Artis: geschiedenis en toekomst

artisDe negentiende eeuw was de eeuw van parken en pleinen. In de grote Europese steden toonde de burgerij zich graag van haar beste kant tijdens uitstapjes en bijeenkomsten. Omdat ook wetenschap en kennis hoog in het vaandel werden gedragen bij de dames en heren van de betere stand, bouwde men nieuwe musea en dierentuinen. Verenigingen en genootschappen stelden zich het doel om kennis te verspreiden.

Beeld: Pixabay

In Amsterdam stichtten de heren Westerman, Werlemann en Wijssmuller in 1838 het genootschap Natura Artis Magistra, wat zoveel betekent als “De natuur is de leermeesteres van de kunst”. In de groene Plantagewijk, in goed gezelschap van de plantentuin Hortus Botanicus, werden enkele gebouwen neergezet en rondom werd een tuin aangelegd. Oorspronkelijk kregen enkel de leden van het genootschap toegang tot de tuin en tot de collectie die het genootschap verzameld had.

De naam van de tuin werd al snel verkort tot Artis en in de gebouwen kon men een groeiende collectie “naturalia” bewonderen. Deze collectie bestond uit specimen op sterk water en skeletten die met veel zorg bewaard werden voor de nieuwsgierige blik van de bezoekers. Daarnaast werden ook levende dieren aangekocht. In 1839 werd de menagerie van Cornelius van Aken in het park ondergebracht. De familie van Aken reisde door Europa met een show van exotische dieren. Een van de zonen besloot om voor zijn menagerie een vast onderkomen te zoeken. Vanaf dan huisde de dierentuin leeuwen, tijgers, beren en zelfs een olifant.

Het duurde lang voor het grote publiek toegang kreeg tot de dierentuin. Aanvankelijk werd de tuin enkel geopend voor niet-leden op een beperkt aantal dagen per jaar en bovendien voor een hoge toegangsprijs. De tuin en de gebouwen in de Plantagewijk waren vooral een ontspanningsoord voor de burgerij en zij genoten van de exclusiviteit en de grandeur met concerten en lezingen over wetenschappen en cultuur.

Door de inflatie tijdens de eerste wereldoorlog kwam het genootschap in financiële problemen en op zijn honderdjarige jubileum stond de dierentuin op de rand van faillissement. Er werd een comité opgericht om de dierentuin te redden en ondanks de moeilijke economische situatie tijdens de tweede wereldoorlog slaagde het genootschap erin te overleven. Pas na de tweede wereldoorlog kon men echter beginnen aan de vernieuwingsprojecten. In de twintigste eeuw waren de hoogdagen van de burgerij voorgoed voorbij en werden de tuinen en de musea opengesteld voor het grote publiek.

Doorheen de lange geschiedenis van de beroemde Amsterdamse dierentuin volgden verschillende directeurs elkaar op en elke directeur probeerde zijn eigen stempel te drukken op de toekomst. De eerste directeur was Gerardus Frederik Westerman, een van de oorspronkelijke oprichters van het genootschap. Vervolgens werd meestal gekozen voor mannen uit de wetenschappelijke wereld en verschillende biologen droegen de titel van directeur.

In 2008 werd met de aanstelling van Haig Balian als directeur een nieuwe weg ingeslagen. Dierentuinen zijn immers al lang niet meer de exclusieve oorden van vertier voor de burgerij, noch zijn ze enkel bastions van wetenschappelijke kennis. Om een dierentuin in de eenentwintigste eeuw draaiende te houden, zijn er veel bezoekers nodig, en de moderne consument vraagt waar voor zijn geld. Dat maakte van Balian, met zijn achtergrond in de entertainmentindustrie, de ideale kandidaat om de dierentuin een nieuw leven te geven. Opnieuw kampte Artis immers met financiële problemen.

In 2017 nam Rembrandt Sutorius het roer over. Ook deze directeur, een jonge manager met een hart voor de natuur, wil de volgende jaren voldoende bezoekers lokken. Sutorius wil de natuur dichterbij de stadsbewoner brengen en hen laten genieten van Artis. Dat zal niet gemakkelijk zijn nu de jaarlijkse subsidie verminderd werd met maar liefst 20 percent. Onvermijdelijk zal er moeten geknipt worden in het aantal dieren. Maar dat betekent niet dat het park minder interessant hoeft te worden. Met de hulp van nieuwe sponsors wil Sutorius de dierentuin omvormen tot een natuurpark waar dieren in een aangename omgeving kunnen vertoeven en waar bezoekers een betere binding krijgen met de natuur.