400 jaar Zuiderkerk Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 12, 2011    
6877   0   0   0   0   0

400 jaar Zuiderkerk

Protestantse kerk in joodse wijk


062011_ZuiderkerkDe Zuiderkerk was de eerste Amsterdamse kerk die voor de protestantse eredienst werd gebouwd. Als preekkanon Abraham Kuyper er om 10.00 uur zou preken, gingen mensen met een zakje boterhammen naar de vroegdienst van zeven uur, om verzekerd te zijn van toegang.



TEKST: Marius van Melle
(Ons Amsterdam juni 2011)

Op Pinksterzondag 22 mei 1611 werd de Zuiderkerk met een godsdienstoefening in gebruik genomen. Het was de eerste voor de protestantse eredienst gebouwde kerk in Amsterdam. Tot september 1929 deed de schepping van Hendrick de Keyser dienst als kerk, daarna heeft het gebouw meerdere andere functies gehad. Deze maand opent het Nationaal Historisch Museum hier zijn eerste tentoonstelling.

De bouw van de Zuiderkerk had nogal wat voeten in de aarde. De voorgeschiedenis van de bouw begint in januari 1601, toen de hervormde Kerkenraad besloot om met de stedelijke overheid in overleg te treden over de bouw van een nieuwe kerk. Door de snelle bevolkingstoename, niet in de laatste plaats door de komst van vele calvinistische Vlamingen, was er behoefte aan een nieuw gebedshuis. En was de glorieus verlopen Slag bij Nieuwpoort niet een goede aanleiding om in steen dank te zeggen aan de goedertierenheid Gods?
De stadsregering liep niet erg warm voor dit idee. Het duurde ruim een jaar voordat de Vroedschap besloot een commissie in te stellen om een geschikte plek voor een nieuwe kerk te zoeken. De behoefte aan kerkruimte moest voorlopig maar bevredigd worden met de Olofskapel (herdoopt in Oudezijds Kapel), nadat die gereed was gemaakt voor de protestantse eredienst. Aan de randen van het in 1595 bij de stad getrokken gebied bleek een mogelijke bouwplaats bij de toenmalige Haarlemmerpoort (ter hoogte van de huidige Herenmarkt) te krap, maar een onbebouwd terrein bij het begin van de Sint Antoniesdijk was wel geschikt. Wegens geldgebrek moest het plan voor kerkbouw maar uitgesteld worden, adviseerde de commissie.
De in dat jaar uitgebroken pestepidemie noopte de stad echter om kerkhoven te gaan inrichten. In de discussie daarover opperde een vroedschapslid de grond te kopen die de commissie had aangewezen voor kerkbouw, dan kon meteen een kerkhof aangelegd worden. En zo kwam het dat de vroedschap op 1 juni 1602 besloot om de onbebouwde erven achter de Nieuwe Hoogstraat aan te kopen omdat “voor dese tijt geen bequamer, gelegender en oncostelijcker plaetze” beschikbaar was. Eigenaar Court van Diepenbrouck die al eerder de grond had verkocht waarop de Zanddwarsstraat was aangelegd, werd uitgekocht, evenals Mette Hansdr. Kint, weduwe van Martin ten Bergh. Dezelfde maand nog vond de eerste begrafenis plaats op wat vanaf nu het Sint Janskerkhof heette. Onduidelijk is overigens hoe die naam opdook.

