Nummer 10: Oktober 2001



Verboden te dansen

Burgemeester De Vlugt, hoeder van goede zeden

Tekst: Joost Groeneboer

Op vrolijke muziek, zij aan zij over de dansvloer zwieren? Dat druiste eind 19de eeuw volgens de stadsbestuurders in tegen alle fatsoensnormen. Dansgelegenheden waren trekpleisters voor zedenloos volk en criminelen! Burgemeester De Vlugt koos een typisch Nederlandse oplossing: hij vaardigde geen verbod uit, maar verstrekte simpelweg geen vergunningen. En nadat hij zelf tijdens een dansje was betrapt, stond hij het in een paar gelegenheden toe, onder strenge voorwaarden: één danspaar per vierkante meter.

Kroegen, tingeltangels, concertzaaltjes, cabarets: de Amsterdammers konden eind 19de eeuw tal van etablissementen bezoeken voor hun vermaak. Flora en andere variététheaters boden een enorm scala aan amusement. En dankzij de toenemende industrie konden ook de laag geschoolde arbeiders naar deze uitgaansgelegenheden: door kortere werktijden en betere lonen hadden ook zij daar tijd en geld voor. Rond 1920 openden bovendien enkele filmpaleizen hun deuren, waaronder Tuschinski en Cinema Royal. Slechts een ding ontbrak aan het Amsterdamse uitgaansleven: dancings!

Onder alle lagen van de bevolking was er wel degelijk animo om feestzalen met een dansvloer te bezoeken, maar dansen in het openbaar was tot 1924 in Amsterdam verboden. Volgens burgemeester Willem de Vlugt en zijn calvinistische voorgangers was dansen onzedelijk en schadelijk voor de gezondheid. En niet alleen in kerkelijke kringen werd er zo over gedacht, ook onder socialisten heerste deze opvatting. Zij zagen hun jongeren liever gemeenschappelijk rond de meiboom dansen. De politieke leiders waren in deze eensgezind: dansgelegenheden waren broeinesten van criminaliteit en prostitutie en vormden een gevaar voor het gezin.

Een echt dansverbod was overigens niet uitgevaardigd. Het gemeentebestuur had een tactischer weg gekozen: dansvergunningen, die behoorden tot de zogenaamde ‘gunstvergunningen’, werden door de burgemeester in de praktijk simpelweg niet afgegeven. Eerder al, in de tweede helft van de 19de eeuw, had het gemeentebestuur andere vormen van losbandig vermaak aan banden gelegd: de kermis werd afgeschaft en de prostitutie gereguleerd. Als onderdeel van het zedelijkheidsoffensief werden ook de danshuizen in het havenkwartier aangepakt. De gemeente verstrekte vanaf 1893 geen nieuwe dansvergunningen meer en bestaande gingen alleen nog over van vader op zoon.

De regels van de stadsbestuurders ten spijt, werd er in Amsterdam natuurlijk wel degelijk gedanst. Het wemelde in de stad van de gebouwen voor bruiloften en partijen, zoals Maison Boer op de Weteringschans. En dan had je nog Schinkelhaven, Het Kalfje en andere uitspanningen aan de rand van de stad. “Bellevue alle zalen” was begin 20ste eeuw een begrip. Met carnaval gingen alle muren van dit feestgebouw aan de Leidsekade eruit en hosten en dansten er 2000 man. Befaamd waren de kunstenaarsfeesten die er rond 1915 plaatsvonden. Daar werkte het puikje van de Amsterdamse toneel- en muziekwereld aan mee. Vooraanstaande kunstenaars als Willy Sluyter zorgden voor de decoraties en dansleraren als James Meijer en Jules Monasch leidden het bal.

Ook waren er nog mogelijkheden om te dansen in gelegenheden die strict genomen niet openbaar waren. Dansscholen verzorgden avondjes vrij dansen en er waren allerlei besloten dansclubs in de hoofdstad. Sommige jongeren waren lid van wel tien verenigingen tegelijk.

Wie toch in het openbaar wilde dansen, deed dat in een van de weinig overgebleven danshuizen op de Zeedijk, buiten de stadsgrenzen of clandestien. In het weekend namen veel Amsterdammers het boemeltreintje naar Zandvoort of de pont naar Noord. Voor de annexatie van Buiksloot en Schellingerwoude was het dansen daar minder aan banden gelegd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog spraken de kranten er schande van dat in het Tolhuis ondanks de kolenschaarste met alle lichten aan werd doorgefuifd.

