Nummer 10-11: Oktober-November 2002



Wegwijs in Amsterdam

Kaarten ‘in opstand’ voor toeristen

Tekst: Marius van Melle

10112002_GidsHoe vindt een bezoeker van de hoofdstad zijn weg in het labyrint van de stedelijke bebouwing? De keus tussen eindeloos de weg vragen aan passanten en het kopen van een stadsplattegrond valt al snel uit in het voordeel van het laatste. Ze zijn er in allerlei soorten en formaten. Sinds de opkomst van het vreemdelingenverkeer vanaf het midden van de 19de eeuw zijn er heel wat drukkers, uitgevers en cartografen in de weer geweest ten gerieve van de stadsbezoekers.

Het massatoerisme is een betrekkelijk nieuw verschijnsel, ontstaan vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw en dat had alles te maken met stijgende welvaart en toenemende mobiliteit. Maar een eeuw eerder werd de stad al door spoorwegen makkelijker bereikbaar. Daar speelde uitgevers op in, zoals W.C. van Heusden te ’s-Hertogenbosch die in 1867 met een kaart op de markt kwam, getekend door C.K. de Geus. Deze was voorzien van een lijst van 140 ‘merkwaardige gebouwen’, in het Nederlands en het Frans. Van Heusden gaf ook kaarten uit van andere per spoor te bereiken steden.

Stonden bij de kaart van De Geus de bezienswaardigheden nog met nummers op de kaart vermeld, de Amsterdamse drukker en uitgever A. Braakensiek kwam in hetzelfde jaar met een kaart waarin tekeningetjes van belangrijke gebouwen het beeld verluchtigden. ‘Gebouwen in opstand’, heet dat in de wereld van de cartografie. Deze kaart van Braakensiek - de vader van politiek tekenaar Johan - zou vier steeds geactualiseerde drukken beleven. In 1872 tekende hij een geheel nieuwe kaart, die zo’n twintig jaar lang bijna jaarlijks in herziene versies zou verschijnen. Vanaf 1882 gaf boekhandelaar en uitgever Tjomme van Holkema ze uit, na tien jaar samen met H.M. Warendorf.

Een andere Braakensiek-kaart met bezienswaardigheden en zelfs stoomtreintjes ‘in opstand’ gaf Joh.G. Stemler (met Nederlandse en Franse tekst) uit ter gelegenheid van de Wereldexpositie die in 1883 achter het Rijksmuseum werd gehouden. Publiekstrekkende manifestaties waren altijd goed voor nieuwe kaarten, soms voorzien van een gids. Dat gebeurde ook bij de Internationale Tentoonstelling voor Reis- en Hotelwezen, die in 1895 op het Museumplein werd gehouden, en drie jaar later bij de kroning van Wilhelmina. Dergelijke gebeurtenissen leenden zich ook voor speciale uit reclameoverwegingen op de markt gebrachte toeristische kaarten. Zo bracht de Twentsche bank in 1924 een kaart uit van het centrum ten behoeve van de deelnemers van het 27ste Internationaal Eucharistisch Congres. Die konden dan gemakkelijk de weg naar de bankfilialen vinden en middels de op de achterzijde afgedrukte advertenties naar degelijke katholieke middenstanders.

Sommige handige lithografen/drukkers gingen zelf ook kaarten uitbrengen. Jan L.C. Kotting & Co kwamen in 1890 met een Gazette des Etrangers, die al snel werd omgedoopt tot Guide d’Amsterdam. De uitgave zou in tien jaar tijd evolueren van een flodderige kaart op krantenformaat tot een heuse stadsgids. Een succesvolle uitgave: in 1913 verscheen de 23ste editie. Daarna stortte vanwege de Eerste Wereldoorlog het vreemdelingenbezoek aan Amsterdam in.

