Nummer 3: Maart 2004

Een stad van aanmodderen

De onstilbare landhonger van Amsterdam

Tekst: Liesbeth van der Horst

032004_PolderOoit was het IJ zout, de Zuiderzee woest en Amsterdam een piepkleine handelsnederzetting temidden van grote watervlaktes. Tegelijk met het tegenhouden van het water werden voortdurend nieuwe stukken land ingepolderd en opgehoogd. IJburg is dus eigenlijk niks nieuws. Amsterdam was altijd al een stad van aanmodderen en aanplempen.

Soms zijn namen losgezongen van hun betekenis. Bij de Zeedijk denkt iedereen aan drugs en overlast – of aan een leuke winkelstraat die Hartjesdag viert. Maar deze straat wás ooit een zeedijk die in noodgevallen het onstuimige water van IJ en Zuiderzee moest keren. In het centrum van de stad zijn nog talrijke overblijfselen van oude dijken, sluizen en dammen te vinden, bijvoorbeeld de Nieuwendijk, de Haarlemmerdijk, het Spui (ooit een sluis) en natuurlijk de Dam, de plek waar Amsterdam is ontstaan. Zonder waterbouwkunde geen stad: Amsterdam is een lappendeken van tientallen eilandjes en poldergebiedjes, gevormd op een drassige veenbodem die voortdurend verzakt. Beheersing van het waterpeil is dan ook van levensbelang.

Zeven eeuwen lang was de strijd tegen het water rondom Amsterdam een zaak van geven en nemen. Voortdurend werd nieuw land gewonnen, maar vaak ging ook weer land verloren. Bij dijkdoorbraken kwamen de Amsterdamse straten geregeld blank te staan. Niet voor niets staat het beeld van Hansje Brinker, het jongetje dat zijn vinger voor een gat in de dijk houdt, aan een oud stuk IJdijk bij Spaarndam, even ten westen van Amsterdam. Eigenlijk was het een vermetele plek om een stad te stichten. Temeer daar deze handelsstad geen goede verbinding naar de zee had en eeuwenlang een minstens zo taai gevecht tegen de verzanding van het IJ voerde. Modder alom, dus.

Dijken, sluizen en polders

Het gebied rondom Amsterdam raakte in de 9de eeuw bewoond. Toen was Holland één groot veenmoeras: drassig en ontoegankelijk. De eerste bewoners konden zich alleen vestigen op de oeverwallen van de rivieren. Om het veenland voor akkerbouw te ontginnen groeven ze vanaf de rivieroevers afwateringssloten. Daardoor ontstonden lange, smalle landbouwkavels: nog steeds een kenmerkend beeld in delen van Noord- en Zuid-Holland. De ontginningen waren op korte termijn succesvol, maar kenden op de langere duur een groot nadeel: door de ontwatering daalde de bodem. Veen is namelijk opgehoopt plantenmateriaal waarvan de afbraak door gebrek aan zuurstof is gestagneerd. Als door de afwatering weer zuurstof kan toetreden, komt ook de afbraak weer op gang.

Door de snelle bodemdaling konden de riviertjes het water steeds slechter afvoeren. Bij storm kwam de zee het land binnen via de zeegaten. En zo brachten de eerste ontginningen in Holland het water juist in volle glorie terug: door een reeks stormvloeden ontstonden tussen 800 en 1250 de Zuiderzee, het IJ en talloze Hollandse meren. De grootste binnenmeren kwamen in open verbinding te liggen met de Zuiderzee en vormden een ernstige bedreiging voor het overgebleven land.

Om zich tegen het oprukkende water te beschermen wierpen de bewoners dijken en dammen op. Die dammen bleken gunstige vestigingsplaatsen voor visserij- en handelsnederzettingen. Zo ontstond Amsterdam in de tweede helft van de 13de eeuw op een dam in de Amstel. Op de verzakte landbouwgrond was akkerbouw inmiddels onmogelijk geworden, men ging over op veeteelt. Om de landerijen te kunnen behouden werden ze omgeven met een heel stelsel van dijken en dijkjes. Ook Amsterdam zelf moest hard werken om droge voeten te houden. Op de plek van het huidige Noordzeekanaal lag het toenmalige IJ, een enorm binnenmeer dat een maximale breedte kende van zes kilometer en doorliep tot aan de zandgronden ten noorden van Haarlem. Het IJ stond in open verbinding met de Zuiderzee, toen nog een woeste zee met eb en vloed. De invloed van de getijden was tot in Amsterdam merkbaar. De Spaarndammerdijk uit de 13de eeuw was de eerste belangrijke stormvloedkering die bescherming bood tegen het IJ. Ook van cruciale betekenis voor de veiligheid was de Diemerzeedijk tussen Amsterdam en Muiden, die in de 14de eeuw tot stand kwam.