Clandestien dansen in de Warmoesstraat

De dans van de jaren tien was de tango, een wulpse dans waartegen veel weerstand bestond, omdat die zo uitgesproken sensueel was. In Amsterdam werd de tango voor het eerst in 1912 gedanst, in een spiegeltent die op het terrein van de scheepvaarttentoonstelling entos stond. Dansparen demonstreerden de tango in het Panopticum in de Amstelstraat en daarnaast was hij in allerlei operettes te zien. Heintje Davids danste de tango met Alex de Haas in 1914 in Een walsdroom. In haar felrode jurk leek de actrice volgens Het Nieuws van den Dag op een duivelin.

In Den Haag regende het tango-thee’s en tango-diners, maar in Amsterdam was dat dus onmogelijk. Café-, restaurant- en zaaleigenaren deden verwoede pogingen onder het dansverbod uit te komen. Tevergeefs, want een voor een belandden hun aanvragen voor dansvergunningen bij de gemeente in de prullenbak. Die volgde bovendien met argusogen de activiteiten van de verschillende etablissementen. In navolging van Max van Gelder, die ’s zomers het Scheveningse Kurhaus omtoverde in een danspaleis, had Chris Harig bijvoorbeeld in 1914 in een voormalig theater in de Warmoesstraat (nu Galerie W139) het Palais de Danse opgericht. Echter niet zonder problemen. Weliswaar kreeg hij toestemming om een grote dansvloer aan te leggen, maar zijn verzoek het publiek in de pauzes met de vrouwelijke artiesten te laten dansen, werd afgewezen. Dat viel onder animatie, zo luidde de verklaring. Harig legde het verbod naast zich neer en liet bezoekers toch dansen in zijn zaak. Om agenten die onverhoeds op bezoek kwamen om de tuin te leiden, werd een ingenieus systeem aangelegd, zo blijkt uit… een politierapport. Als er controle kwam, kon de portier op een knopje drukken en ging recht tegenover het orkest een rood lampje aan. Dan stopte de muziek abrupt en stroomde de dansvloer in een mum van tijd leeg. Het mocht niet baten en de politie kreeg lucht van de clandestiene dansavonden, waarna de burgemeester simpelweg Harigs muziekvergunning introk.

De kangoeroe en andere dierendansen

De Rotterdammer Dirk Reese had meer succes. In 1922 begon deze zakenman op het Rembrandtplein (waar nu discotheek Escape is), een grote concerthall annex variététheater. Hij noemde het Mille Colonnes, naar het befaamde (pas gesloopte) café-restaurant op die plek, dat ten tijde van de Tachtigers door schrijvers en kunstenaars druk werd bezocht.

In de ‘Mille’ wisselden twee orkesten elkaar af. Populair was dat van stehgeiger Signor Lanfredi, een echte casanova, die met zijn viool de tafeltjes langsging. Er was van alles te beleven. Acrobaten verrichtten er hun kunsten en professionele dansparen demonstreerden de nieuwste dansen, zoals de kangoeroe en andere dierendansen die in de mode waren. Maar ook hier mocht het publiek niet dansen.

Dirk Reese had goede contacten met bioscoopdirecteur Abraham Tuschinski, met Norbert Wolf, bestuurslid van Krasnapolsky en hoofredacteur van weekblad De Kunst, en met Arie Heykoop van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Toen hij zich bovendien gesteund wist door de pas opgerichte Middenstandspartij, besloot Reese in 1923 de strijd aan te gaan met de gemeenteraad en diende hij een verzoek in tot opheffing van het dansverbod. Eerder had hij dat al in Rotterdam gedaan, en met succes. Daar dreef hij op de Coolsingel met veel succes dancing Pschorr. Reese had het tij mee: het Amsterdamse dansverbod was een hot issue in die dagen, waarover uitvoerig werd bericht in De Telegraaf - toen nog een vooruitstrevende krant. Louis Davids, een persoonlijke vriend van Reese, voerde in dat jaar in Mille Colonnes de revue Amsterdam wil dansen op.

Na een lange polemiek tussen voor- en tegenstanders, al dan niet gestaafd door medische en andere ‘deskundige’ rapporten, ging De Vlugt uiteindelijk overstag. Hij kon moeilijk anders, want zelf was hij ook niet vies van een dansje en de kranten maakten dat maar wat graag openbaar. Met zijn dochters had de burgervader zelf verschillende keren een bezoek gebracht aan de chique, streng besloten bals in Maison Couturier op de Keizersgracht! En ook was hij – terwijl de discussie in volle gang was - dansend gesignaleerd op een feestje op een Spaans oorlogsschip, dat in de Amsterdamse haven lag. Op een kinderachtige manier probeerde hij zich hier nog uit te kletsen: het was buitenlands grondgebied, zo verklaarde hij zijn onbesuisde gedrag… Het was niet erg overtuigend en spot was zijn deel.

