Nummer 2: Februari 2013 - Jordanezen, oproerkraaiers, dichters en agenten

 

02_2013_OproerJournalist en schrijver Martin Schouten schreef een goed gedocumenteerde
roman over het Palingoproer. “Als ik daar in het Provinciaal Archief in Haarlem zo’n dossier met opschrift ‘GEHEIM’ op mijn tafel kreeg, ja, dat gaf me een opwindend gevoel.”

Als de meeste grachtengordelbewoners nog de slaperigheid van de gezapige 19de eeuw uit hun ogen wrijven, ontploft Amsterdam bij hen om de hoek. Het Palingoproer breekt los. Martin Schouten schreef er zijn nieuwste, zeer Amsterdamse roman over. Hij dook diep de archieven in, maar zette de historische feiten van 126 jaar geleden vervolgens soepel naar zijn hand. “Want het moest wel een mooi verhaal zijn.” Hoe ging hij te werk?

“Het is natuurlijk een waanzinnig interessante tijd, die jaren tussen 1880 en 1890”, zegt Martin Schouten (Apeldoorn, 1938) boven een pilsje in zijn stamkroeg De Pels in de Huidenstraat. “Op allerlei terreinen zat verandering in de lucht en stond de boel op scherp. Net als in de jaren zestig van de afgelopen eeuw, toen ikzelf naar Amsterdam kwam.”
Het onderwerp is hem sinds lang vertrouwd. In 1974 schreef hij De Socialen zijn in aantogt. De Nederlandse arbeidersbeweging in de negentiende eeuw. “Een prentenboek met verhalen”, zoals het heet op de achterflap. Begin jaren zeventig waren de illusies over de kansen op een sociaal rechtvaardiger wereld nog lang niet vervlogen en putten velen graag inspiratie uit de zinderende sfeer van het opkomend socialisme een eeuw eerder. “Nee, zelf was ik geen activist, nooit geworden ook. Ik ben een eeuwige toeschouwer. Maar ik vond het wel mooi en spannend.” Hij maakte er een boek van waarin de individuele levensgeschiedenissen “niet onzichtbaar werden gemaakt door een woud van voetnoten en jaartallen.”  
Schouten was toen al jaren journalist. Hij debuteerde in 1963-1965 in het VU-studentenblad Pharetra, net als even later Geert Mak en Nicolaas Matsier. Daarna was hij redacteur van het Algemeen Handelsblad, de Haagse Post, de Volkskrant en HP/De Tijd. Zijn boeken kwamen vaak voort uit journalistieke reportages, zoals Werk (1977), een spraakmakende bundel interviews met beoefenaren van zeer uiteenlopen beroepen als postbode, aanplakker, boekbinder, dominee, stripper, vuilnisman, huisarts, serveerster en nog zo’n dertig andere. De geschiedenis van ‘gewone mensen’ bleef hem bezig houden, getuige boeken als Voor de oorlog (interviewbundel, 1982), De bende van Oss (1982) en Rinus van der Lubbe (1986).

Geheime dossiers
Met de sociale geschiedenis van de 19de-eeuw hield hij zich niet meer bezig. Maar in zijn achterhoofd bleven die verhalen toch hangen en dat gold zeker voor het Palingoproer in de Jordaan van juli 1886, dat 26 doden en zo’n 130 gewonden opleverde. En in de loop der jaren werd het hem steeds duidelijker dat er in die jaren nog veel méér spannends gebeurde. “Het was de tijd van de Tachtigers, die beweging van moderne schrijvers, dichters en schilders rond De Nieuwe Gids. En ook het toneelleven was volop in beweging. Maar dat leken helemaal gescheiden milieus en die verhalen zijn steeds apart verteld. Natuurlijk hadden die werelden toch wel iets met elkaar te maken, al is daar soms moeilijk de vinger op te leggen.”
Vooral daarom maakte Schouten er een roman van, zodat hij de feiten kon aanvullen met zijn fantasie. Niettemin zijn heel veel elementen in deze roman aantoonbare historische werkelijkheid. “Er is toch nog geweldig veel te vinden. Waar ik echt van heb gesmuld waren de gerechtelijke dossiers over het Palingoproer. In 1974 waren die nog niet openbaar, nu wel. Als ik daar in het Provinciaal Archief in Haarlem zo’n dossier met opschrift ‘GEHEIM’ op mijn tafel kreeg, ja, dat gaf me een opwindend gevoel.”