Toen de ingeklonken landbouwgronden rondom de stad eenmaal met dijken afdoende waren beschermd, bleek de afvoer van overtollig water een probleem geworden. Er werden daarom kanalen (weteringen) gegraven naar afwateringspunten, die vervolgens moesten worden voorzien van sluizen om te voorkomen dat het water terugstroomde. De oudste sluizen waren klepduikers: eenvoudige houten kokers in een dijk of dam, die bij een hoge buitenwaterstand met een terugslagklep automatisch werden afgesloten en bij een lage buitenwaterstand door de druk van het uitstromende water werden geopend.

Rond 1400 echter was het maaiveld onder zeeniveau gedaald, waardoor de natuurlijke afwatering niet meer voldeed. Holland dreigde opnieuw te verdwijnen in de zee. Maar er werd een oplossing gevonden. Rondom een laaggelegen stuk cultuurland werd een ringkade aangelegd. Vervolgens werd het land met behulp van windmolens drooggepompt: de polder. Nieuw gevormde polderbesturen en waterschappen gingen de waterstaat in de polders beheren.

Ondanks alle inspanningen bleven dijkdoorbraken en overstromingen aan de orde van de dag. Begin 16de eeuw sloten de drie grote meren tussen Leiden en Haarlem zich aaneen tot de Haarlemmermeer. Deze immense plas van 18.000 hectare vormde een reële bedreiging voor Amsterdam. Een ander probleem was de verzanding van de Amstel. Door de inpoldering van het achterland nam de aanvoer van Amstelwater af. Er moest worden gebaggerd en in de droge zomermaanden werd zout IJwater de stad ingelaten om de waterstand op peil te houden. Hierdoor was het grachtenwater niet langer drinkbaar. Het zo waterrijke Amsterdam moest drinkwater gaan importeren: met schuiten werd het aangevoerd, eerst uit de Haarlemmermeer, later uit de Vecht.

In het IJ was ook sprake van voortdurende aanslibbing. Dat was lastig voor de scheepvaart, maar bood ook nieuwe mogelijkheden voor de expanderende stad. Er werden kunstmatig eilanden ‘aangemodderd’. De eerste eilanden waren Marken, Uilenburg, Rapenburg en de omgeving van de Staalstraat. Bij de stadsuitbreiding van omstreeks 1600 kwamen ze binnen de nieuwe omwalling te liggen en de stenen van de oude stadsmuur werden daarna gebruikt om de sluizen te verbouwen tot schutsluizen, waardoor schepen konden worden toegelaten. Buiten de nieuwe stadsgrenzen werden begin 17de eeuw nieuwe kunstmatige eilanden aangelegd. Ook op die Westelijke Eilanden - Realeneiland, Bickerseiland en Prinseneiland – kwamen haventjes en scheepswerven. Maar de zich uitbreidende haven- en scheepsbouwactiviteiten bleven om nieuwe grond vragen. Vanaf 1657 werden de Oostelijke Eilanden aangelegd, Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, die in gebruik werden genomen door de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

De techniek van polderbemaling werd eerst alleen ingezet om laaggelegen, drassig land droog te houden. Toen de windmolens groter werden, stortte men zich op het droogmalen van hele waterpartijen. Rond een meer werd een ringvaart gegraven en een dijk aangelegd. Vervolgens werd met windmolens het water uit het meer gepompt. Deze droogmakerijen werden voorzien van afwateringssloten en verkaveld in agrarische bedrijfseenheden. De eerste succesvolle droogmakerij was de 6.500 hectare grote Zijpepolder (ten westen van Schagen in de kop van Noord-Holland) die werd drooggelegd in 1597. In de drie decennia daarna volgden de Beemster, Purmer, Wijde Wormer, Bijlmermeer, Broekermeer en Watergraafsmeer. In totaal werden in een halve eeuw tijd maar liefst 67 meren drooggelegd in Noord-Holland. Door de grotere bemalingscapaciteit van de verbeterde molens werden ook veel kleine poldertjes samengevoegd. Zo werd in 1637 de Ronde Hoep ten zuiden van Amsterdam gevormd – nu een geliefd fietsrondje.