De Vlugt liet het niet aankomen op een crisis binnen de gemeenteraad. Hij besloot het dansen op bescheiden schaal toe te staan, waardoor hij in ieder geval het aantal dansgelegenheden nog in eigen hand wist te houden. In april 1924 deelde de burgemeester de eerste dansvergunningen uit. Slechts zes van de 26 aanvragen werden gehonoreerd. Behalve Mille Colonnes van Dirk Reese, die het balletje aan het rollen had gebracht, vielen vijf gerenommeerde hotels en restaurants in de prijzen: Paviljoen Vondelpark, La Réserve op het Rembrandtplein, Trianon op het Leidseplein, Krasnapolsky in de Warmoesstraat en Winkels in de Kalverstraat. Na veel duw- en trekwerk kreeg ook het Tuschinski Theater een maand later toestemming en kon het publiek hier op de eerste etage dansen in cabaret-dancing La Gaité.

Bevoogdende regels

Onmiddellijk na de bekendmaking van de “lucky six”, barstte de kritiek los. “Het volk mag niet dansen!” luidde een kop in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Waarom had de burgemeester alleen eersteklas zaken begunstigd en niet feestgebouwen als d’Geelvinck op het Singel? De jetset danste toch wel in de luxe uitgaansgelegenheden, zoals in het genoemde Maison Couturier. Maar Jan met de pet moest zijn vertier zoeken in ‘louche’ tenten op de Zeedijk, als Zeeman’s Welvaren en Frits Ruscaa’s danssalon.

Daar kwam nog eens bij dat in de weinige gelegenheden waar het dansen nu was toegestaan, ook nog eens strenge, betuttelende regels van kracht waren. De dansvloer moest door middel van koorden of linten duidelijk van het zitgedeelte afgescheiden en maar vanaf één kant toegankelijk zijn. De norm was één danspaar per vierkante meter. En het dansen mocht vanaf de straat niet zichtbaar zijn. Bovendien gold nog steeds het uit de 19de eeuw stammende verbod op ‘geraasmakende’ instrumenten, waaronder saxofoons en percussie, wat zoveel betekende als een verbod op jazzmuziek.

De kritiek mocht de pret niet drukken. Op 10 mei 1924 openden de eerste drie zaken hun deuren voor het danslustige publiek. In La Réserve werd volop gestept en getrot en ook in de rode achterzaal van restaurant Trianon in het Hirsch-gebouw liep het storm.

Tout Amsterdam is er,” schreef De Telegraaf de volgende morgen enthousiast: “De dansende paren wringen in de ruimte tusschen elkaar in, botsen tegen elkander, schuifelen langzaam met dribbelpasjes voort. Men verdringt zich. Aan de tafeltjes, onder een kopje thee, een glaasje port en een enkele cocktail, terwijl nietige petit-fours met sierlijke vingertjes uit haar geplisseerde kraagjes gefutseld en naar steeds-maar-door-snappende mondjes gebracht worden, waaien de gesprekken met vlagen naar je over: Dat ontbrak nu nog!… Eindelijk is Amsterdam op de hoogte van zijn tijd!… We waren zoo langzamerhand een provinciestadje geworden! Amsterdam danst, Amsterdam s’amuse.”

Studentendisco

Het Paviljoen Vondelpark had die eerste dansavond wonderlijk genoeg veel minder klandizie. De deftige Japanse zaal, waar de upper-ten regelmatig besloten feestjes hield, lag er verlaten bij. Pas in de zomermaanden begon ook hier het publiek toe te stromen, want met zijn openslaande deuren naar het bordes was het er heerlijk koel.

De firma Zomerdijk Bussink, die het Paviljoen exploiteerde, stelde alles in het werk om de jeugd te trekken. Met dit doel werd het nog geen jaar oude restaurant in het souterrain (nu Vertigo) omgebouwd tot een intiem danszaaltje, Caveau Parisien. Het moet dé lokatie zijn geweest voor de dans die in 1924 hip was, de java, een boevendans, waarbij de mannen (stoppelbaard, pet op, rood sjaaltje en achteloos een sigaret in de mond) hun dansmeisjes (kortgeknipt, in zwarte jurkjes en rode schortjes) wild naar zich toe trokken en vervolgens weer van zich af stootten. Volgens Piet Kloppers van het Algemeen Handelsblad was de dansvloer van Caveau Parisien niet groter dan de “bijwagen van een Amsterdamsche tram”. Het was er benauwend vol en er werd flink gerookt, wat niet weinig bijdroeg aan de bohémien-achtige sfeer die de dancing populair maakte onder studenten.

