Het klankbord Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 25, 2011    
4643   0   0   0   0   0

Dossiers

Amsterdamse burgemeestersvrouwen

11122006_VrouwBurgemeestersvrouw: ruim een eeuw lang was dat bijna een beroepsaanduiding. Zij vergezelde haar echtgenoot, knipte linten, feliciteerde honderdjarigen en steunde liefdadige verenigingen. Maar de laatste twintig jaar heeft de functie haar vanzelfsprekendheid verloren.

Dat een burgemeester een echtgenote had, sprak eeuwenlang voor zich, zeker tussen 1400 en 1795 toen de burgemeesters door hun standgenoten gekozen werden. Familiebanden speelden daarin een grote rol en een huwelijk leidde tot weer nieuwe bruikbare familiecontacten. Ook vanaf 1813, toen de koning burgemeesters ging benoemen, bleef de familieachtergrond van kandidaten een factor. Tussen 1850 en 1868 gebeurde het driemaal dat een aantredende burgemeester de schoonzoon was van een voorganger, dus dat de nieuwe burgervader zijn baantje minstens deels aan zijn vrouw te danken had.
Maar die echtgenotes bleven lang onzichtbaar voor het volk. Ja, je kon op zondag mevrouw naast haar man ter kerke zien gaan, maar voor het overige hield zij zich schuil in de burgemeesterswoning. Wel speelde de vrouw van burgemeester Messchert van Vollenhoven indirect een rol in de stadsgeschiedenis: haar echtgenoot trad terug als burgemeester omdat zij aan een ernstige ziekte leed.
Pas tegen het eind van de 19de eeuw kwamen de burgemeestersvrouwen echt in beeld. Gijs van Tienhoven, zoon van een Brabantse aannemer, kwam in de Amsterdamse elite door zijn huwelijk met Anna Maria Hacke. Haar overgrootvader was burgemeester Elias, haar vader Jan Conrad Hacke, een bekend Dante-vertaler. Via de Hackes kwam Van Tienhoven in de culturele beau monde terecht. In hun huis op de Keizersgracht ontving het echtpaar architecten, schilders en literatoren van naam. Op die informele culturele avondjes droeg Anna “met haar melodieuze stem” (aldus architect Cuypers) graag gedichten voor. Hecht bevriend waren de Van Tienhovens met de romanschrijfster Truitje Bosboom-Toussaint en haar schilderende man Johannes. Het gerucht ging dat voor de hoofdpersoon van haar novelle Majoor Frans (1874), over een zeer onafhankelijke vrouw, Anna van Tienhoven model had gestaan.

Briefhoofd-banen
Anna den Tex was in 1873 de eerste burgemeestersvrouw die het verzoek kreeg haar naam te verbinden aan een maatschappelijke organisatie. Zij werd ere-presidente van de Amsterdamse afdeling van Arbeid Adelt, een vrouwenvereniging die door de verkoop van handwerken vrouwen uit de betere kringen aan een inkomen wilde helpen. Deze erebaan ging over op vele volgende burgemeestersvrouwen, maar met het oog op de gewenste onpartijdigheid werden zij op den duur ook steevast ere-presidente van de Amsterdamse afdeling van Tesselschade, dat zich van Arbeid Adelt had afgesplitst.
Cornelia Vening Meinesz-den Tex werd bovendien rond de eeuwwisseling ere-presidente van de Vereeniging voor Kindervoeding Amsterdam. Haar opvolgster baronesse A.A. Röell-de Voss van Steenwijk nam er de Vereeniging ter Behartiging van de Belangen van Jonge Meisjes bij en zo ging het maar door. Persoonlijke overtuigingen speelden natuurlijk ook een rol. Zo werd Colina de Vlugt-Fentrop (40 jaar lang in functie!) ere-presidente van de Vereeniging Gereformeerde Wijkverpleging, terwijl oud-sociaal werkster mr. Annie d’Ailly-Fritz vice-voorzitter werd van het Tehuis voor Werkende Meisjes op de Stadionkade.
Het bleef niet bij ‘briefhoofd-banen’. De dames namen steeds meer representatieve taken over van hun man, vooral in de maatschappelijke en culturele sector. Ze openden congressen en jubileumfeesten, bezochten tehuizen en feliciteerden gouden echtparen en honderdjarigen. Alide van Leeuwen-Waller was tussen 1901 en 1910 niet alleen de secretaresse van haar echtgenoot, maar leidde ook in 1909 een comité dat de hoogzwangere koningin Wilhelmina “namens de Amsterdamse vrouwen” een wieg wilde aanbieden, te ontwerpen door toparchitect K.P.C. de Bazel. In 1938 was Colina de Vlugt de voortrekker van het comité Oranjevreugd, dat de geboorte van prinses Beatrix luister bijzette door het uitdelen van babyuitzetten aan in diezelfde maand geboren baby’s in armeluisgezinnen. In de Tweede Wereldoorlog leidde Alida Tellegen het comité dat overal in de stad tijdelijke gaarkeukens oprichtte.
Annie d’Ailly verruilde dan wel met grote tegenzin het echtelijke huis in Zuid voor de ambtswoning op de Herengracht, maar al op de septemberdag in 1946 dat haar man geïnstalleerd werd, kocht zij haar eerste kinderpostzegels en zette sindsdien (ten koste van haar eigen loopbaan) haar beste beentje voor. Des te zuurder was het dat haar populaire man Arnold d’Ailly meteen op de dag van zijn aftreden in december 1956 introk bij de kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht, met wie hij sinds 1951 een verhouding had.

