Nummer 10-11: Oktober-November 2002



Zwevend boven daken en pleinen

Amsterdam in vogelvlucht

Tekst: Bert Gerlagh

10112002_VogelvluchtUrenlang kun je er naar kijken: die priegelig gedetaillerde kaarten met die kleine rode daken en hun schoorstenen, de bootjes in het IJ en de boompjes aan de grachten. De vogelvluchtkaarten hebben een levendigheid en charme die de gewone plattegronden missen. De basis ervan is een plattegrond en een perspectivisch vertekende bebouwing – althans dat was zo toen Cornelis Anthonisz de eerste maakte in 1538. Nu biedt natuurlijk de luchtfoto uitkomst.

In 1544 verscheen de indrukwekkende vogelvluchtkaart van Amsterdam, vervaardigd door de cartograaf, schilder en graficus Cornelis Anthonisz. De kaart was een in prent vertaalde versie van het schilderij dat hij in 1538 had gemaakt en dat sindsdien op het stadhuis hing. Beide kaarten, het schilderij en de houtsnede, tonen de stad vanaf een denkbeeldig punt ergens in de lucht, vanuit het noordoosten: het IJ onderaan, het zuiden boven. De haven ligt vol met schepen; rechts boven, zwevend op een wolk, zit de zeegod Neptunus die het stadswapen vasthoudt. Hoewel naar onze huidige maatstaven Amsterdam nog maar klein was – in het westen begrensd door het Singel, aan de oostzijde door de Kloveniersburgwal en de Geldersekade en in het zuiden niet verder reikend dan tot het huidige Muntplein – was de stad al aanmerkelijk gegroeid sinds de stichting in de 13de eeuw. Zij behoorde inmiddels tot de grootste steden in Holland. Nog voor het jaar 1600 zou de stad een veel sterkere groei doormaken, die een aantal stadsuitbreidingen noodzakelijk maakte en die uiteindelijk zou resulteren in de enorme stadsvergroting in de 17de eeuw. Zover was het nog lang niet in 1544. Desondanks waren bewoners en stadsbestuur trots op hun stad, die – ook toen al – met graagte vergeleken werd met de veel grotere en veel oudere handelsmetropool Venetië. En vanuit Venetië kwam ook het voorbeeld voor Cornelis Anthonisz, namelijk de op dat moment al vermaarde vogelvluchtkaart die in 1500 door Jacopo de Barbari in opdracht van het stadsbestuur was vervaardigd. Deze ruim drie meter brede prent, gedrukt van negen houtblokken, toont de Dogenstad vanaf grote hoogte. Als uitgangspunt heeft De Barbari de plattegrond van zijn stad genomen, die hij volgens de regels van het perspectief kantelde en waarop hij vervolgens alle gebouwen afzonderlijk weergaf, als bij een moderne luchtfoto. Het idee om een plattegrond te combineren met de weergave van afzonderlijke gebouwen ‘in opstand’ (dus in perspectief) was op zich niet nieuw. Totdat de vogelvluchtkaart van Jacopo de Barbari verscheen, was echter nog nooit een hele stad gebouw voor gebouw, huis voor huis, in een dergelijk totaaloverzicht vastgelegd. Bij de omvang van het werk kwam nog de extra moeilijkheid, dat alle waarnemingen van hoe gebouwen er uitzagen, vanaf de begane grond en vanaf hoge gebouwen gedaan moesten worden en vervolgens ‘vertaald’ via de wetten van het perspectief, naar hoe ze er vanuit de lucht uitzagen. Mogelijkheden om de stad werkelijk vanuit de lucht te bekijken had de maker van de kaart natuurlijk niet.

Cornelis Anthonisz paste een zelfde werkwijze toe. Hij nam een, zeer waarschijnlijk door hemzelf opgemeten, stadsplattegrond als basis. Voor dat opmeten moet hij diverse torens en andere hoge gebouwen als meetpunt genomen hebben om vandaar uit via het meten van de hoeken en door het meten van de afstanden de positie van andere meetpunten te bepalen. Deze methode, de voorwaartse snijding, was nog maar kort tevoren (in 1533 in het Latijn, in 1537 in het Nederlands) gepubliceerd. Het is een vroege vorm van de driehoeksmeting of triangulatie, die pas na 1600 geperfectioneerd zou worden en sindsdien de basis is geweest voor alle kartering. Op de stadsplattegrond trok Cornelis Anthonisz vervolgens exact noord-zuid verlopende lijnen. Op het paneel waarop de vogelvluchtkaart geschilderd is, lopen die lijnen niet meer parallel, maar de schilder laat ze links boven aan de horizon samenkomen in een verdwijnpunt. Zo komt het, dat de stad beneden, aan de noordzijde, groter en breder is weergegeven dan boven, aan de zuidzijde, die verder van de toeschouwer verwijderd is. Zelfs de ingeschilderde bebouwing wordt naar boven toe iets kleiner. In het midden aan de bovenkant, waar het Spui en de Heiligeweg met omgeving te vinden zijn, smokkelde de kunstenaar met het perspectief, om ervoor te zorgen dat de bebouwing daar toch nog duidelijk zichtbaar bleef.

