Nummer 11: November 2001



Passagieren op de Zeedijk

Met de matrozen op stap

Tekst: Joost Groeneboer

Vandaag de dag laden en lossen de schepen die Amsterdam aandoen ver buiten de stad. Erg aanlokkelijk om even van boord te gaan om wat te drinken en te dansen is het in het huidige havengebied niet. Dat was tot in de jaren zestig wel anders. Tot die tijd rolden matrozen bij wijze van spreken van de loopplank meteen de Zeedijk op.

“‘Allo! dames en heeren, de kwadrielje begint, ‑ eerst betalen asjeblieft, vijf centen voor de heeren en vijf centen voor iedere dame... Bennen we klaar? Vooruit dan maar, muziek!’

’t Is de baas van De stad Singapoer, het befaamde danshuis op den Zeedijk, die tot de in zijn lokaal verzamelde matrozen en hun dames spreekt. Een paar valsche violen en een cornet à piston beginnen op oorverdoovende wijs een quadrille te spelen, en dadelijk geraken de paren in beweging. De baas vervult de driedubbele betrekking van kastelein, dansmeester en kassier. Beurtelings voorziet hij de aanwezigen van het bestelde gelag, haalt het geld voor den dans op en geeft de figuren voor de quadrille aan. Onophoudelijk horen wij zijn heesche stem: ‘’n Glaasje pons, asjeblieft! – ’n Cognakkie? Dadelijk, juffrouw. ‑ En avant deux, met je beiën ‑ tweede paar vooruit ‑ sassé krossé! ‑ caveljé seul! Aannemen asjeblieft, vijftien centen ‑ Sassé dewiet...’ Tusschenbeide overstemt het gejoel en gegons zijn stem en is hij genoodzaakt op een stoel te klimmen om de figuren van den dans te doen verstaan. Orde moet er wezen, want De stad Singapoer is een druk bezocht danshuis, en geen matroos komt aan wal, of hij brengt er eenige avonden door.”

Of De stad Singapoer echt heeft bestaan, is niet bekend. Waarschijnlijk is het een verzonnen naam. Hoe dan ook geeft schrijver Justus van Maurik (1846-1904) met bovenstaande scène in Uit het volk (1879) een goede beschrijving van hoe het er eind 19de eeuw in een dergelijk danshuis toeging. Hij was een van de vele volksschrijvers die zich liet inspireren door het rumoerige stadsdeel, de buurt van drank en plezier, misdaad en prostitutie. De Jantjes van Herman Bouber passagierden hier en Israël Querido situeerde er zijn boek Van Nes en Zeedijk.

In het fin de siècle vormden de Nes, Warmoesstraat en Zeedijk één lange uitgaansstraat vol kroegen, tingeltangels en café-chantants. En het stikte er van de danstentjes, ondanks een door het puriteinse stadsbestuur afgekondigd verbod op dansen in het openbaar. In de rosse buurt werden de danshuizen getolereerd, omdat het zeevolk nu eenmaal zijn vertier moest hebben. Volgens politieverslagen waren er in 1892 ongeveer 40 danshuizen in Amsterdam. Een paar daarvan zaten in de Nes en de Pieter Jacobszstraat, maar het gros bevond zich op en rond de Zeedijk. Ze zaten in van die smalle, slecht verlichte straatjes als de Nieuwebrugsteeg, de Heintje Hoekssteeg, de Oudezijds Armsteeg en de Oudezijds Enge en Wijde Kapelsteeg (sinds 1914 respectievelijk Nieuwebrugsteeg en Sint Olofssteeg).

De danshuizen waren te herkennen aan hun ronde witte gaslampen, die een gelig licht uitstraalden. Eén uitbaatster, Tante Lien, had haar zaak er zelfs naar genoemd: De witte ballon. Andere gelegenheden droegen de namen van internationale handelssteden. Op Zeedijk 12 bijvoorbeeld zat de City of London, op nummer 22 De stad Liverpool en op 25 De stad Bremen. Volgens Israël Querido had de laatste danskroeg allegorisch beschilderde ramen: “Inéén‑geslagen handen (…) drukten onverbreekbare broeder‑vriendschap uit en een joviaal overal‑thuis‑zijn.” Andere danstenten op de Zeedijk waren Zeemans Welvaren, De Vriendschap en Barend Jansen (“Bij Barend Jansen kan je dansen,” klonk het lied).