Een dierkwellend spel
Eigenlijk gaat Het Palingoproer over veel meer dan de titel suggereert. Het is een sfeerschets van Amsterdam eind 19de eeuw, als een stad in heftige verandering. Maar het oproer neemt in het boek zeker een prominente plaats in. Waar ging het ook alweer over? De aanleiding was banaal. Een aantal bewoners van de Lindengracht in de Jordaan organiseerde op de hete zondag 26 juli 1886 een wedstrijdje palingtrekken. Een levende paling werd aan een lang touw opgehangen boven het water van de nog ongedempte gracht. Roeibootjes voeren er onderdoor waarin de deelnemers rechtop stonden om te proberen het spartelende en aalgladde dier van het touw af te trekken. Dat lukte maar weinigen en velen vielen in het water. Dikke pret, dus! Behalve voor de paling, natuurlijk, maar van veel compassie voor dierenleed was toen nog geen sprake. Behalve bij een kleine fijngevoelige elite, die zowaar had bereikt dat ‘dierkwellende spelen’ verboden werden.
De Jordanezen wist niets van dat verbod en hun woede was dan ook groot toen de politie weinig tactvol het spel kwam bederven. Er werd gescholden, er vielen klappen, een eerste steen werd gegooid, de gevluchte agenten kwamen terug met versterking, nog meer stenen werden uit het plaveisel getrokken en zelfs kwamen er twee kleine barricades. Zou nu de legendarische Rode Revolutie dan toch uitbreken, zoals ook de communards in Parijs even hadden gedacht in 1871? Enkele jonge socialistische heethoofden haalden een rode vlag van zolder en hieven opstandige strijdliederen aan. Een prettige opwinding verspreidde zich door de stad en velen stroomden toe. Het stadsbestuur raakte in paniek en vroeg om bijstand van het leger. Dat kwam en schoot. Resultaat: een Binnengasthuis vol doden en gewonden.

De boef en de agent
“Als je zo’n roman schrijft”, zegt Schouten, “stuit je op vragen die nooit eerder bij je opkwamen. In wat voor rijtuig reed iemand als politiecommissaris Stork? Welke Amstelbruggen waren er toen al? Hoe werd dat touw met die paling precies opgehangen? Maar belangrijker was natuurlijk dat ik lange tijd tobde met de vraag hoe ik het verhaal moest opzetten. Wie zou ik hoofdpersoon maken?” Het antwoord vond hij in de archieven. Hij kwam een proces-verbaal tegen waarin hoofdagent-rechercheur Jan Schubart vertelt dat hij een bekende socialist een oproerig manifest zag aanplakken.
“Ha, dat is hem, dacht ik. Een agent is net als een verslaggever iemand die voortdurend observeert en Jan en alleman kan aanspreken. Verder wist ik niks van hem, dat gaf me de nodige vertellersvrijheid. Bij een agent hoort natuurlijk ook een boef. In de stukken wordt iemand genoemd ‘die in de Jordaan bekend staat als Bambolin’. Wat een prachtnaam! Van die Bambolin maakte ik een schelmachtige Jordanese inbreker, die op zijn manier de kloof tussen arm en rijk verkleint, maar eigenlijk volkomen apolitiek is, zoals de meeste buurbewoners. In mijn verhaal bedenkt hij het palingtrekken, zodat Schubart reden heeft hem een roman lang te zoeken.”

Leeghoofdige diva
Via de liefjes van Bambolin en Schubart haalt Schouten andere milieus het verhaal binnen. Bambolins vriendin Truitje Moos werkt in de beruchte waskaarsenfabriek aan de Hobbemakade en poseert voor de schilder George Breitner. “Haar kwam ik tegen in de Parlementaire Enquête naar de Arbeidsomstandigheden van 1887, ook een fascinerende bron.” Breitner hoort bij de Tachtigers (Kloos, Van Deyssel, Van der Goes, Van Eeden, Aletrino en anderen), die rechercheur Schubart hoort ouwehoeren in restaurant Die Port van Cleve op de Nieuwezijds. “Ja, ik weet wel dat ze een hele reeks stamkroegen hebben versleten. Maar ééntje was voor mij genoeg en deze is nog bekend bij lezers van nu.” Schubart wordt verliefd op de kleedster van topactrice Theo Frenkel-Bouwmeester, later Mann-Bouwmeester, ene Alida Rozijn. “Zo heette ze echt.” Zo komt Schubart ook in theaterkringen.
Over de diva heeft Schouten intussen veel gelezen en ze viel voor hem duidelijk door de mand: een babbelziek leeghoofd dat vooral geïnteresseerd is in haar garderobe. “Wie ik steeds sympathieker ging vinden was de Tachtiger Arnold Aletrino. Romanschrijver, criminoloog en arts in het Binnengasthuis, die op de bres kwam voor betere werkomstandigheden voor de verpleegsters. Als homo was hij een beetje een randfiguur, maar ook een gezelligheidsdier en een bescheiden jongen met gevoel voor humor. Ja, van hem zou ik nog wel eens meer willen weten. Voor een nieuwe roman, zeg je? Nee, daar denk ik nu nog even niet aan.” 

Tekst: Peter-Paul de Baar