Te wereldse ramen
Weer een jaar later zat de stad omhoog met stenen van de afgebroken stadsmuur en besloot de vroedschap om alvast met de fundering van het nieuwe godshuis te beginnen. Hendrick de Keyser had inmiddels ontwerpen gemaakt en daarvan werd “het seeckerste en oncostelijckste” uitgekozen. Maar na het heien, de plechtige eerste steenlegging door burgemeesterszoon Johan Bicker en de opslag van stenen, leidde geldgebrek tot uitstel. Pas drie jaar later, op 27 juni 1606, werd besloten om “de St. Janskerk” af te bouwen. Zonder strubbelingen kwam de kerk - die onder druk van de Kerkenraad inmiddels Zuiderkerk was gaan heten - nu in vijf jaar gereed. Alleen de toren was nog niet voltooid. Dat zou in 1614 gebeuren. Een grote klok uit 1511, de Salvator, verhuisde van de Oude Kerk naar de nieuwe toren, later aangevuld met andere luiklokken en een carillon van de gebroeders Hemony.
De driebeukige Zuiderkerk is gebouwd in Hollandse renaissancestijl. Het grondpatroon is vrij traditioneel, al ontbreekt het koor omdat niet het altaar maar de preekstoel centraal moest staan. De prachtig in het verlengde van de Groenburgwal gelegen sierlijke toren maakt de meeste indruk. In 1611 moeten de kleurrijke glas-in-loodramen de kerk extra cachet hebben gegeven. Ze waren een geschenk van verschillende gilden, en eentje kwam van de Admiraliteit. Helaas zijn ze in 1658 alweer verwijderd, officieel omdat de glazen de toch al ingebouwde kerk zo donker maakte. Waarschijnlijker is dat rechtzinnige gelovigen de ramen te werelds vond. Zij zagen bijvoorbeeld weinig stichtelijks in de afbeelding van de in 1607 gewonnen zeeslag bij Gibraltar, het raam dat de Admiraliteit had geschonken.
Wie de openingsdienst heeft gehouden is niet overgeleverd. Het zou ds. Petrus Plancius (Platvoet heette hij eigenlijk) geweest kunnen zijn, die als predikant bepaald niet tot de rekkelijken behoorde, maar anderzijds als zeevaartkundige en cartograaf over een ruime blik beschikte. Hij had zich zeer beijverd voor de totstandkoming van de Zuiderkerk en is in 1622 ook begraven op het aanpalende kerkhof, want begraven in de kerk vond hij onhygiënisch. Bouwmeester De Keyser liet zich wel in de kerk begraven; zijn zerk is er nog te zien.

Nieuw orgel met oude pijpen
Het kerkhof, dat aan de Sint Antoniesbreestraat een poortje kreeg met beeldhouwwerk van de (Engelse) schoonzoon en leerling van De Keyser, Nicholas Stone, is nog geen halve eeuw in gebruik geweest. De pestepidemieën in het midden van de 17de eeuw brachten het stadsbestuur ertoe om de kerkhoven naar de rand van de stad te verplaatsen. Later heeft men toch nog toegestaan dat er een familiegraf tegen de kerk aan werd gebouwd. Het is er nog: van de in 1683 overleden chirurgijn Isaac Hartman en zijn vrouw. Hij was een zoon van een vlootvoogd en dat zal geholpen hebben om permissie te krijgen om daar te worden begraven. Vlootvoogden hadden in de Republiek een streepje voor.
De opening van het Diaconieweeshuis in 1657 aan de Amstel (hoek Zwanenburgwal) maakte de eerste verbouwing van de Zuiderkerk nodig. Ten behoeve van de wezen werd (in 1660) een galerij gebouwd aan de zuidelijke gevel, dus aan de torenzijde. Bijna een eeuw later kwamen er nog twee galerijen bij aan de noordelijke gevel: een grote in de noordoostelijke hoek en een kleine aan de andere kant. Het geeft aan dat de kerk toen druk bezocht werd.
Maar de status van de Zuiderkerk lijkt toch minder te zijn geweest dan die van de Westerkerk (1631), de buurtkerk voor de westelijke binnenstad en de Jordaan. De oorzaak was waarschijnlijk dat in de oostelijke binnenstad rondom de Zuiderkerk bovengemiddeld veel Joden woonden. Het allerdeftigst was natuurlijk de Nieuwe Kerk op de Dam. Daar vonden dan ook bij voorkeur de bevestigingen van nieuwe predikanten en ambtsjubilea plaats. Opvallend is dat eeuwenlang voor de Zuiderkerk een orgel niet nodig werd gevonden.
Dat kwam er pas in 1823. De aanleiding was een legaat van een trouwe kerkgangster van ƒ 7000,-. Bedelpartijen brachten nog eens zo’n bedrag op. Joh. C. Friederich bouwde het instrument in drie jaar tijd met pijpen van het kleine orgel in de Oude Kerk. Sneller kon niet, omdat hij dan gevaar zou lopen “van naderhand als geen eerlijk man gehandelt te hebben, en het orgel moet dan den tol betalen.” Hij kreeg er ƒ 5700,- voor. Stadstimmerman G. Dresselhuys maakte het door stadsarchitect Jan de Greef ontworpen fronton; van de andere uitvoerders ontving het meest (ƒ 3300,-). Het nieuwe orgel had een prachtige klank, vond Daniël Brachthuyzer, de organist van de Nieuwe Kerk. Het werd geplaatst aan de noordgevel, naast de grote hoekgalerij. Op de kleine galerij kwam het windapparaat, waar de orgeltrapper moest gaan stampen.

