Nummer 1: Januari 2010 - Frontsoldaten veroveren de straten

 

Frontsoldaten veroveren de straten
Het straatmeubilair van de Amsterdamse School
Tekst: Isabel van Lent

Lantaarnpalen, brandmelders, lichtmasten, girobussen, urinoirs of afvalbakken. Wat ze ook moesten ontwerpen: de getalenteerde architecten bij Publieke Werken maakten er iets moois van in de jaren 1910-1940. In de  opvallende stijl van de Amsterdamse School. Stadsdeel Westerpark bouwt er nu op voort.

Het is een opvallend eenvoudige lantaarnpaal. Een grijze mast, eindigend in een tweetand, met daarop een eigenaardig hoedje dat veel wegheeft van een legerhelm uit de Eerste Wereldoorlog. Het leverde de lantaarnpaal in de jaren twintig zijn bijnaam op: ‘De Onbekende Frontsoldaat’. De paal staat in de tuin van Museum het Schip en wordt vergezeld door andere markante en soms eigenaardige objecten. Zoals een knalrode rechthoekige zuil met daarop een blauw zwaailicht en daaronder de tekst: “Brandmelder. Breek ruit. Druk knop in. Open deur en telefoneer.”
Straatmeubilair is een breed begrip. Het omvat alle objecten in de openbare ruimte met een heldere gebruiksfunctie. Kenmerkend voor het straatmeubilair van de Amsterdamse School uit de periode 1910-1940 zijn de felle kleuren – bedoeld om de objecten te laten opvallen – primair rood, blauw en geel, maar ook ingetogen donkergroen en grijs. De vormgeving is vaak verrassend modern en strak, met geometrische vormen zoals cilinders en balken, maar ondanks de simpele hoofdvorm dikwijls met elegante en ambachtelijke details. Groot, leesbaar en tegelijkertijd verfijnd is de vormgeving van de letters ter verduidelijking van functies zoals ‘Brandmelder’ of ‘Gemeentegiro’. Het meeste straatmeubilair is van gietijzer, wat aantrekkelijk was voor massaproductie, maar ambachtelijk materiaal zoals hout werd niet geschuwd.
De Amsterdamse School staat bekend om haar brede uitdrukkingsvormen. Behalve architectuur werden interieurs, beeldhouwwerk en typografie door dezelfde vormgevers verzorgd, die daarmee deze uitbundige en expressionistische stijl breed verspreidden. In dezelfde tijd vonden diverse maatschappelijk ontwikkelingen plaats waardoor in de stad een grote behoefte ontstond aan nieuw straatmeubilair. De Dienst Publieke Werken hield zich als officieel gemeentelijk architecten- en ingenieursbureau hiermee bezig. De Dienst PW was verantwoordelijk voor stadsontwikkeling, de inrichting van de openbare ruimte, het ontwerpen van gebouwen met een openbare functie en het onderhoud hiervan.

Moderne Frontsoldaat
De Frontsoldaat – officiële naam: Paal PW 24 – is een ontwerp uit 1924 van de architect Pieter Lucas Marnette. De Frontsoldaat verlichtte de nieuwe uitbreidingswijken rondom de grachtengordel, de ring ’20-’40. De straatmeubelen in deze wijken werden in de stijl van de Amsterdamse School architectuur vormgegeven. De gestroomlijnde lantaarnpaal was schokkend modern en functionalistisch, zonder enige decoratie. Het ontwerp viel allesbehalve in de smaak bij de Amsterdammers, wat hem zijn misprijzende bijnaam opleverde. Deze lantaarnpaal was onderdeel van de elektrificatie van Amsterdam. De hele stad ging in 1917 volledig over op elektrische straatverlichting – in 1923 waren alle gaslantaarns uit het straatbeeld verdwenen.
Marnette werkte veertig jaar voor de Dienst PW en liet een indrukwekkend oeuvre aan architectuur en straatmeubilair achter. Behalve voor de Frontsoldaat is hij verantwoordelijk voor kabelkasten en splitskasten die nog steeds in gebruik zijn. In 1927 ontwierp hij de brandmelder bijgenaamd ‘de Rode Brigadier’. In een periode waarin telefooncellen nog geen gemeengoed waren, kon men via dit opvallende paaltje toch snel de brandweer of politie bereiken. Natuurlijk werd door kwajongens ook veel misbruik gemaakt van de brand- en politiemelders.
Marnette was een van de vele getalenteerde architecten die bij PW in loondienst werkten. Johan Melchior van der Mey was in 1911 de eerste die de functie van esthetisch adviseur vervulde. Piet Kramer werd in hetzelfde jaar aangenomen als zijn assistent. Beiden waren hoofdrolspelers in de beginperiode van de Amsterdamse School. Zij oefenden (samen met andere gelijkgezinde architecten zoals Marnette) door hun rol binnen de dienst een grote invloed uit op het Amsterdamse straatbeeld. Deze artistieke impuls kwam van de in 1907 bij PW aangestelde directeur Andries Wilhelm Bos. Bos stimuleerde de kwaliteit van de vormgeving, die vanaf de 19de eeuw zwaar in het slop was geraakt. Voor het eerst werden in plaats van technisch tekenaars, architecten benaderd om publieke werken te ontwerpen.