Door de droogmakerijen kon de zee minder makkelijk de stad binnendringen, maar dat was niet eens het voornaamste doel. Rijke Amsterdammers investeerden vooral in nieuw land als beleggingsobject. Door de stormachtige bevolkingsgroei waren de grondprijzen hoog. De vele kapitaalkrachtige kooplieden hadden daardoor binnen de stad weinig investeringsmogelijkheden. De nieuwe polders boden kansen. De landwinningsprojecten waren zo groot dat de welgestelde ondernemers er compagnieën voor vormden, net als bij de overzeese handel. In sommige droogmakerijen, zoals de Beemster en de Watergraafsmeer, lieten de kooplieden statige buitenplaatsen bouwen.

Diepe veenplassen

In november 1675 braken bij hevige stormen de dijken langs IJ en Zuiderzee op verschillende plaatsen en kwam de stad blank te staan. Burgemeester Hudde nam het initiatief om aan de noordrand van de oude stad een hoogwaterkering aan te leggen op zeedijkhoogte: Haarlemmerdijk, Zeedijk, Hoogte Kadijk, Zeeburgerdijk. Hij was ook de man achter de bouw van de Hogesluis (1662, later herbouwd omdat hij te hoog was voor de tram) en de voor Carré gelegen Amstelsluizen (gebouwd in 1673 naar een ontwerp van Hudde). Deze Johannes Hudde (1628-1704) was een voortrekker op het gebied van de waterhuishouding. Enkele jaren later verbeterde hij de doorspoeling van het stadswater om de toenemende vervuiling tegen te gaan. Tweemaal per dag tijdens vloed werd vers IJwater via sluizen de stad ingelaten dat via een vaste route door de stad werd gedreven door telkens sluizen te openen. Uiteindelijk werd het weer op het IJ uitgemalen, via vier vuilwatermolens. De bewegingen van het IJwater in de stad werden nauwlettend in de gaten gehouden vanuit een ‘stadswaterkantoor’ op de Geldersekade (later is het kantoor verhuisd naar de Montelbaanstoren, waar het zich nu nog bevindt). Het waterpeil van de Amsterdamse grachten werd in 1684 vastgesteld op de gemiddelde zomerstand van het IJ: het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Op alle stadssluizen werd dit peil aangegeven op marmeren platen met een horizontale groef. In de 19de eeuw zou het NAP ijkpunt worden voor het waterbeheer in heel Nederland.

Ondanks Huddes inspanningen brak tijdens een storm in 1702 de zeedijk opnieuw en liep de Bijlmermeer weer onder water. Maar niet alleen stormen veroorzaakten landverlies. De belangrijkste oorzaak was inmiddels turfwinning. Om in de brandstofbehoefte van de toenemende stadsbevolking te voorzien, werd in de loop van de 16de eeuw de baggerbeugel voor uitdiepen van sloten en grachten ook gebruikt om veen uit het water te trekken. Daarna werd het veen op eilandjes, ‘legakkers’, uitgespreid en gedroogd waarna het tot turven werd gestoken. Ten zuiden van de stad ontstonden hierdoor veenplassen, zoals die er nu nog zijn bij Vinkeveen en Loosdrecht. Door wind en golfslag verdwenen de legakkers en breidden de plassen zich uit. Vanaf 1650 werd getracht deze veenplassen weer droog te malen, maar met windmolens was dat een moeizame aangelegenheid.

Pas de uitvinding van het stoomgemaal in de 19de eeuw maakte een einde aan een aantal terugkerende waterproblemen. Met behulp van het Cruquiusgemaal, het grootste stoomgemaal ooit ter wereld gebouwd, kon in 1852 de Haarlemmermeer worden drooggelegd. Op dit grootste meer van Nederland kon het nog altijd behoorlijk spoken: in 1836 kwam het water bij een storm tot aan de poorten van Amsterdam en Leiden. Dat gaf de doorslag om tot droogmalen over te gaan. Later konden ook vele diepe veenplassen, vooral rondom Amstelveen, worden drooggelegd. Door de aanleg van de Oranjesluizen in Amsterdam werd het IJ afgesloten en verdween in 1872 de invloed van de getijden in de stad. Vlak daarna werd de waterverversing verbeterd door de bouw van het stoomgemaal Zeeburg. Sindsdien is de stroomrichting van het grachtenwater niet langer oostgericht (met de ebstroom mee), maar kunstmatig westgericht, waarna het via het Noordzeekanaal naar de Noordzee stroomt.