Weesmeisjes en weesjongens
Er werden in de 19de eeuw drie zondagsdiensten gehouden: in de winter om tien uur, twee uur en zes uur en in de zomer om zeven uur, tien uur en twee uur. De ochtenddiensten waren populair, want dan had je de hele zondag nog vóór je. Koning Willem I bezocht bijvoorbeeld in 1826 zo’n vroegdienst en kon zo op tijd voor de lunch weer op het Loo zijn. Later was de Zuiderkerk de enige kerk waar vroegdiensten werd gehouden. Stond een preekkanon als ds. Abraham Kuyper om tien uur ingeroosterd, dan waren er mensen die met een zakje boterhammen naar de vroegdienst gingen en dan ‘overbleven’ om verzekerd te zijn van toegang. Of ze dan konden zitten was nog maar de vraag: stoelen en banken waren verhuurd en slechts kort voor aanvang van de dienst vond er na het luiden van een bel een stoelendans plaats om de niet-bezette stoelen in te nemen. Pas in 1914 is dat stoelengeld afgeschaft.
Bomvol was het ook bij de jaarlijkse diploma-uitreiking van de diaconiescholen en de wezenschool. De ouders kwamen voor hun kinderen, de rest voor de uitvoering van kinderkoren, die dan op ontroerende wijze zeer stichtelijke liederen zongen. De wezen woonden vanaf de stichting van het Diaconieweeshuis de zondagochtenddienst bij, behalve tussen 1867 en 1883. Voor hen werd toen een aparte dienst gehouden, “de wezenbeurt”, voorafgaand aan de normale ochtenddienst. Eerst in de Oude Kerk, maar al snel weer in de Zuiderkerk.
Maar in 1883 waren ze er weer, de meisjes onder het orgel, de jongens op de galerij aan de overzijde. En op de hoekgalerij boven de meisjes zaten de jongens van de Kweekschool van de Zeevaart. Toen de kerk in 1929 gesloten werd, haalde iemand in Het Vaderland herinneringen op. “Daar zaten zij, zestig in getal, tegenover de preekstoel. (...) En mochten ze al niet zoveel aandacht hebben voor de preek als voor de weesmeisjes beneden, zingen deden ze volmondig, als een overmoedig mannenkoor.”