De juiste dansvloer

Had Caveau Parisien de kleinste dansvloer van Amsterdam, met veertien bij vijftien meter had Krasnapolsky de grootste. Er was ruimte genoeg voor zo’n 25 à 40 paren. En alsof dat niet genoeg was, opende het hotel eind 1924 een nog grotere dansvloer in de overdekte wintertuin. Kosten nog moeite werden gespaard. Voor het ontwerp waren respectievelijk de architecten H.Th. Wijdeveld en Foeke Kuipers aangetrokken. De laatste schonk veel aandacht aan de verlichting. Door het plafond viel een diffuus, gekleurd licht op de dansparen, terwijl een soort ruimteschip hen recht van boven bescheen.

In 1927 kreeg ook de Mille Colonnes zijn tweede dansvloer. Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan opende Dirk Reese op de eerste verdieping de Bonbonnière. De parel van dit intieme danszaaltje was een glazen, van onder verlichte dansvloer. Hiermee werden, evenals in Pschorr te Rotterdam, de wonderlijkste geometrische lichteffecten bereikt. Nu eens danste het publiek op een felgekleurd tulpenveld en dan weer op de Amerikaanse vlag. Voor Mondriaan, een trouw bezoeker van de ‘Mille’, moet de verlichte vloer een bron van inspiratie zijn geweest.

Vol trots kondigde Dirk Reese in een advertentie aan dat hij voor zijn glazen dansvloer patent had aangevraagd, maar een eigen vinding was het niet. In een onuitgegeven manuscript verklaart conferencier Theo Moens dat hij en Reese de vloer tijdens een zakenreis hadden gezien: “We bezochten in Parijs de dancing van het Casino de Paris, een chic duur ding, en daar ontdekten wij een kleine verlichte dansvloer. Deze glazen dansvloer was warm, en je schoenen werden warm na een paar dansen. Dirk Reese interesseerde zich terstond voor deze glazen verlichte dansvloer, en, hij zóu weten hoe deze tegels aan elkaar geplakt waren, want die vloer was spiegelglad, en de afscheiding van de diverse kleurlichten was werkelijk een sprookje. Er werd weinig op gedanst, het was meer voor show en nog eens show. Ik decideerde ’s anderdaags mij te gaan aanbieden als chasseur of piccolo, wat mij lukte, en reeds na de eerste dag had ik het geheim te pakken. Een flinke fooi aan de chef électricien en een tekening van het rasterwerk, waar de vloer op zweefde, was voldoende om de bouwer, de Heer Verhaar, uit te leggen hoe het geval in elkaar zat.”

Kamercommissie dansvraagstuk

Lang heeft het Amsterdamse publiek niet kunnen genieten van de verlichte dansvloer. Het dansen raakte uit de mode en in 1930 veranderde Reese de Mille Colonnes in een bioscoop en vervolgens in een Heck’s lunchroom. Ook La Gaité stapte tijdelijk over op cabaret. Overigens gold er eind jaren twintig nog steeds een verbod op het dansen op zondag, en daarover werd in de pers en de politiek nog hevig gediscusieerd. En hoewel de Amsterdamse dansvloeren leger en leger werden, werd onder leiding van ‘kuische’ Ruys de Beerenbrouck in 1930 een kamercommissie in het leven geroepen die zich op het ‘dansvraagstuk’ wierp. Het bleek er in Amsterdam tamelijk netjes aan toe te gaan: van prostitutie was weinig te merken en het drankgebruik was, tot ongenoegen van de exploitanten, opvallend laag. Het resultaat was dat vanaf 1933 landelijk vrijwel dezelfde regels van kracht werden als die De Vlugt in 1924 had opgesteld.

In de hoofdstad ging de strijd tegen de onzedelijkheid en clandestiene danshuizen onverminderd voort. En er werd een nieuw soort club tot doelwit gemaakt: de ‘negercabarets’. Omdat de zwarte bediening zich met het blanke clientèle afgeven zou, adviseerde hoofdcommissaris H.J. Versteeg in 1936 tot sluiting van deze toen mateloos populaire uitgaansgelegenheden. Volgens hem was “het optreden dezer menschapen te walgelijk om aan te zien”. Door burgemeester De Vlugt werd onder dit advies netjes zijn handtekening gezet.

Drs. J. Groeneboer is theaterhistoricus. Met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten bereidt hij een boek voor over honderd jaar dansen in Amsterdam.