Handzame gids met uitgekiend zoeksysteem

Dat bezoekers de stad wisten te vinden als er een grote manifestatie werd georganiseerd, had de wereldexpo van 1883 geleerd. Maar om daarbuiten ook mensen naar de stad te lokken, was extra inspanning nodig. Kioskondernemer Martin Wolff – de grondvester van AKO – nam het initiatief om naar Duits voorbeeld een Vereniging voor Vreemdelingenverkeer te stichten, de eerste VVV van ons land. Die in 1885 gestichte belangenorganisatie begon met een kaart en een gids op de markt te brengen, blijkens mededelingen in het Algemeen Handelsblad. Ze probeerde vooral kapitaalkrachtige reizigers naar Amsterdam te lokken en bedacht initiatieven die door gebrek aan gemeentelijke steun vaak een snelle dood stierven. Zo bedacht de vereniging bijvoorbeeld een plan voor een soort Sail-parade bij de opening van het Merwedekanaal (het huidige Amsterdam-Rijnkanaal) in 1892. Uit onvrede over de koers van de VVV ontstond in 1902 de ‘Vereeniging ter bevordering van Amsterdamsche belangen in het algemeen en van het Vreemdelingenverkeer in het bijzonder’, ’t Koggeschip. Deze richtte zich op de massa-met-smalle-beurs en niet op de categorie die het Amstel Hotel zonder hun inspanning toch wel zou vinden. Na de Eerste Wereldoorlog zou de eerste VVV opgeslokt worden door de tweede.

In 1905 was ’t Koggeschip betrokken bij een van de kaarten die Seyffardt’s Boekhandel op de markt bracht. Deze boekhandel was gevestigd op het Damrak, een strategische plaats voor reizigers die via het Centraal Station de stad binnen kwamen. Deze positie zou overgenomen worden door Allert de Lange, die in het voorjaar van 1999 na 119 jaar de deuren moest sluiten. Allert de Lange gaf ook reisgidsen uit die leken op de voorbeelden uit het buitenland, zoals de Baedeker-gids. Moderne gidsen met wandelingen en register, heel wat hanteerbaarder dan bijvoorbeeld de gids die de boekhandelaar en latere paardentramondernemer K.H. Schadd in 1869 het licht had doen zien. Die leek in opzet wel op de 17de-eeuwse stadsbeschrijvingen, waarin bezienswaardigheden per categorie werden beschreven. Als gebruiker bleef je dan bladeren, van kerk naar weeshuis, van museum naar een andere kerk.

In het Olympische jaar 1928 liet de toeristische sector nadrukkelijk van zich horen. Menige kaart werd herdukt, met wat aanpassingen rond de plekken waar de sportwedstrijden plaatsvonden. Een voorbeeld is de 17de editie van het Cito-plan, die door H. van Diehlen uit Den Haag werd uitgegeven. Die kaart heette naar het uitgekiende zoeksysteem om snel een straat, gracht of een bezienswaardigheid te vinden (cito is Latijn voor snel). De kaart was niet alleen onderverdeeld in vakken – een gridnet, noemt men dat in cartografische kringen – maar ook met een schaal die de ‘ruiten’ weer onderverdeelden. In 1912 kwam Van Diehlen met zijn eerste Cito-kaart. Papierhandelaar en uitgever J. Vlieger op de binnen-Amstel kwam iets later ook met een Cito-kaart, hetgeen illustreert dat de naam op het zoeksysteem sloeg en niets met de maker ervan te maken had.

Maar de Haagse kaart heeft de markt veroverd en Citoplan is een merknaam geworden. Het behoort nu tot de meest verkochte kaarten. Sinds 1985 verhoogt een ringbandje de duurzaamheid en het gebruiksgemak. De stad was met de uitbreidingen in Zuidoost zo omvangrijk geworden, dat een vouwkaart erg onpraktisch was geworden en een boekje gebruiksvriendelijker werd. Desondanks verschijnen er nu nog steeds vouwkaarten, waarbij het opvalt dat de stad een beetje gekanteld is om alles op de kaart te krijgen. Tot dan werd traditioneel het IJ voorgesteld als een horizontaal lopende begrenzing van de binnenstad. Dat zou een echo uit het verleden kunnen zijn, toen de stadsplattegrond steevast werd afgebeeld met het IJ als horizontaal lopende waterpartij in het zuiden. Dat was zo rond 1840/1850 omgedraaid, onder invloed van de toen zeer overheersende Franse cartografie. Door al die Napoleontische oorlogen was de cartografie daar verder dan elders ontwikkeld, en die schreef voor dat het noorden boven moest zijn. Wat Amsterdam betreft werd dat dus noordnoordoost.

Kaartjes met alleen het centrum erop verschenen ook nog. Vanaf 1939 had de ‘Cito-Ideaalkaart’ een inzetkaartje van het centrum met een andere schaal. Een voorbeeld van zo’n centrum-kaartje is het kaartje dat bij een VVV-gidsje zit dat eind jaren dertig moet zijn uitgegeven, gezien de tekst: “Eenige route’s voor wandelingen door de stad zijn verkrijgbaar bij de VVV. Vooral een wandeling door de z.g. Jodenbuurt op Zondagmorgen is heel interessant.”