Kunst- en smeedwerk
Fraai straatmeubilair kan van een gewone straat een openluchtmuseum maken. Dit geldt zeker voor de bruggen van de Amsterdamse School, voor het grootste deel ontworpen door Piet Kramer. Ze illustreren het Amsterdamse School ideaal van een ‘totaalkunstwerk’. Hierin zijn architectuur, beeldhouwwerk, typografie én straatmeubilair in de vorm van ingewikkelde smeedijzeren brughekken, geïntegreerde zitjes en bijpassende lichtmasten letterlijk tot één geheel gesmeed.    Door de bevolkingstoename werd het aan het begin van de 20ste eeuw steeds drukker in Amsterdam. Auto’s, trams, fietsers en voetgangers vulden de straten. Uitbreiding van het stratennetwerk was onontkoombaar en om dat te kunnen doen, moesten grachten worden gedempt, straten verbreed en ook nieuwe bruggen aangelegd. Met de bruggen zou ontwerper Kramer nog decennialang zoet zijn. Hij realiseerde er tijdens zijn carrière meer dan tweehonderd (waarvan zeventig in het Amsterdamse Bos), vaak in nauwe samenwerking met stadsbeeldhouwer Hildo Krop.
Typerend voor Kramers bruggen zijn de smeedijzeren hekken met krullen, vlechtwerk en gecompliceerde verbindingen. Op rustige plekken met weinig verkeer buiten het centrum ontwierp hij echter houten bruggen. Om deze donkere gebieden goed te verlichten, werden op elke hoek opvallende lichtmasten geplaatst. Een voorbeeld is brug 409 aan de Emmastraat over het Noorder Amstelkanaal. De brug werd in 1960 gesloopt; de vier lichtmasten staan nu in Museum Het Schip. Net als de smeedijzeren brughekken, laten de lichtmasten een kant van het Amsterdamse School straatmeubilair zien die niet industrieel maar puur ambachtelijk is. Ze hebben een armatuur met een driehoekige grondvorm van een koperen raamwerk met matglazen ruiten. Aan de achterkant loopt de houten mast over in de armatuur door middel van een gecompliceerd geconstrueerde houten ‘ribbenkast’. Een donkerrood geschilderde houten kap met een prominent uitstekende punt dekt het geheel af. De lichtmasten lijken dan ook meer op beeldhouwwerken die toevallig licht geven.

Stoere zuilen en helmen
Sinds de teloorgang van de Postbank wordt nog wel eens weemoedig teruggedacht aan de tijd dat robuuste blauwe zuilen van de Postgiro de straten kleurden. Deze stoere staande girobussen werden geïntroduceerd in 1918 en waren van de hand van Marnette. Ze hebben een karakteristieke vorm van een naar boven toe breder wordende, helblauwe zuil met cannelures. De zuil staat op een naar buiten opkrullend ‘voetje’. Op het kegelvormige deksel staat de tekst ‘Gem. Girokantoor’ met daaronder in rood, wit en zwart het wapen van Amsterdam.
Amsterdam was de eerste stad in Nederland met een eigen gemeentegiro, opgericht in 1917. Aanvankelijk was de giro alleen bedoeld voor betalingen en ontvangsten van de gemeente, maar in 1918 werd het ook voor particulieren mogelijk om een girorekening te openen. Datzelfde jaar werd dankzij de oprichting van de Postcheque- en Girodienst landelijk giraal betalen mogelijk. Net als de Rijkspostspaarbank viel deze dienst onder de PTT. Op initiatief van kunstliefhebber Jean François van Royen, vanaf 1918 algemeen secretaris en plaatsvervangend directeur van de PTT, werden voor het eerst professionele vormgevers benaderd om zich bezig te houden met de vormgeving van brievenbussen.
In 1926 had de PTT behoefte aan een kleiner model girobus dat gemakkelijk te plaatsen zou zijn in aanvulling op de massieve staande bussen van Marnette. Kunstenaar en grafisch ontwerper Anton Kurvers werd hiervoor benaderd. Hij maakte diverse ontwerpen voor post(giro)bussen en postzegelautomaten. De hangende girobus uit 1926  – waarvan het ontwerp overigens al uit 1922 stamde – is organisch gemodelleerd en kan worden bevestigd aan een paal of gebouw door middel van drie bijpassende grote blauwe schroeven. De girobus is afgedekt met een overhellende gewelfde deksel, waaronder de brievensleuf schuilgaat. Door de typische vorm werd deze girobus ‘het helmtype’ genoemd. Ondanks de elegante gestroomlijnde vormgeving, was de bus door zijn zware gewicht in de praktijk niet handzamer dan het staande model van Marnette.