Voorrang aan eigen carrière
Haar opvolgsters Emmy van Hall-Nijhoff en Olga (‘Bum’) Samkalden-Meijers speelden hun rol trouw, maar wel wat vormelijk. Net zo voegde de veel toegankelijker Jo Polak-van ’t Kruys zich naar de gangbare verwachtingen van een burgemeestersvrouw. “Ik vond dat de gewoonste zaak van de wereld en ik vond het ook heel leuk werk. Mevrouw Van Hall had me ingewijd in het vak.” Maar ze liet zich niet alles aanleunen. “Als ik bij een organisatie echt iets kon doen dan wilde ik dat wel, maar ik wilde niet alleen als beschermvrouwe in het briefhoofd staan. Zo heb ik een heleboel voorzitterschappen afgewezen, maar ik hield er nog genoeg over.”
Toch manifesteerden burgemeestersvrouwen zich steeds vaker ook los van die rol. Emmy van Hall-Nijhoff was destijds Nederlands bekendste grafologe, gespecialiseerd in de ontleding van het handschrift van historische helden als Willem van Oranje en Vincent van Gogh. Maar voor haar man maakte ze ook grafologische karakteranalyses van aankomende raadsleden, zoals in 1962 van Ed van Thijn. Haar oordeel was niet mals: gezien zijn ‘zwevende’ handschrift kon die nooit een goed bestuurder worden. Jo Polak, net als haar man historisch geïnteresseerd, schreef een boekje over het Paleis voor Volksvlijt.
Deze echtgenotes combineerden hun eigen activiteiten nog blijmoedig met hun ondersteunende rol. Dat gold niet voor PvdA-Kamerlid Eveline Herfkens, die vlak voor diens installatie als burgemeester in 1983 trouwde met fractiegenoot Ed van Thijn. Zij gaf bij voorbaat aan voorrang te zullen geven aan haar eigen politieke carrière. De commissaris van de koningin vond dat een ernstig bezwaar, want volgens hem kon een burgemeester moeilijk zonder ‘klankbord’. Nadat Herfkens in 1990 een baan had gekregen bij de Wereldbank in Washington, werd het huwelijk ontbonden. Twee jaar later trouwde Van Thijn met Odette Taminiau van de stadhuisafdeling Externe Betrekkingen. Nog precies een jaar was die (met plezier) burgemeestersvrouw.
Maar intussen was wel aangetoond dat een burgemeester ook best zonder partner kon functioneren. Dat gaf meer vrijheid aan Elisabeth Patijn-Stroink. Zij vergezelde veelvuldig haar echtgenoot, maar wist tijd over te houden voor haar eigen werk voor de Alzheimer- en Hartstichting. De huidige burgemeester, Job Cohen, neemt zijn vrouw ook mee naar vele evenementen, maar door haar chronische ziekte is een actievere functie dan klankbord grotendeels uitgesloten. Wat de rol wordt van de partner van Cohens opvolger is al met al geen uitgemaakte zaak. Misschien wordt dat wel een burgemeestersman.

Tekst: Peter-Paul de Baar
November-December 2006

Powered by JReviews