Bij de houtsnedekaart van 1544 is dit deel van de stad nog eens extra uitvergroot, waardoor de Handboog- en Voetboogdoelen beter te zien zijn - de kunstenaar was zelf lid van het Sint Joris- of Voetbooggilde. Bij de bebouwing die Cornelis Anthonisz op de houtsnedekaart weergaf, lijkt bovenin de kaart (dus waar het zuiddeel van de stad is afgebeeld) geen sprake meer van perspectivische verkleining, zoals op het schilderij uit 1538. Alles is weergegeven in zogeheten scheve parallelprojectie, dat wil zeggen dat alle gebouwen onder een zelfde hoek op het kaartblad staan en alle verticale (opgaande) lijnen parallel aan elkaar zijn getekend, zonder perspectief. Wel zijn de belangrijke gebouwen – de kerken, het stadhuis – een maatje groter weergegeven, zodat ze beter in het oog springen.

Amsterdam op 12 houtblokken

De geschilderde kaart was een opdracht van het stadsbestuur. Het lijkt erop dat Cornelis Anthonisz de houtsnedekaart gemaakt en uitgegeven heeft op eigen initiatief. Het grote voordeel van de nieuwe kaart boven de geschilderde versie was dat hij in oplage verscheen. De opdracht die de maker er bij zette, was veelzeggend. De kaart was niet alleen gemaakt ter ere van keizer Karel V, maar “oock den Eersamen Raedt der selver Stadt ende allen Liefhebberen der Konste etc.” Met andere woorden, Cornelis Anthonisz mikte op trotse stadsbestuurders en welgestelde burgers als kopers. In wat voor aantallen de kaart werd gedrukt, is onbekend. Wel weten we dat hij ten minste nog zesmaal opnieuw is uitgegeven, de laatste keer kort na 1636, dus bijna een eeuw na ontstaan. Een van de weinige middelen om de diverse uitgaven uit elkaar te houden, zijn de kleine wijzigingen in de gedrukte tekst bovenaan in het midden van de kaart. Hier kon met losse drukletters steeds iets veranderd worden. In de voorstelling, gesneden in twaalf houtblokken, konden geen wijzigingen worden aangebracht. Dat betekent dat de kaart al snel niet meer de actuele situatie weergaf, maar als antiquarisch object voldoende populair bleef om alle herdrukken lonend te maken.

Anders lag dat voor de volgende vogelvluchtkaarten, te beginnen met die van Pieter Bast uit 1597. Deze zijn allemaal uitgevoerd als gravure of ets, dat wil zeggen dat de voorstelling met burijnen en etsnaalden in koperen platen is gestoken. Mochten wijzigingen in het kaartbeeld nodig zijn, dan was het relatief eenvoudig op de plaat de bestaande lijnen weg te polijsten en vervolgens nieuwe lijnen te graveren. Al op de eerste uitgave, uit 1597, zijn sporen van veranderingen op de drukplaten zichtbaar. Dit heeft alles te maken met de elkaar snel opvolgende stadsvergrotingen en veranderingen aan de verdedigingswerken die het gevolg waren van de economische bloei van de stad na de Alteratie van 1578. De kaart van Bast werd opnieuw uitgegeven in 1599, 1606 en omstreeks 1611, telkens door een andere uitgever en telkens naar de laatste stand van zaken bijgewerkt. Dat bijwerken is niet door Bast zelf gedaan. Hij verliet na 1597 de stad om elders dergelijke kaarten te produceren, in 1598 van Franeker, het jaar daarop van Emden, daarna nog van Leiden en Leeuwarden; in 1605 is hij in Leiden overleden.

De vogelvluchtkaarten van Pieter Bast verschillen niet alleen in grafische techniek van de kaart van Cornelis Anthonisz. Door de techniek van de kopergravure zijn de details veel verfijnder. Ook is het perspectivisch verkort al aanmerkelijk minder en benadert een echte stadsplattegrond. Daardoor ontbreekt de hoge horizon die zowel op de kaarten van Jacopo de Barbari als van Cornelis Anthonisz een wat vreemde indruk maken. Verder was Pieter Bast verantwoordelijk voor een nieuwigheid. Hij voegde namelijk aan zijn vogelvluchtkaarten aparte afbeeldingen toe met gezichten op de stad op ooghoogte, zogeheten profielen. Of de twee profielen van Amsterdam – één vanaf de overkant van het IJ, de andere vanuit het westen - al bij de eerste uitgave van de kaart verschenen, of pas in 1599, is niet duidelijk. Wel staat vast, dat profielen sindsdien tot het vaste repertoire van makers en uitgevers van monumentale kaarten zijn gaan behoren.

