Zoetrijders en melkboeren

melkboeren‘Boeren, burgeres en buitenlui’ was vorig jaar het thema van de Open Monumentendagen.

De technologische revolutie deed in de afgelopen eeuw de afstanden snel vervagen, maar tot dan was een stad als Amsterdam voor vlees, groente en fruit, boter, kaas en eieren zwaar afhankelijk van de ommelanden geweest. 

Een kwetsbare sector wat betreft gezondheidsrisico’s. Neem bijvoorbeeld de melk.

 

Dit artikel werd u aangeboden uit Ons Amsterdam editie 9 - 2017.
Tekst: Peter Paul de Baar

Beeld: Stadsarchief

We zien hier de melkmarkt kort voor de opheffing in 1916, sinds 1875 te vinden op de huidige Prins Hendrikkade, tussen het Singel en de Martelaarsgracht. Ons Amsterdam-auteur W. Zimmermann gaf er een halve eeuw later in 1965 nog een levendig beeld van: “Aan het water bevond zich de melkmarkt en de melkboeren, met blauwe kielen, ontvingen daar ’s morgens in blauw geschilderde vaten de aangevoerde melk.”

Met ‘melkboeren’ bedoelde hij melkverkopers alias melkslijters. De echte boeren (veehouders) waren degenen die de melk aanvoerden, uit diverse dorpen in Waterland. Eeuwenlang gebeurde dat met kleine melkschuiten, maar omstreeks 1890 namen stoombootmaat-schappij De Eensgezindheid en de Noord-Hollandsche Tramweg-Maatschappij die taak over. Ook vanuit dorpen als Amstelveen, Uithoorn en Sloten kwamen boeren met melk (‘zoetrijders’) naar de stad. Zij reden met karren de stad in en verkochten vaak rechtstreeks aan particulieren. Van hygiëne had nog niemand gehoord. De ‘zoetrijders’ goten de verse melk uit houten fusten over in de houten emmers van de melkslijters. Die brachten ze dan (doorgaans zonder deksel) op handkarren de stad in, langs tientallen mattenkloppende dienstmeisjes.

Thuisgekomen in hun dorpen spoelden de veehouders hun fusten schoon met slootwater. De situatie begon pas (heel geleidelijk) te verbeteren toen eind 19de eeuw in Amsterdam melk-fabrieken ontstonden: allereerst de Amsterdamsche Melkinrichting op de Prinsengracht, later bekend als VAMI. Ze werkten met gesloten koperen ketels – die werden uitgestoomd – en introduceerden de melkfles. Wat de kwaliteit betreft letten klanten en overheid lange tijd vooral op het vetgehalte van de melk. Hoe vetter hoe beter!

Als er al tegen boeren werd opgetreden vóór 1900 was het omdat ze de melk met water verdunden. Crème de la crème was de zeer vette en dure ezelinnenmelk, vanwege zijn voedzaamheid aanbevolen aan zwangere vrouwen en ernstig zieken. Wie rijkdom wilde etaleren bestelde de ‘man met de ezelinnen’. Hij kwam dan aanzetten met vijftien ezelinnen en molk ze demonstratief bij de klant voor de deur. Deugdelijke regelgeving (ook tegen het melken van tuberculeuze koeien…) begon pas met het Melkbesluit van 1925. Hoeveel Amsterdammers tot die tijd, zonder het te beseffen, aan het drinken van besmette melk zijn bezweken, valt niet meer na te gaan.