige aanhangers had onder romantisch ingestelde sociaal-democraten als Henri Polak, Floor Wibaut en Arie Keppler. De mannen van Betondorp moesten weliswaar heen en weer naar de zondige grote stad, maar ja, die waren gehard; hun vrouwen en kinderen konden in ieder geval bijna al hun tijd doorbrengen in hun onbedorven caféloze dorp. Een ander zeer herkenbaar kaartbeeld levert de strokenbouw in het naoorlogse deel van Bos en Lommer en in de Westelijke Tuinsteden, waarover meer valt te lezen in ons vorige nummer: dat móeten wel wijken uit de jaren veertig of vijftig zijn, ziet de kenner uit pakweg Frankfurt meteen. Ten slotte wijst Wagenaar met enig afgrijzen op de honingraatstructuur van de hoge Bijlmerflats uit eind jaren zestig, tussen veel openbaar groen (want privétuinen werden kleinburgerlijk geacht). “Dat is zo’n afwijkende vorm dat je het meteen herkent als product van het modernistische functionalisme, met als messias de Fransman Le Corbusier.” Wagenaar: “Nou, we weten wat daarvan terecht is gekomen. We hebben leergeld betaald. Als je zo’n structuur op de kaart aantreft, dan weet je vrijwel zeker: die buurt is gebouwd vóór 1980.