Toen de laatste editie van de kaart van Pieter Bast op de markt kwam, was in Amsterdam alweer een volgende stadsvergroting aan de gang, ditmaal van enorme omvang, waarbij de Westelijke Eilanden, de Haarlemmerbuurt, de Jordaan en het westelijke deel van de grachtengordel werden aangelegd. Een stedenbouwkundige verandering op deze schaal kon niet meer op de kaart van Bast worden bijgewerkt. Het werd tijd voor een nieuwe kaart, en die kwam al vrij spoedig: “Van de honderden Amsterdamsche plattegronden, die in den loop der tijden het licht zagen, is er geen enkele, die zich, wat betreft het samengaan van nauwkeurigheid, uitvoerigheid en fraaiheid kan meten met het meesterwerk van Balthasar Florisz van Berckenrode, den grooten landmeter en kunstenaar uit de eerste helft der 17de eeuw, die van 1591-1645 heeft geleefd. Hij was ook de eerste, die een kaart gaf met alleszins juiste verhoudingen, waardoor zijn plattegrond ook voor hedendaagsche kartografen nog als betrouwbare bron dienst doet,” schreef A.E. D’Ailly in 1932. De eerste editie verscheen in 1625, na een voorbereiding van ten minste twee jaar. Dat is feitelijk een korte tijd, gezien de onvoorstelbare hoeveelheid werk die in de kaart moet zijn gaan zitten. In vergelijking tot de kaart van Pieter Bast was het bebouwde oppervlak van de stad bijna verdubbeld en daarmee het aantal gebouwen navenant gestegen. De namen van vrijwel alle straten, grachten en stegen staan erop vermeld, evenals die van de belangrijkste gebouwen. Uiterst gedetailleerd is de beplanting langs de grachten weergegeven en de kaart biedt een schat aan informatie over tuinen, bebouwing op binnenterreinen, achtergevels en nog veel meer. Hoewel bij de weergave van de huizen een zekere mate van standaardisatie is toegepast, zijn toch de verschillen in bouwhoogte en zelfs de aantallen schoorstenen per huis te onderscheiden. Ieder gebouw dat in vorm ook maar iets afwijkt van zijn omgeving is te herkennen. Naast veel landmeetkundig werk moet Balthasar Florisz talloze schetsen van individuele panden en gevelwanden hebben gemaakt. Van dat alles is, voor zover bekend, niets bewaard gebleven.

… en op negen koperplaten

De kaart van Balthasar Florisz, gedrukt van negen koperplaten op evenzoveel bladen, was met 137 x 160 centimeter de tot dan toe grootste kaart van Amsterdam en zal bij menig rijke ingezetene als pronkstuk aan de wand hebben gehangen. Twee herdrukken volgden (in 1647 en omstreeks 1657), waarbij de veranderingen in de stad op de voet gevolgd werden. Op de verschillende edities is onder meer te zien hoe snel de bouw vorderde in het noorden van de Jordaan en op de Westelijke Eilanden (op de editie van 1625 nog grotendeels leeg), en op de derde editie verschijnt voor het eerst het nieuwe stadhuis op de Dam. Geen van de veranderingen op de beide herdrukken was van de hand van Balthasar Florisz, die immers bij de tweede editie al overleden was.

Dit hoogtepunt van de Amsterdamse vogelvluchtkaarten was tevens een soort eindpunt. Pas rond 1732 verscheen een geheel nieuwe monumentale vogelvluchtkaart, van de plaatsnijder en boekverkoper Gerred de Broen. Het was de eerste stadsplattegrond waarop de Nieuwe Uitleg, de in 1660 aangevangen stadsvergroting van de Leidsegracht over de Amstel naar het IJ, in vogelvlucht staat aangegeven. Wel bestaat er een manuscriptkaart in vogelvlucht van het nieuwe deel van de grachtengordel, in 1680 getekend door de stadsingenieur Jacob Bosch, maar deze is nooit in druk verschenen.

Gerred de Broen maakte een fraai ogende kaart, die echter veel minder is uitgewerkt dan de kaarten van zijn voorgangers. Het overgrote deel van de huizen is gestandaardiseerd weergegeven. Alleen de bebouwing in de Nieuwe Uitleg toont wat meer individuele trekjes, alsof het de maker speciaal om dat deel van de stad te doen was. Van de kaart van De Broen werden zeven edities uitgebracht, waarvan sommige wel, andere niet waren geactualiseerd. Met de laatste uitgave, rond 1780, komt er voor lange tijd een einde aan de vogelvluchtkaarten.