Levende muziek

Over het algemeen waren de dansgelegenheden erg klein. Vaak was zo’n danshuis niet meer dan een achterkamer of keldertje. Het waren smalle pandjes met een lage zoldering, vale muren, walmende petroleumlampen en een kleine houten dansvloer. In de wat betere lokalen werd deze elke dag met kaarsvet ingewreven. Zo bleef hij glad. Maar waar flink werd gedronken en gerookt, bestrooide men de vloer met zand om hem gemakkelijk schoon te kunnen houden. Aan de wanden stonden houten banken met op schouderhoogte een dito schapje om je drankje neer te zetten.

Dicht bij de ingang was een kleine verhoging die plaats bood aan twee, hooguit drie muzikanten, meestal een violist, pianist en accordeonist. Dat de musici vlak bij de deur zaten was niet voor niets. De muziek moest op straat goed hoorbaar zijn. Elke keer als er een groepje mensen langskwam, trok de portier het gordijn voor de ingang open om te laten zien en horen hoe gezellig het binnen was. Soms ook drukte een buikdansende Salomé de passanten kaartjes in de hand.

Met alle instrumenten door elkaar, moet het op straat een hels kabaal zijn geweest. De concurrentie was groot, en juist met de muziek probeerden de uitbaters van danshuizen elkaar af te troeven. Had de één een grote trom, dan nam de ander die ook. Ook al riskeerde hij daarmee zijn dansvergunning, want slagwerk, koperen blaasinstrumenten en andere ‘geruischmakende’ muziek waren verboden. In januari 1895 moesten vijf danshuizen hun draaiorgels weer even plotseling verwijderen als dat ze die in huis hadden gehaald. In twee danszalen stond het orgel open en bloot, zo bleek bij controle, in andere gevallen had de eigenaar uit alle macht geprobeerd de wet te ontduiken. In de Oudezijds Enge Kapelsteeg 18 had ene Antonissen een houten schutting om zijn draaiorgel heen gebouwd. En de eigengereide uitbater van het illegale danshuis De Kraton in de Oudezijds Armsteeg had het orgel in een bovenliggend slaapvertrek gezet. Toen de hoofdcommissaris hem erop aansprak, verklaarde de man: “Ik bin zoo’n dolle liefhebber van muziek, en daarom draai ik, als ik ’s avonds niks meer te doen heb, zoo’n beetje voor me eige. Ik kan niet helpe, dat ze beneeje de muziek hoore en an ’t danse gaan.”

Prostituees en fabrieksmeisjes

Ongeveer twee derde van de danshuizen werd door vrouwen gedreven. Enkelen waren vrijgezel of weduwe, maar het merendeel had een echtgenoot, die als landarbeider, venter of anderszins het inkomen probeerde op te krikken. Soms verhuurden ze hun bovenkamers aan prostituees. Die animeerden dan ’s avonds in het café de passagierende matrozen, maar de meisjes mochten hun klanten pas na sluitingstijd mee naar boven nemen. Eerst moest er zoveel mogelijk worden verteerd.

Enkele danshuizen waren verkapte bordelen. Justus van Maurik haalt in Toen ik nog jong was (1889) het verhaal aan van de eigenaar van Het Roode Hart die zijn logement annex danszaal in het Wijngaardsstraatje tot zo’n 40 kleine kamertjes had laten verbouwen. Bij een inval door de politie werden er 32 vrouwen opgepakt, waarvan het merendeel uit de provincie kwam. En liefst twee derde was minderjarig.

Het animeren in dansgelegenheden was niets nieuws. Al in de Gouden Eeuw zaten de zogenaamde ‘musico’s’ vol prostituees. Eind 18de eeuw werd er in het Nachthuis van Toontje in de Nes getippeld en medio 19de eeuw zat op de Nieuwmarkt De Fonteyn en in de Pijlsteeg De Pijl, beide beruchte danszalen annex bordeel. Een iets betere reputatie had het druk door zeelieden bezochte De Zon op de Nieuwendijk.

