Nummer 10-11: Oktober-November 2002



Voorbij zijn de mooie dromen

Waarom plankaarten zijn vervangen door globale schetsen

Tekst: Peter de Brock

10112002_StadsingenieursDe plankaarten van Van Niftrik uit 1866 en van Van Eesteren uit 1935 verbeelden niet alleen visies van de gedroomde ideale stad, maar zijn ook artistieke hoogstandjes. “Fantastisch geschilderde kunstzinnige visies van hoe de stad zich kon gaan ontwikkelen,” aldus Maarten Kloos van architectuurstichting Arcam. Maandenlang zaten tientallen tekenaars van de dienst Publieke Werken aan de plankaarten te werken, en dat is te zien. Tegenwoordig kan en moet alles veel sneller. “Bovendien,” zegt architect Adriaan Geuze, “zit niemand meer te wachten op een alles overkoepelde visie.”

Stadsingenieur J.G. van Niftrik wordt in 1866 belast met het ontwerpen van een plan “waardoor zal zijn bepaald, welke rigting bij elke volgende bebouwing of verbouwing moet gegeven worden, zoowel wat de thans beschikbaar te stellen terreinen binnen de Singelgrachten, als wat de zoodanige betreft, die bij eventuele uitbreiding buiten de grachten verkregen kunnen worden.” Amsterdam heeft dringend behoefte aan zo’n plan, want door de toenemende bouwactiviteiten van particulieren en omliggende gemeenten dreigt een onsamenhangende chaotische stad te ontstaan. Zo sluiten de meeste nieuwe wegen van de dito uitbreidingen van de buurgemeenten niet aan op het Amsterdamse stratenpatroon. De stad wil de regie houden van haar eigen gewenste uitbreiding. “Maar te miskennen is het niet dat er zich, op het gebied van uitbreiding behoeften doen gevoelen: dat, evenzeer als in andere groote steden het geval is geweest of nog is, het niet mogelijk is te bepalen, hoever die behoeften zich zullen uitstrekken; dat die behoeften geleid moeten worden, en dat die leiding moet uitgaan, niet van den individu, die alleen zijn persoonlijke belang raadpleegt, maar van het bestuur dat vanuit zijn standpunt de zaak met een ruimen en niet aan het heden gehouden blik overziet.”

Na zes maanden heeft Van Niftrik zijn plankaart voor de stadsuitbreiding klaar. Als het college van burgemeester en wethouders niet tot een besluit kan komen, wordt zijn plan voorgelegd aan een raadscommissie. Bij een vergadering van deze commissie noemt burgemeester Fock de plannen terloops een “fantasie van een ambtenaar” en een “utopie”. Ook de gemeenteraad vindt de plannen te grootschalig en veel te duur en het ontwerp van de stadsingenieur wordt naar de vuilnisbak verwezen. Een klinkende overwinning voor de liberale gemeenteraadsleden die gekant zijn tegen inperking van de vrijheden van grondeigenaren en bouwers. Gelukkig is de grote manuscriptkaart van Van Niftrik waar de stadsbestuurders niets in zagen bewaard gebleven voor het nageslacht. Het is een van de topstukken op de tentoonstelling in het Gemeentearchief.

Ook de axonometrische plankaarten in vogelvluchtperspectief van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Cornelis van Eesteren uit 1936 zijn van hoge artistieke kwaliteit. In maart 1929 gaat de stedenbouwkundige aan het werk met de nieuwe afdeling Stadsontwikkeling van de dienst Publieke Werken. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Alle belangrijke vraagstukken worden middels een periodiek sociaal-economisch en demografisch onderzoek uitgebreid onderzocht. Van de te verwachten toename van het verkeer tot het aantal benodigde speelplaatsen. Aan personeel geen gebrek. In de beginfase kent de tekenzaal al een bezetting van 21 man. Vijf en half jaar later presenteert Van Eesteren zijn gedroomde stad. Vooral de Nota van Toelichting, gepubliceerd in twee delen met talrijke bijlagen en voorzien van enkele opmerkelijke plankaarten in vogelvluchtperspectief, baart veel opzien. Op deze kaarten, gemaakt door de tekenaars J. Smit en H. Mastenbroek, worden de hoofdstructuren benadrukt en is de toekomstige bebouwing slechts weergegeven door grote ongedetailleerde egale vlakken van gelijke hoogte. In de Nota van Toelichting wordt het AUP gepresenteerd als “een afgerond en als het ware afgesloten stedenbouwkundig plan”, dat volstaat voor het huisvesten van het voorspelde maximum van 960.000 inwoners in het magische jaar 2000.

