Hoogoord 57, de eerste Bijlmerwoning

Copray HoogoordGroot was de belangstelling toen in november 1968 de allereerste woning, Hoogoord 57, in de Amsterdamse Bijlmer werd betrokken. Hoe verging het de eerste bewoners? Wie kamen er na hem wonen? Pionierster Truus Copray-Gingnagel blikt terug.

(Uit: Ons Amsterdam november 1992.  Auteur: Peter-Paul de Baar.
Foto: Nationaal Foto-Persburo.)

Maandag 25 november 1968. Achter de microfoon staat wethouder Th.C.M.A. Elsenburg van Volkshuisvesting. ‘Kritiek is gezond,” zegt hij, “maar minder gezond is kritiek waarin men soms onwelwillendheid bespeurt, waarin redelijke afweging van factoren niet of nauwelijks een rol speelt en vergelijkingen slaan als een tang op een varken.”  De vele journalisten noteren het grijnzend. De binnenstraat van Hoogoord, de eerste (34 meter hoge) Bijlmerflat, is bomvol. Beduusd middelpunt is de achtkoppige familie Copray. Van de wethouder krijgen zij – na een ellenlange toespraak – als eerste Bijlmerbewoners hun huissleutel (zie foto) en het fotoboek Amsterdam van Cas Oorthuys. Woningbouwvereniging Het Oosten verblijdt de Coprays met een wasmachine.

Daarna gaat het gezelschap naar de voordeur van 57, op de eerste galerij.Daar verdringen zich hotemetoten die voor het oog van de tv-camera’s de familie cadeaus aanbieden: gratis voorstellingen bij De Nederlandse Comedie, een kwartaalabonnement op Het Parool, gratis lidmaatschap van de VARA (maar de Coprays zijn al KRO-lid…);  en Het Nationale Ballet nodigt het echbtpaar “en diegenen Uwer kinderen, die daarvoor naar uw mening de geschikte leeftijd hebben” uit voor Het Zwanenmeer in de Stadsschouwburg. Pas na uren stapt mevrouw Cppray, met een grote bos anjers in de hand, als eerste de zeskamerflat binnen.

‘Al die pers!”  zegt G. Copray-Gingnagel (67) 25 jaar later. ‘We wisten niet wat ons overkwam.’  Na een kwart eeuw woont ze nog altijd in Hoogoord, maar nu in een vierkamerflat op de hoek, Ze heeft de ruimte, want alle zes kinderen zijn het huis uit. Haar man overleed drie jaar geleden. Toen ze hier in 1984 kwamen wonen, konden ze de Westertoren nog zien, maar sinds 1986 wordt het zicht naar het noorden belemmerd door het overigens sprookjesachtig mooie hoofdkantoor van de ING-Bank (voorheen NMB).
De verhuizing van 1968 staat haar nog scherp voor ogen. “ Ja, er moesten natuurlijk Eerste Bewoners zijn. En omdat Het Oosten een katholieke woningbouwvereniging was, wilden ze daarvoor graag een gezin met veel kinderen. En wij hadden er zes en mijn man was bovendien al sinds 1951 lid.’

Ook de gemeente vond de Coprays een modelgezin. Ze voldeden aan het ideaalbeeld, althans het bijgestelde ideaalbeeld. Rond 1960, bij de allereerste plannen voor plannen voor bebouwing van de Bijlmermeerpolder, was het idee at bewoners van kriotwoningen uitr de binnenstad naar de nieuwe wijk zoudn verhuizen. Omdat het rijk veel minder bijdroeg dan gedacht, moesten de huren fors omhoog. De Bijlmer werd nu bestemd voor redelijk verdienende bewoners uit de 19de-eeuwse wijken en de westelijke tuinsteden, die voor een ruimere, confortabele woning in het groen wel wat meer huur wilden betalen. De krotbewoners konden dan ‘doorstromen’ naar de achtergelaten woningen. Voor jonge gezinnen met kinderen werd de Bijlmer,met zijn ruime flats en strikte scheiding van auto- en voetgangersgebieden, ideaal geacht.