Maar niet alleen hoeren en matrozen bevolkten de danshuizen. Veel kunstenaars, zoals Isaac Israëls en Henrik Breitner, deden in dit milieu inspiratie op. Jongens uit de middenstand waren er op zoek naar een avontuurtje. En fabrieksmeisjes uit de Jordaan dansten er met elkaar om zo hun zware dag te verlichten. Het was een nieuw verschijnsel dat de opkomende industrie in het laatste kwart van de 19de eeuw met zich meebracht. De vaak nog jonge meisjes uit de Jordaan baarden veel opzien op de Zeedijk. Volgens Israël Querido vormden ze een hechte groep, die zich niet makkelijk tot buitensporigheden liet verleiden. Van de prostituees met hun felle strikken en hun gele, roze of lichtgroene satijnen rokken moesten ze niets hebben en van pooiers en opdringerige matrozen nog minder: “Alle kerels die de Jordaanschen aanklampten, sloegen ze fel met tong en handen van hun lichaam af (...). Ze kwámen niet om vuiligheid, maar om in den goedkoopen jool der gistende buurt eigen beroerdigheid van thuis te vergeten; om zich los te woelen van de vernederende zwoegernij op fabriek of atelier.”

Wel lieten de Jordaanse meiden zich af en toe verleiden tot een dansje met in Amsterdam passagierende zwarte matrozen, zoals A.M. de Jong rond 1920 stereotyperend in Het Leven beschreef: “De negers houden vol, onvermoeibaar, taai en van geen toegeven wetend. Ze willen het volle genot, de volle maat van dit feest en zij draaien, draaien, zweetend en hijgend, sleepen hun meiden mee rond, of zij willen of niet en doen hun witte tanden vroolijk blikkeren in de blinkende zwarte snoeten. Tot weer de muziek met een allerafgrijselijke dissonant afbreekt en zij plots met een schellen juichkreet en een harden stamp op den vloer stilstaan, voldaan grinnekend. Ze laten de meisjes los en deze gaan, naar adem snakkend, terug naar de banken langs den wand en vallen er amechtig neer, brengen met voorzichtige vingers wat orde in het verwaaide kapsel en mopperen vroolijk over die malle nikkers die d’r nooit genoeg van krijgen (...). Een van de nikkers slaat zijn arm om de schouders van een bizonder brutaal kijkende meid in een roode trui en geeft haar een dikken zoen, vlak op haar rooden mond. Zij rukt zich woedend los, spuwt met een vies gezicht voor zijn voeten op de grond en schreeuwt met een langen uithaal: Are you belaaserd, vuilik!!

Broeinesten

Een groep jongeren die voor veel problemen zorgde, waren de veelal dakloze vijftien- en zestienjarige knapen die zich in de goedkopere danskelders ophielden. Knokpartijtjes en berovingen waren schering en inslag, maar de politie greep zelden in. Een beetje flinke kroegbaas kon zelf wel de orde in zijn danstent bewaren, werd verondersteld. Maar prostitutie en gewelddadigheden bezorgden de danshuizen rond de Zeedijk een slechte naam. In juli 1893 verzocht een twintigtal buurtbewoners, onder wie de directrice van het gesticht Vredenburg op de dijk, de gemeente snel over te gaan tot opheffing van de danshuizen en ‑kelders, die volgens hen “de grootste broeinesten tot bevordering der laagste en gemeenste onzedelijk” waren.

De Middernachtzending, een club heren die de strijd met de prostitutie aanbond, deelde deze mening: danslokalen waren het voorportaal van de duivel. De zendelingen probeerden jongemannen ervan te weerhouden deze poelen des verderfs binnen te gaan en drukten hen op straat pamfletten in de hand. Zonder gevaar was dat niet. Door pooiers en “joden, van wie wij weten, dat zij van zeer verdacht levensgedrag zijn”, werden ze in elkaar geslagen en in de gracht gegooid. Het martelaarschap van de Middernachtzending bleef niet onbeloond. In 1892 opende de politie de jacht op de prostitutie. Illegale bordelen en rendez-voushuizen, waaronder het beruchte Maison Weinthal op de Nieuwezijds Voorburgwal, werden gesloten. Tegelijkertijd werden ook de danshuizen aangepakt. Om hun aantal te beperken werd besloten geen nieuwe dansvergunningen meer uit te reiken, en oude gingen alleen nog over van vader op zoon. De sluitingstijd van cafés en danskroegen werd vervroegd van één naar twaalf uur ’s nachts. En om de geluidsoverlast op straat tegen te gaan, werd bepaald dat de muziek niet binnen zeven meter van de deur mocht zitten. In de praktijk bleek ook het intrekken van iemands muziekvergunning zeer effectief, want zonder muziek kon een danshuis zijn deuren wel sluiten.