Ambtelijke dictatuur

Dat de architectonische plankaarten zoveel mooier uitpakten dan de andere topografische kaarten van Publieke Werken (de grootste kaartenproducent) heeft te maken met doel waarvoor zij werden gemaakt. “De meeste kaarten van Publieke Werken waren bestemd voor eigen gebruik of voor andere gemeentelijke diensten,” vertelt Erik Schmitz, medewerker van het Gemeentearchief en betrokken bij de samenstelling van de tentoonstelling. “Maar vooral de grote versies van de plankaarten in vogelvluchtperspectief, van twee bij drie meter, werden speciaal gemaakt voor bijzondere gelegenheden als uiteenzettingen en presentaties. Mooie visuele hulpmiddelen om de beeldvorming over de stadsuitbreiding een handje te helpen.” Zijn voorkeur gaat uit naar de kaart die vanaf het Nieuwe Meer een blik werpt op de geplande Westelijke Tuinsteden. “Die is zo mooi omdat de vlakverdeling heel goed uitgebalanceerd is. Bovendien wordt heel duidelijk de samenhang tussen de oude stad en de nieuwe wijken gevisualiseerd.” Sommige andere kaarten uit de serie vindt hij veel minder geslaagd. “Een paar zijn er zelfs een beetje rommelig.”

Volgens Schmitz zijn die tekeningen het logisch resultaat van de luxe positie die Van Eesteren en zijn afdeling hadden binnen het gemeentelijk apparaat. “Hij verkeerde in de unieke mogelijkheid om zijn idealen te verwezenlijken op basis van modern samenhangend onderzoek naar de bevolkingssamenstelling, de verkeersstromen en de behoefte aan havens en industrieterreinen. Er werd zelfs op microniveau onderzoek gedaan naar de benodigde aanleg van speelplaatsen voor kinderen van diverse leeftijdscategorieën.” De manurenboekhouding van Stadsontwikkeling uit 1931 laat duidelijk zien hoeveel tijd er werd gestoken in het maken van de diverse plankaarten. Zo vergde het in kaart brengen van alle garages 350 uur werk. Aan andere meer routinematige kaarten werd veel minder tijd besteed. Maar aan de bescheiden uitbreidingsplannen voor de tuindorpen Buiksloot en Oostzaan werd respectievelijk toch nog 237,5 en 160 uur getekend. Aanzienlijk meer tijd ging er zitten in het inzichtelijk maken van de recreatiebehoefte van de toekomstige stadsbewoners: 666 manuren.

De monopoliepositie van Stadsontwikkeling op het gebied van stadsuitbreiding leidt ook tot kritiek. “Wie durfde in het verleden critiek oefenen op zijn beleid?” schrijft architect Arthur Staal in 1946 de machtspositie van de afdeling. “Wie vreesde dan niet uitgesloten te worden van opdrachten? Het is een lange, lange geschiedenis van ambtelijke dictatuur.” Hij waarschuwt ook voor de realisering van het AUP. “Er valt nu nog betrekkelijk weinig te bouwen, maar op het plan uit 1935 wordt voortgewerkt. Zo onopgemerkt wordt Amsterdam er aan vastgeklonken, totdat het straks niet anders meer kan. Wij zullen Amsterdam dan ten graven dragen, geslachtofferd als het architecturale beeld op de pijnbank van de wetenschappelijke beoefening.”