Amstel omgekeerd

Tot het graven van het Noordzeekanaal, geopend in 1876, was besloten vanwege de ernstige verzandingen in het IJ en de Zuiderzee, waardoor zeeschepen Amsterdam niet meer konden bereiken via die route. De aanleg van het Noordhollandsch Kanaal zo’n vijftig jaar eerder bood onvoldoende soelaas, waarop werd besloten een doorsteek te maken naar de Noordzee bij Beverwijk. Daar was Holland op z’n smalst: slechts zes kilometer duinen hoefden te worden doorgraven – de bagger uit het kanaal werd weer gebruikt voor de aanleg van het eiland Zeeburg.

Tegelijk met de aanleg van het kanaal werd het IJ drooggemalen, waardoor aan weerskanten veel nieuw land ontstond. Ten zuiden van het kanaal verheffen de voormalige eilanden Ruigoord en Den Hoorn zich nog altijd in het landschap. Maar de landhonger van de stad was nog niet gestild. De stadsbestuurders dreven een omstreden project door: de aanleg van drie kunstmatige eilanden ten noorden van het stadscentrum in verzande delen van het IJ. Op het middelste werd het Centraal Station aangelegd, wat het einde betekende van het open gezicht op het IJ. Heftig verzet uit de burgerij mocht niet baten. Het zou tot in onze tijd duren voor de IJ-oevers een herkansing kregen en de stad zich weer toewendde naar het IJ.

De nieuwe toegangsroute via het Noordzeekanaal luidde een periode in van groei van de Amsterdamse haven. Het gemeentebestuur reageerde op beproefde wijze en plempte nieuwe eilanden aan: Java-eiland, KNSM-eiland, Sporenburg en Borneo. Nu is hier prestigieuze woningbouw verrezen, toen boden deze eilanden onderdak aan een wirwar van havenloodsen, kranen, werven en aanlegkades voor de stoomvaartschepen. De haven was nog altijd midden in de stad gelegen, de stad en het water waren ook in die zin nauw met elkaar verbonden.

Maar de haven is inmiddels westwaarts getrokken en aan de andere kant van de stad werd de veel bezongen Zuiderzee zijn woelige baren ontnomen. Na de grote stormvloed van 1916, waarbij op veel plaatsen de dijken doorbraken en Noord-Holland tussen Edam en Amsterdam grotendeels onder water liep, werd tot een rigoureuze maatregel besloten. De Afsluitdijk (gereedgekomen in 1932, met zijn dertig kilometer de langste zeedijk ter wereld) veranderde de zee in het IJsselmeer. Het water was getemd, Amsterdammers konden eindelijk rustig gaan slapen. Nieuwe inpolderingen stonden voor de deur.

De Amsterdamse geschiedenis van eeuwenlang strijd tegen het water, is dus evenzeer een verhaal van inpoldering en landwinning. De aanleg van IJburg, op zeven nieuwe eilanden in het IJ, is dus niets nieuws. Ook wordt nog altijd het waterpeil in de stad nauwlettend in de gaten gehouden. Er zijn 3000 peilfilters met dataloggers die de grondwaterstand permanent registreren en de gemalen automatisch aansturen. Geen Amsterdammer is zich daar nog van bewust. Alleen bij extreem hoog water of extreme droogte komt de waterhuishouding nog in het nieuws. In de zomer van 2003 werd het huzarenstukje uitgehaald om de waterrichting in de Amstel om te draaien. Zo kon zoet water uit het IJsselmeer via de Amstel naar de smachtende kasplantjes in het Groene Hart worden gepompt. Een ingrijpende operatie, waarvoor negen sluizen werden gesloten. De scheepvaart was daardoor maar beperkt mogelijke, maar toch: een rivier van tientallen meters breed in een handomdraai de verkeerde kant op laten stromen: onze voorouders zouden het met verbijstering hebben gadegeslagen.

L. van der Horst is conservator van het Verzetsmuseum en publiciste.