Voor een schone stad
‘De krul’ is beroemd en berucht bij elke Amsterdammer. Het urinoir in de vorm van een dubbele krul werd in 1914 ontworpen door Van der Mey. Het ontwerp was sterk gebaseerd op een eerder model uit 1869. De groene gietijzeren bouwwerken werden op grote schaal door de stad verspreid. Kenmerkend zijn de Amsterdamse andreaskruisen, waarmee de krullen zijn geperforeerd op een manier die de persoon binnen niet helemaal aan het zicht onttrekt, maar toch voldoende privacy geeft.    Een schone stad met schone bewoner was het streven in zowel de Woningwet uit 1901 als het beleid van wethouder Floor Wibaut. Om een eind te maken aan epidemieën, zoals cholera, waren de woningwetwoningen een stuk moderner dan de krotten in de voormalige arbeiderswijken. De bewoners hadden er de beschikking over stromend water, een toilet en ramen die open konden. Ook de Dienst PW droeg haar steentje bij, door diverse badhuizen te bouwen en ‘proper’ straatmeubilair zoals urinoirs te ontwikkelen.
Het was opnieuw Marnette die in 1932 een ander onmisbaar meubel voor de schone straat ontwierp: een afvalbak van gietijzer. De bak bestond uit een grijze cilinder op een smalle sokkel met daarin een felgele emmer. In stoere zwarte letters was de afkorting SR van Stadsreiniging aangebracht. De afvalbak kreeg wijdverbreide bekendheid dankzij prenten van kunstenares Fré Cohen die de functie van de afvalbak verduidelijkten.

Een nieuw leven
Het straatmeubilair was uitsluitend bedoeld om het gemak en om de hygiëne en veiligheid van de Amsterdammers te verbeteren. Het staat het symbool voor de modernisering van de stad aan het begin van de 20ste eeuw. Veel van de ontwerpen uit de jaren 1910-1930 worden nog steeds gebruikt, bijvoorbeeld elektriciteitskasten en urinoirs. Andere objecten, zoals brandmelders en girobussen, zijn door maatschappelijke veranderingen overbodig geraakt. En lantaarnpalen mogen nog steeds onmisbaar zijn, de Frontsoldaten van Marnette zijn lang geleden al vervangen door andere – meer eigentijdse – modellen.
Lange tijd verkeerde het straatmeubilair in de luwte van de belangstelling van (kunst)historici – met als uitzondering de publicatie Straatmeubilair Amsterdamse School 1911-1940 van Kasper van Ommen uit 1992. Inmiddels is de aandacht opgelaaid. Niet alleen door de permanente tentoonstelling in de tuin van Museum het Schip, maar ook door plannen van stadsdeel Westerpark om deze historische objecten weer in de straten terug te plaatsen. Zo krijgen deze utiliteitsvoorwerpen een nieuw leven als kunstobjecten.
Het stadsdeel knapt de Spaarndammerbuurt op en wil het oude straatmeubilair daar een prominente plek in geven. Stadsdeelstedenbouwkundige Piet Koster leidt met veel enthousiasme dit project: “Het is ontzettend boeiend dat architecten die gebouwen ontwierpen, zich ook betrokken voelden bij de objecten die op straat kwamen te staan naast die gebouwen.” De herplaatsing van het straatmeubilair zal in samenhang gebeuren met de op stapel staande ontwikkeling van de nabijgelegen Houthaven. Een van de te bouwen wijken krijgt de Amsterdamse School als thema. Door het straatmeubilair op strategische plekken in de Spaarndammerbuurt neer te zetten, ontstaat een route van de oude naar de moderne Amsterdamse School.