Architectuurhistoricus Vincent van Rossem noemt in zijn alom geroemde proefschrift over het AUP de axonometrische tekeningen van Van Eesteren “opmerkelijk zo niet revolutionair”. Ook over de andere plankaarten in de Nota van Toelichting is hij vol lof vanwege de uitstekende cartografische kwaliteiten en kleurgebruik. Zo vindt Van Rossem dat de gewestelijke Kaart B zijn contrast dankt aan het uitgekiende kleurgebruik. “Deze kaart heeft een ondergrond in de kleur van het gebruikte papier waarop de hoofdverkeerswegen en de recreatieve verbindingen, weergegeven met helder rood en groen, direct in het oog springen.” Met als gevolg dat de kaart volgens hem “verrassend eenvoudig en helder” blijft “terwijl er toch een tamelijk complex stedenbouwkundig probleem wordt weergegeven.”

Hoe zorgvuldig er met kleurgebruik werd omgegaan illustreert Van Rossem aan de hand van Kaart A, die een beeld geeft van de stad en haar relatie met het omringende landschap. Middels kleurcontrasten worden functies als wonen, werken, verkeer en recreatie van elkaar gescheiden. “Een afzonderlijke kleur voor elk van deze bestemmingen was vrijwel uitgesloten omdat het resultaat zodoende chaotisch in plaats van overzichtelijk zou worden.” En dan nog gingen voor publicatie van deze kaart nog diverse drukproeven vooraf. “Waarschijnlijk omdat bij het drukken bleek dat het onmogelijk was om met grafische middelen de kwaliteit van het geaquarelleerde origineel in alle opzichten te evenaren.” Het bewijst maar weer eens de belangrijke rol die in het AUP was weggelegd voor het beeld. Zo ontstaat in 1931 bij Stadsontwikkeling het idee voor het maken van een film “waarin een synthetisch beeld van onze stad zou worden gegeven.” Want de dienst had gesignaleerd dat de bevolking totaal onbekend was met de stedenbouwkundige problemen van een grote stad als Amsterdam.

“Dit alles kan een film, mits suggestief samengesteld en door een leidende gedachte artistiek gebonden, aan de ogen van onze burgers doen voorbijgaan als een pakkende getuigenis van de grootheid en schoonheid van onze stad.”

Maar de cinematografische droom sneuvelde als gevolg van de ingezette economische crisis. Misschien moeten we daar achteraf wel blij om zijn. Wellicht had de dienst als het groen licht had gekregen voor de film wel minder aandacht, tijd en geld gestoken in de vogelvluchtperspectiefkaarten. In het huidige snelle digitale tijdperk wijken de met de hand getekende plankaarten steeds vaker voor gelikte computeranimaties. “We leven nu eenmaal in een ander tijdsgewricht met een veel snellere omlooptijd,” aldus Maarten Kloos, directeur van het Amsterdamse architectuurcentrum Arcam. “Nu kan alles in een vloek en een zucht op de computer worden gemaakt. Maar wel zonder artistiek accent. Zelfs de meest fabelachtige computerkaarten kunnen niet tippen aan de kunstzinnige prenten van Van Niftrik en Van Eesteren. Dat zijn toch bijna schilderijen van de gedroomde ideale stad.”

Gepuzzel met woningen

Alles kan nu dus sneller en realistischer. En dat leidt soms tot hilarische taferelen. Maarten Kloos: “Na publicaties in de media van de artist’s impression van onze geplande nieuwbouw aan het Oosterdok belde er teleurgestelde architectuurtoeristen op dat ze het gebouw helemaal niet konden vinden.” Toch wordt er volgens Kloos ondanks de verzakelijking nog wel handmatig getekend maar niet meer op de grote schaal als voorheen. “De omlooptijd van de kaarten is ook veel geringer. Alles is constant aan verandering onderhevig.” En het tijdperk van de grote plankaarten is gewoon voorbij. Daarvoor ontbreken de overkoepelende toekomstvisies. “Het is nu toch ondenkbaar dat er een ambtenaar komt met een soortgelijk plan als Van Niftrik? Misschien dat qua impact alleen de plannen voor de bouw van een luchthaven in zee vergelijkbaar zijn.” Arcam heeft in 1995 het tij proberen te keren met het in kaart brengen van alle diverse toekomstplannen voor de regio Amsterdam. “Wij wilden met het fenomeen kaart, als verschijnsel, expressie en communicatiemiddel het denken over de toekomst van de stad stimuleren.”