Corifeeën van de kansel
Er was verplichte kerkgang voor de kwekelingen; voor zover ze hervormd waren moesten ze naar de Zuiderkerk. Dat gold ook voor de matrozen van het opleidingsschip Admiraal van Wassenaer, die eerder naar de Oude Kerk gingen, maar van hun commandant moesten overstappen naar de Zuider toen ds. L.C. Schuller tot Peursum er begon met jeugddiensten. Hij was ook geestelijk verzorger in het Burgerweeshuis, dus de wezen daar kwamen nu ook naar de Zuider. De matrozen verdwenen weer toen het instructieschip in 1904 naar Hellevoetsluis werd verplaatst. Met deze uit de wezenbeurten voortgekomen jeugddiensten onderscheidde de Zuiderkerk zich.
Niet tot ieders genoegen overigens. Kerkmeester G.D. Bom schreef in zijn geschiedschrijving van de kerk bij het 300-jarig bestaan in 1911: “In den laatsten tijd is de dienst in de Zuiderkerk bedenkelijk bekort; hetgeen te zwaarder drukt, sedert de instelling van de jongelieden-beurt, waardoor de belangrijkste, de voormiddag-Godsdienstoefening feitelijk is vervormd, hetgeen vele leden der Gemeente zeer terecht ernstig betreuren.” Bom behoorde tot de orthodoxen die niet meegegaan waren met de kerkscheuring van 1886, maar wel op hetzelfde spoor zaten als de aanvoerder van die scheuring ds. Kuyper.
De Kuyperanen – al snel georganiseerd in een zelfstandig kerkgenootschap (de Gereformeerde Kerken in Nederland) – bleven nu weg uit de Zuiderkerk. Die liep nog wel vol als corifeeën van de kansel er in een dienst voorgingen. Ds. E. Laurillard was zo’n publiekstrekker, ook omdat hij spontaan kon overgaan op rijmvorm. De orthodoxe leiding van het Weeshuis vond hem echter te modern: de wezen mochten niet bij hem kerken. Ds. M. Göpner kreeg de kerk ook vol, want hij preekte met Amsterdamse tongval. Andere publiekstrekkers waren ds. Fr. Daubanton en ds. J.J. van Noort, die geestig uit de hoek kon komen en voor vuurwerk zorgde. De laatste was “als kanselredenaar geliefd, joviaal, maar wel wat te ondeftig”, schreef de NRC bij zijn overlijden in 1920.

Nieuwe bestemmingen
Maar een volle kerk werd steeds meer een uitzondering. Ontkerkelijking, de cityvorming waardoor de binnenstad minder dicht bevolkt raakte en de gevolgen van de kerkscheuring: alles greep in elkaar. Op 12 september 1929 vond de laatste kerkdienst plaats in de Zuiderkerk (een trouwdienst). Van de inventaris mocht ds. A.H. de Hartog voor ƒ 15,- drie fauteuils uit de kerkeraadskamer overnemen. De rest werd onder andere kerken verdeeld. En in 1940 verhuisde het orgel, dat in 1891 nog was gerestaureerd, naar de Gereformeerde Oosterkerk van Aalten.
Even is nog sprake van geweest dat er een architectuurmuseum in de kerk zou komen, waarvoor de Vereniging Hendrick de Keyser en de Bond van Nederlandse Architecten zich sterk maakten. De financiering bleek het struikelblok. Daarna werd de kerk gebruikt als opslagplaats van het Nederlands Bijbelgenootschap. En in de Hongerwinter zelfs als mortuarium, toen de begraafplaatsen het aantal overledenen in deze laatste fase van de oorlog niet aankonden.
Een Comité tot Redding van de Zuiderkerk organiseerde er in 1950 een concert en ging in onderhandeling met de gemeente om een bestemming voor het gebouw te vinden. Dat leidde een jaar later tot een tentoonstelling over de stadsuitbreiding. Een nieuwe bestemming die navolging zou krijgen. In 1968 kocht de stad de kerk voor een half miljoen gulden. Dat maakte de weg vrij voor een restauratie in de jaren zeventig, onder leiding van architect D. Verheul. Er kwam nu een permanente expositie over de stadsvernieuwing. Sinds 1 januari heeft het Nationaal Historisch Museum, dat zijn plande vestiging in Arnhem wegbezuinigd zag worden, er zijn tenten opgeslagen. Vanaf 20 mei geeft dit museum in oprichting zijn visitekaartje af met een tentoonstelling over de Nederlandse geschiedenis – en de Zuiderkerk kreeg een plaatsje in de NHM-Canon.

Drs. M.A. van Melle is historicus en publicist.

Powered by JReviews