Kaarten voor de Canadese soldaten

Na de bevrijding in 1945 kwam het vreemdelingenverkeer weer op gang doordat Amsterdam als Europese verzamelhaven voor de naar huis terugkerende Canadese soldaten was verkoren. Voor hen werden weer speciale kaartjes gemaakt en ook Cito haaste zich om met een geactualiseerde kaart te komen. Dat ging in alle haast niet zonder fouten: zo heet het Beatrixpark nog steeds Diepenbrockpark, zoals dat op last van de NSB-burgemeester Voûte sinds 8 februari 1942 genoemd moest worden, welke naamsverandering op 18 mei 1945 weer werd geannuleerd. De naamsverandering van de Noorder- en Zuider Amstellaan in Churchill- en Rooseveltlaan (besluit 8-5-1946) is weer wel verwerkt.

De Canadese soldaten werden opgevolgd door in Duitsland gelegerde dienstplichtigen, voor wie Amsterdam een geliefkoosd oord werd om verlof te houden. Ook de kaartenondernemer die samen met Cito de markt zou veroveren kwam uit Duitsland. Ing. Gerhard Falk uit Hamburg wist net als dr. Burda uit Beieren profijt te trekken uit de behoefte van de geallieerde legers aan betrouwbare kaarten. Burda stapte al snel over op publiekstijdschriften, maar Falk bouwde in verschillende landen een netwerk op van joint ventures om stadsplattegronden uit te geven. Via via belandde Falkplan uiteindelijk bij de Eindhovense uitgeverij Suurland. Sinds 2000 heeft het regionale krantenconcern Wegener een beslissende stem in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

In de jaren vijftig begon de toeristenstroom goed op gang te komen. Nederland was door de zuinige regeringspolitiek in vergelijking met nabijgelegen landen goedkoop, dus dat verhoogde nog eens de aantrekkingskracht van de stad. In deze periode wist ook een kleine drukker/uitgever op de Oude Schans 59, Uitgeverij Lieverlee een graantje mee te pikken. De kaarten blonken niet uit in duidelijkheid, maar daar stond tegenover dat in de vier moderne talen tips stonden die buiten de gebaande paden gingen. Zoals bij het Rijksmuseum een introductie vragen om de particuliere Six-kunstverzameling te bezichtigen.

Deze initiatieven zijn uiteindelijk stukgelopen op de schaalvergrotingen van de markt en de wijzigingen in de grafische industrie door de digitale revolutie. Het aardige is dat tussen de marktleiders Cito- en Falkplan nu weer kleintjes een plaatsje veroveren met thematische kaarten. Zo kwam de Echte Nederlandse Wielrijdersbond in 1981 met een fietskaart. Het duurde bijna tien jaar voordat Citoplan daar een antwoord op had. Belangstellenden in architectuurgeschiedenis hebben ook hun eigen kaart gekregen. Recentelijk is er ook een coffeeshop-map verschenen. Dat de grote uitgeverijen daar hun handen niet aan willen branden, zal voor de initatiefnemers een opstekertje zijn.

De hordes buitenlanders die in groepsverband achter hun gids aanhobbelen richting Nightwatch – al decennialang goed voor een derde van de toeristische hotelgasten – zullen niet de grootste kopers van kaarten en gidsen zijn. Maar er blijven genoeg belangstellenden over. Daarbij is het verschil tussen de stadsplattegrond voor algemeen gebruik en die voor toeristisch gebruik verloren gegaan: een vreemdeling kan net zo goed overweg met een Falkplan als een Amsterdammer. De laatste zit echter niet te wachten op tekeningetjes van bezienswaardigheden, want die kent ze van buiten. Zo zijn de 'in opstand' getekende bouwwerken nagenoeg verdwenen. Vooral in folderachtige centrumkaartjes en in sommige reisgidsen wil deze traditie nog wel eens weerklank hebben. Het gevolg is wel dat er een zekere mate van eenvormigheid in het kaartbeeld is ontstaan. Bebouwing is altijd oranje-rood (baksteenkleur) bijvoorbeeld. Eén constante is gebleven: de worsteling om de uitdijende stad binnen het kader te krijgen. Regelmatig werd dat opgelost door dat kader te overschrijden, of door met inzetkaartjes te werken. Nu de stad in het IJ aan het uitbreiden is, doemt een levensgroot probleem op voor de vouwkaart. De spanwijdte van een toerist heeft ook zijn grenzen, en een kaart dient altijd nog min of meer in de oorspronkelijke vorm teruggebracht te worden. Een inzetkaartje ten kostte van landelijk Noord, misschien?

M. van Melle is historicus.