K.J.(Kees) Copray, geboren in 1923, werkte 40 jaar lang bij de Sociale Verzekeringsbank. In 1948 trouwde hij met Truus Gingnagel. “De eerste jaren woonden we in bij mijn schoonouders in de Rivierenbuurt, op een eigen verdieping, dat wel”, zegt zij. “Toen kregen we kinderen en mijn schoonouders wilden verhuizen, dus moeten we weg. Via via kregen we in 1952 een woning driehoog in de Jan Haringssraat bij de Willem de Zwijgerlaan. Met vier kinderen (twee meisjes en twee jongens) verhuisden we in 1957 naar een vijfkamerwoning in Geuzenveld, de Kenau Simons Hasselaerstraat. Geuzenveld was toen ook nog een hele jonge tuinstad. Na elf jaar verlangden we naar een groter huis. En die Bijlmer leek ons wel wat. Hoofdzaak was de ruimte en ook de omgeving. Je zit hier vlak bij de Amstel, de Angstel, de Gaasp en het Gein. We hebben heel wat gefietst en gewandeld. In het begin lag de oude Utrechtseweg hier nog, ongeveer waar nu de Daalwijkdreef is. Daar stonden allemaal boerderijen langs de dijk. Toen die dijk werd afgegraven, vond je allerlei scherven, soms zelsf hele flessen,tegels, pijpekoppen, oesterschelpen en knikkers. Allemaal Amsterdams afval dat in de 17de eeuw hier is gestort. Altijd als we de hond uitlieten, vonden we wel wat. Mijn man heeft van die scherven hele collages gemaakt; die hangen op het balkon.

Ongekend oecumene

Hoogoord 57 bestond uit twee verdiepingen. Op galerijhoogte zijn de woonkamer, de keuken, de badruimte en drie slaapkamers. Daaronder, bereikbaar via de binnentrap en bereikbaar aan de openbare binnenstraat, zijn nog twee slaapkamers, een toilet en de berging. “Wij en de meisjes sliepen boven, de jongens beneden. In de kamer van mijn ene zoon was een kruispunt van afvoerbuizen, van de douche en de wc en zo. De jongens vonden het wel leuk, die hingen er hun was aan, maar ik vond het vreselijk.” In 1968 kostte de flat f 342,05 (inclusief f 79,85 service- en stookkosten) per maand, twee keer zo veel als de Geuzenveldse woning.

In een plakboek bewaart mevrouw Copray knipsels, programmaboekjes van Het Zwanenmeer en De Spaanse Brabander, en de visakte die haar man kreeg van hengelsportvereniging Allén Eén.   Ook heeft ze nog de informatiebulletins die de gemeente vanaf 6 december 1968 bijna wekelijks aan de Bijlmerpioniers toezond -- fascinerende lectuur. De meeste voorzieningen zaten in het Aanloopcentrum op het oude Bijlmerplein, tussen Bijlmerdreef en Gulden Kruispad, naast de plek waar nu de sporthal staat. (Inmiddels groeit hier weer gras.) Op 2 december werd hier een houten schoolgebouwtje geopend, waarin een ongekende oecumene heerste. “Op het ogenblik bestaat er een nauwe samenwerking tussen de heren J.A. Erisman (prot.chr. lagere school) en mej. T.M. Wildschut (kath. l.o.)”, schrijft het Amstelveens Weekblad op 14 december. “De juf geeft les aan de kinderen van de eerste, tweede en derde klas, terwijl meester Erisman de drie hoogste klassen voorzijn rekening neemt. En zo komt het dat de meester voorlopig slechts één leerlinge heeft. Monika Copray van het eerste gezin dat in de Bijlmer trok. Zij zit in het zesde leerjaar.” De openbare school had toen zeven leerlinge, de katholieke en protestantse ieder twee. Gelukkig kreeg Monika snel gezelschap, maar de klassen bleven klein. “Dat vonden de kinderen wel leuk, want ze kregen bijna individueel onderwijs..”

Winkels ontbraken de eerste weken. “Vanaf 2 december kunt u op werkdagen vabn 9-15 uur Uw bestellingen opgeven bij het kantoor van de Nederlandse Middenstandsbank, óók telefonisch. Het personeel geeft uw bestelling door aan de betreffende winkelier, die op zijn beurt weer zorgt voor de bezorging van de bestelde goederen,” aldus Informatie Nr.1. Op 11 december vestigde drogisterij Van Dijk zich in het Aanloopcentrum. Vlak voor Kerstmis volgden De Spar, Simon de Wit,Both (in huishoudelijke artikelen) en Baco. Op 16 januari 1969 begon tandarts E.M. Riel zijn praktijk in het Medisch Centrum op het (oude) Bijlmerplein, pas in mei gevolgd door de eerste huisats, G.W.F. Edgar, bij jazz-minnend Nederland beter bekend als Boy Edgar. In maart 1969 ging de eerste Bijlmer-politiepost open, ook op het Bijlmerplein, en eveneens vanaf maart parkeerde de bibliotheekbus iedere woensdagmiddag bij Hoogoord.