De horecaondernemers gaven zich niet zonder slag of stoot gewonnen. Met name het vervroegde sluitingsuur schoot velen in het verkeerde keelgat. Cafés, tingeltangels en danstenten richtten sociëteiten op waar ‘in besloten kring’ tot diep in de nacht werd gefeest. De maatregelen werkten aanvankelijk averechts. Bordelen en danshuizen verplaatsten zich naar andere delen van de stad. Met name in de Pijp, toen bekend als buurt YY, doken steeds meer illegale danstenten op. Op de lange termijn wierp het harde beleid tegen de danshuizen wel zijn vruchten af. In 1904 bestonden er nog slechts zes danshuizen in de rosse buurt en in 1924, het jaar waarin het dansverbod werd opgeheven, nog maar twee. De strijd tegen het verderf betekende ook het einde van Hartjesdag, het meest uitbundige feest van het jaar. De oorsprong ervan is niet precies bekend, maar die dag liepen de Amsterdammers verkleed op straat, meestal in travestie, eindigend in een kroegentocht langs de Zeedijk en de Warmoesstraat.

Dooie straat

Met een strengere drankwet in de hand probeerde de politie ook het aantal cafés terug te dringen; zestig kroegen in één straat vond men te veel van het goede. Het voorstel de Zeedijk tegen de grond te gooien, zoals dat rond 1910 in Rotterdam met de Zandstraat gebeurde, vond echter niet veel bijval. Het stadsbestuur legde elektrische verlichting aan en asfalteerde de straat, kortom, de ‘dijk’ werd geciviliseerd. En ook hier voerde de gemeente een uitstervingsbeleid. Drankvergunningen werden nog slechts mondjesmaat verstrekt en muziekvergunningen vanaf 1938 helemaal niet meer.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog betekende de doodsklap voor het uitgaansleven op de Zeedijk. Normaliter maakten passagierende zeelieden een derde van de klandizie uit, maar nu lag de haven er verlaten bij. Veel kroeghouders trokken naar de Nieuwendijk, waar ze de leeggekomen winkels van joodse ondernemers innamen en waar nog wel muziekvergunningen werden verleend. Hier verdienden ze hun brood met het vermaken van de Duitse soldaten en de verkoop van ‘zwarte’ jenever.

Niet alle kroegen verlieten overigens de Zeedijk. Zee- en Rijnvaart, Ome Rikus, Apachen Alie en de legendarische homobar Het Mandje van Bet van Beeren overleefden de oorlog. De grote behoefte aan vermaak na de bevrijding, resulteerde zelfs in enkele nieuwe muziek- en danstenten. Zoals Casablanca, dat in 1948 op nummer 26 zijn deuren opende en dat bekend werd om z’n jazzmuziek. In De dokter en het lichte meisje beschreef Simon Vestdijk de elkaar opzwepende musici in Casablanca: “Een oude dikke negerkoning op zijn troon, het scheefhangende hoofd door inwendige bloeduitstorting bedreigd, zodra hij de trom liet dreunen of de bekkens gonzen; de hoogst begaafde trompettist, dansend op één been, de wangen gevaarlijk gespannen; en aan de piano, als ontroerende hommage à la Hollande, een blonde jongen in een trui, half lichtmatroos half dichter.” In de jaren vijftig en zestig was Casablanca hét Mekka van de in Duitsland gelegerde zwarte Amerikaanse militairen. Ster van de legendarische jazzclub was de saxofonist Kid Dynamite, ofwel Arthur Parisius, die in 1928 als verstekeling van Suriname naar Nederland gekomen was.

In tegenstelling tot de Warmoesstraat, waar Winston Kingdom en andere uitgaansgelegenheden leven in de brouwerij brengen, is de Zeedijk nu een ‘dooie’ straat. Er zijn geen populaire discotheken meer en geen hippe nachtclubs. En nu de havens van Amsterdam zo ver van het centrum verwijderd zijn, komen er ook geen zeelui meer. Alleen nog met Sail. En eens per jaar een paar als matroos verklede vrouwen tijdens de onlangs in ere herstelde Hartjesdag.

Drs. J. Groeneboer is theaterhistoricus. Met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten bereidt hij een boek voor over honderd jaar dansen in Amsterdam.