Er worden nu nog wel plankaarten gemaakt voor minder grote nieuwbouwprojecten. Zo tekende Adriaan Geuze van West 8 Landscape Architects het stedenbouwkundig plan voor de eilanden Borneo en Sporenburg in het Oostelijk Havengebied. De huidige werkwijze die hij schetst is van een totaal andere orde dan in de tijd van Berlage en Van Niftrik. Geuze: “Uitgangspunten in hun visie van de ideale stad waren boulevards die na verloop van tijd uitkwamen op een kruispunt, rotonde of plein. Zodoende konden zij aan grand design doen.” Geuze en zijn collega’s moeten het doen met “willekeurige stukjes uitsneden van de stad” die ze bij prijsvragen krijgen toegewezen. “Ons werk begint met het op de locatie plakken van het door ambtenaren doorberekende vereiste aantal woningen. Net zo lang totdat het er allemaal op past.” Het spreekt voor zich dat bij dit eindeloze plakwerk de computer heldenwerk verricht. “Pas als je uit het gepuzzel komt maak je een representatieve plankaart en als vehikel ook nog een maquette van piepschuimblokjes. “Gewoon omdat de meeste mensen en zeker de gemeenteraadsleden met hun mulo 3 geen tekeningen kunnen lezen.”

Geuze heeft de grote plankaarten in vogelvluchtperspectief van het AUP gezien in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. “Ze zijn echt niet te geloven! Maar vroeger konden er ook maandenlang een paar man aan zitten te tekenen.” Dat is nu wel anders. “Wij hebben nu geen tijd meer om een hele mooie alles zeggende tekening te maken die na gebruik kan worden ingelijst. Door de computer zijn wij in staat om heel snel heel veel te reproduceren. Dus krijg je twintig verschillende kaarten die allemaal matig zijn uitgewerkt. Dat is ook logisch, omdat er geen tijd en geld is voor mooie artistieke handmatige tekeningen. Wij kregen voor het stedenbouwkundige plan voor Borneo en Sporenburg ƒ 20.000. Daar kan ik met zes mensen anderhalve week voor werken. Natuurlijk hebben wij vijf keer zoveel tijd genomen. Maar als je de woningtypes moet uitwerken, exploitatiecijfers moet narekenen en verkeerscirculaties moet ontwikkelen, blijft er weinig tijd over voor het maken van een mooie plankaart.”

Duidelijk is dat Amsterdam een duidelijke centrale toekomstvisie ontbeert. De plankaarten die er nog gemaakt worden zijn kleinschalig van aard. Maarten Kloos van Arcam: “Tien tot vijftien jaar geleden publiceerden diverse marktpartijen opeens heel veel ontzettend gedetailleerde nieuwbouwplannen waarmee ze kapitaal hoopten te vergaren voor realisatie.” Erik Schmitz van het Gemeentearchief: “Klopt. Van die leuke gedetailleerde kaarten waarop de toekomstige bewoners hun koophuis kunnen aankruisen. De gemeente is nu veel meer geconcentreerd op facilitair niveau, dat heeft zo zijn consequenties voor het stadsbeeld. In sommige opzichten lijkt het op de 19de eeuw, toen de stad slechts de straten aanlegde en bouw van huizen overliet aan particulieren.” Architect Adriaan Geuze: “Het is nu een proces van kleine stapjes. Het moment van grand design is helemaal verdwenen. We leven in een totaal andere samenleving. Misschien is het wel jammer dat de echte briljante geesten als de Berlages en Hausmannen nooit meer hun ideale stad kunnen tekenen. Niemand is geïnteresseerd in mijn alles overkoepelende visie voor het totale havengebied van de Houthavens tot en met het KNSM-eiland. Dan krijg ik te horen: donder op, wie denk je wel dat je bent! Nee, ik moet het doen met lapjes grond.”

P. de Brock is freelance journalist.

Literatuur

Vincent van Rossem. Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam geschiedenis en ontwerp, NAi uitgevers, 1993.

Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 50 jaar, Amsterdamse Raad voor de Stedebouw, 1985.