Gezien de confessionele signatuur van Het Oosten was dagblad De Tijd begin 1969 niet verbaasd dat van de 133 hoofdbewoners er 61 als katholiek te boek stonden. Daarnaast waren er elf hervormden, een gereformeerde “en een muzelman”.

Behalve voor beide laatsten was de geestelijke verzorging wel al vóór de kerst geregeld. Op kerstavond 1968 vond in de binnenstraat een gezamenlijke kerkdienst plaatsen “met aansluitend mogelijkheid tot avondmaal of communie”. Dominee E. Hagen, Hoogoord 112, verenigde in zich: de Nederlands Hervormde Kerk, de Lutherse Gemeente, de Doopsgezinde Gemeenteén de Remonstrantse Broederschap. Een paardeuren van de familie Copray verwijderd, in zeskamerflat Hoogoord 96, hadden de jezuietenpaters G. Cornelissen, G, Ingen Housz en F. Veelenturf samen met zuster N. Ashmann hun pastorie. Zij behoorden tot de progressieve richting van Huub Oosterhuis en de zijnen. Truus Copray: “De kerk was aan het veranderen en dat begrepen we wel. Maar die jongens waren zó radicaal! Twee zijn er later getrouwd; dat zagen we al aankomen. We voelden ons bij hen niet thuis. Toen zijn we een paar keer naar de kerk in Duivendrecht geweest, maar die was weer zó ouderwets; dat waren we ook ontgroeid.”

In de Bijlmer zingt de nachtegaal

Uit krantenverslagen blijkt dat de euforie niet lang duurde. Neem de binnenstraten. “Daar hadden ze veel van verwacht; iedereen zou elkaar daar tegenkomen.” Maar dat viel tegen. Op een ‘teach in’ (informatieavond) in januari 1969 werden de Hoogoord-bewoners woedend toen bleek dat de gemeenschappelijke ruimten in de binnenstraat (te gebruiken voor vergaderingen, pingpongen of een crèche) gehuurd moesten worden, terwijl in de folders had gestaan dat ze gratis waren. De bewoners namen het niet en lieten de ruimten leeg staan. De meeste binnenstraten werden troosteloze betonnen sleuven, waar ik later jaren enkel drugsverslaafden zich thuis mensen voelden. “Ze hebben bog wel hun best gedaan door er bloembakken neer te zetten, maar helaas werden er elk weekend de plantjes eruit gelicht. Door bezoekers, denk ik.”

Langzaam werd de woeste en ledige ruimte rond Hoogoord gevuld met flats em daartussen veel snel groeiend groen. “In de Bijlmer zingt de nachtegaal”, beloofden de gezamenlijke woningbouwverenigingen huurders in spe in de brochure Toekomst te huur uit 1968. Mevrouw Copray: “Iedereen lachte erom. Nou, we woonden er misschien een jaar of zeven en toen zeiden we tegen elkaar: ik geloof dat-ie er is! Elke nacht zongen ze hiertegenover in de bosschages. En toen waren er weer mensen die klaagden dat ze er niet van konden slapen.”

                     De verbindingen met ‘de stad waren niet ideaal, die eerste jaren. Pas in oktober 1976 ging de metro rijden, aanvankelijk niet verder dan het Amstelstation, sinds 1981 naar het Centraal Station. Het door koningin Juliana in mei 1971 geopende treinstationnetje is in 1976 vervangen door het huidige, hooggelegen Station Bijlmer. De Coprrays hadden een auto die, zolang er geen parkeergarage was, geparkeerd werd op de verhoogde weg. De jongens gingen op de brommer naar hun scholen in Slotermeer en Oost (het middelbaar onderwijs in de Bijlmer kwam erg traag op gang) , de meisjes namen de bus. “De lijnen veranderden voortduren: 55,57, 50, 59… Ik ging geregeld met de bus naar de Dappermarkt.”

In de beginjaren werd er weinig verhuisd op de galerij. “De narigheid kwam door alle negatieve berichten. De mensen die de gemeente er eigenlijk in wilde hebben hadden er door die praatjes geen zin in en toen werden de Surinaamse immigranten allemaal naar de Bijlmer gestuurd.” Begin jaren zeventig arriveerden veel Surinaamse Nederlanders, die in eigen land economisch weinig perspectief hadden en ook geen heil zagen in de aanstaande (1975) onafhankelijkheid. “Veel Surinamers moesten heel erg wennen aan het leven in Nederland. Maar inmiddels zijn de verschillende bevolkingsgroepen hier veel meer aan elkaar gewend dan elders in de stad.”

“