De feitelijke opvolger van de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz als monumentale, actuele wandkaart, was niet die van De Broen, maar de kaart die in 1662 door de stadsarchitect Daniël Stalpaert werd vervaardigd. Niet toevallig zijn beide kaarten precies even groot. Het gaat hier echter niet om de stad in vogelvlucht, maar een plattegrond waarbij alleen de belangrijke gebouwen in opstand zijn getekend. Dit principe is al heel oud; zo werd het al toegepast door Jacob van Deventer die, in het midden van de 16de eeuw, vele steden in de Noordelijke Nederlanden, waaronder Amsterdam, karteerde in opdracht van Philips II. Een vroeg gedrukt voorbeeld is de plattegrond in de stadsbeschrijving van Johannes Pontanus, verschenen in 1611. Op de kaart van Stalpaert is de nog niet voltooide Nieuwe Uitleg al te zien, grotendeels nog als ontwerp en daardoor ten dele in een andere vorm dan uiteindelijk uitgevoerd.

Ook in de 18de eeuw verschenen kaarten met de belangrijkste gebouwen in opstand, van zeer uiteenlopend formaat – zij het geen van alle zo groot als de kaarten van Balthasar Florisz en Stalpaert - om daarna voor langere tijd te verdwijnen. Dit type kaart kwam pas weer in zwang ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1883. De meeste van die kaarten waren vrij bescheiden van afmeting, omdat ze, al dan niet in gevouwen toestand, onderdeel vormden van reisgidsen voor de vele binnen- en buitenlandse toeristen (zie pagina 340). Sindsdien zijn dergelijke kaarten niet meer weg te denken uit het toeristische kaartenassortiment. En in sommige gevallen zijn de gebouwen zo groot weergegeven, dat ze hele delen van de plattegrond aan het gezicht onttrekken en daarmee meer in het genre van leuke souvenirs, dan van bruikbare kaarten thuishoren.

Ook de eerste echte vogelvluchtkaart uit de 20ste eeuw is meer een leuke wandplaat dan een serieuze kaart. Deze met humor getekende reclame van de Nederlandsche Plantenboter Fabriek, van omstreeks 1923, geeft zeker geen accuraat, maar wel een actueel beeld van de stad.

De werkelijkheid in een oogopslag

Serieuze getekende vogelvluchtkaarten van Amsterdam uit de vorige eeuw zijn er maar weinig. De bijna drie meter brede kaart van vrijwel de gehele stad die L.J.B. Wiessner als tekenaar bij Publieke Werken in 1945 vervaardigde, is nooit in druk verschenen en raakte pas enigszins bekend toen hij, in de jaren 1982 tot 1997, te zien was in de vaste opstelling van het Amsterdams Historisch Museum. Alleen enkele buitenlandse firma’s hebben zich nadien aan de productie van vogelvluchtkaarten gewaagd, zoals nog in 1985 de Belgische firma Keulemans. Die kaart – één uit een serie van meerdere Europese steden – werd uitsluitend ingelijst verkocht, is maar in een heel beperkte oplage gedrukt en op die manier exclusief gehouden. Anders ligt dat bij de kaart van Amsterdam die de firma Bollmann uit Braunschweig omstreeks 1956 uitgaf. Maar ook deze is slechts één uit een grote serie, waartoe bijvoorbeeld ook New York, Jeruzalem, Kopenhagen en tientallen Duitse steden behoren. In dat opzicht verschillen deze moderne makers eigenlijk niet van Pieter Bast, die rond 1600 van meerdere steden vogelvluchtkaarten maakte. Alleen is hun productie veel hoger, omdat hun hulpmiddelen als gedetailleerde, bestaande plattegronden, luchtfoto’s en moderne reproductietechnieken ter beschikking staan.

Wat ook niet is veranderd, is de charme van vogelvluchtkaarten. Ze geven de toeschouwer de mogelijkheid om de stad, waarvan hij maar een klein onderdeeltje is en die hij in werkelijkheid maar stukje bij beetje kan bekijken, in één oogopslag te overzien. Actualiteitswaarde is daarbij niet het eerste waar het om gaat, getuige het grote aantal 20ste-eeuwse facsimile-uitgaven van alle belangrijke oude vogelvluchtkaarten. Daarnaast blijven deze kaarten een onschatbare bron voor historisch onderzoek.

Drs. A.W. Gerlagh is conservator bij het Gemeentearchief, gespecialiseerd in prenten en tekeningen.