Ondernemer Jan Philip Korthals Altes Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 14, 2010    
5312   0   0   0   0   0

Stichter van graanburcht aan het IJ

062008_GraanHet gebouw is bekender dan de man. De Graansilo Korthals Altes is een van de karakteristiekste oude gebouwen aan de IJ-oevers. Krakers wisten rond 1990 de bijna 100-jarige kolos voor sloop te behoeden. Wie was de ondernemer die deze silo liet bouwen? En waarom heeft het gebouw zo’n burchtachtig uiterlijk?
‘Moedernegotie’ werd de handel op het Oostzeegebied in vooral graan genoemd. Amsterdam dankte er een aanzienlijk deel van zijn welvaart in de Gouden Eeuw aan. De stad was in die periode de graanschuur van de wereld. Vanaf de 18de eeuw ging die positie verloren, maar heden ten dage is Amsterdam weer de grootste graanimporteur van Europa. Met die wederopstanding heeft de silo aan het IJ alles van doen.
‘Graanfactor’ was het beroep van Jan Philip Korthals Altes, toen hij in 1895 het startsein gaf voor de bouw van de silo op de Westerdoksdijk. Het beroep bestaat niet meer. In de haven hielden de veembedrijven, zoals het Blauwhoedenveem en het Groenhoedenveem, zich bezig met opslag en doorvoer van goederen. De graanfactors coördineerden als hun vertegenwoordigers de gang van zaken tijdens het lossen en wegen van het graan. Ze stonden borg voor een correcte weging en waren verantwoordelijk voor het nemen van monsters om de kwaliteit te controleren. Ook regelden ze een zo vlot mogelijke overslag van het graan van zeeschip naar binnenschepen. Het was een lucratieve functie, gezien de rijkdom die Jan Philip Korthals Altes ermee verwierf.

Grondspeculatie
Bij zijn geboorte in 1827 in Amsterdam droeg Jan Philip alleen de achternaam Altes. Zijn vader was een Duitse immigrant, Johann Philip Altes. Zijn moeder, Antonia Korthals, stamde uit een familie die al eeuwenlang in de graanhandel zat. Haar broers Willem en Evert namen het familiebedrijf van hun vader Willem Evertsz Korthals over. Ook echtgenoot Johann Philip ging bij de onderneming werken, nadat hij eerst als Duits soldaat had meegevochten in de slag bij Waterloo.
Op zijn zestiende trad de ambitieuze Jan Philip, de oudste van de zeven kinderen, in dienst bij het familiebedrijf. Al heel snel – hij was pas 23 – werd aan hem de dagelijkse leiding toevertrouwd. Tien jaar later kreeg hij de kans het gehele graanoverslagbedrijf van de familie Korthals voor eigen rekening te gaan exploiteren. Een voorwaarde daarvoor was de blijvende verbintenis van de naam Korthals aan het bedrijf. Dit leidde in 1861 tot het invoegen van de naam Korthals in die van de familie Altes.
Het ging de jonge ondernemer voor de wind, in meerdere opzichten. In 1855 was hij getrouwd met Maria ter Haar, met wie hij negen kinderen kreeg. Verschillende zonen (en later kleinzonen) gingen na een handelsopleiding te hebben gevolgd meedraaien in het familiebedrijf. Korthals Altes verwierf steeds meer pakhuizen in Amsterdam en in de Zaanstreek, zodat zijn firma een aanzienlijk aandeel kreeg in de lokale graanmarkt en zijn vermogenspositie groeide. Hij had ook visionaire – en achteraf gezien opvallend trefzekere – inzichten over de ontwikkeling van het havengebied. Volgens hem zou de noordoever van het IJ belangrijk gaan worden. Hierop speculerend kocht hij daar vanaf 1870, toen Noord nog nauwelijks bebouwing kende, aanzienlijke stukken grond. Ook maakte hij zich sterk voor de bouw van een brug over het IJ, ter hoogte van het huidige Centraal Station. Bijna een eeuw later – in 1963 – zei een kleinzoon van Jan Philip met enige ironie tot de verzamelde nazaten: “Jullie zouden allemaal veel welvarender, en veel ongelukkiger, zijn geweest als hij die gronden had behouden.”

Graanschepen in Damrak
De brug over het IJ is er niet gekomen. Noch heeft hij zijn zin gekregen bij de bouw van het Centraal Station, waarvan de plaatsing aan de kop van het Damrak hem een doorn in het oog was. Korthals Altes had daar zijn kantoor en woonhuis. Graanschepen meerden aan langs het Damrak om monsters aan te leveren voor keuring, alvorens de lading kon worden doorverscheept naar de pakhuizen. De open verbinding met het IJ was dus in zijn eigen zakelijke verkeer een belangrijke factor. In 1881 startte echter de bouw van het station en was het gedaan met het open havenfront. Twee jaar later werd het Damrak gedeeltelijk gedempt. Deze strijd had Korthals Altes verloren – maar hij zou zich revancheren.
Ondertussen had de graanfactor een stap gezet die klassiek was voor een lid van de Amsterdamse gegoede klasse: hij liet architect A.L. van Gendt in 1874 een buitenverblijf bouwen aan de Stationsweg in Baarn, villa Casa Cara geheten. Het dorp was net aangesloten op de moderne wereld door de aanleg van de Oosterspoorlijn, waarna hier een reeks van villa’s voor Amsterdamse notabelen verrees, merendeels door Van Gendt ontworpen die zelf ook een deel van het jaar in Baarn woonde.
Rond deze zelfde tijd kwam de Amsterdamse economie in een stroomversnelling na de opening van het Noordzeekanaal. Opnieuw werd Amsterdam een centrum van de handel in tropische producten, maar het inhalen of zelfs maar bijbenen van de Rotterdamse haven was niet langer haalbaar. Ook in de graanhandel waren de hoofdstedelijke entrepreneurs op achterstand gezet door hun collega’s uit de Maasstad. Om paal en perk te stellen aan de Rotterdamse opmars besloot Korthals Altes tot een gewaagde investering: van 1895 tot 1897 liet hij een reusachtige silo bouwen op een speciaal aangelegde strekdam in het IJ in het verlengde van de Westerdoksdijk. De investeringskosten bedroegen ruim f 800.000. Hij financierde dit hoofdzakelijk uit eigen middelen.

Onderdeel van de Stelling
De nieuwe silo was tienmaal groter dan het gemiddelde pakhuis in de stad. Met deze briljante zet voorzag Korthals Altes gelijktijdig in een uitweg uit twee nijpende kwesties. Door de ligging aan het IJ kende de silo een optimale bereikbaarheid voor het laden en lossen van schepen; deze konden zelfs aan twee kanten aanleggen langs de dam. Bovendien kon men in het nieuwe pand inspelen op de mechanisatie van de graanoverslag, die juist in deze tijd internationaal in een stroomversnelling kwam (met elevatoren die het graan opzogen uit het ruim van het schip en met transportbanden). Om de nieuwste technieken en processen van schaalvergroting te leren kennen reisde de graanondernemer zelfs door de Verenigde Staten.
Eigenlijk loste Korthals Altes nog een derde probleem op, al werkt dat een beetje op onze lachspieren. Het idee voor een reusachtige graansilo in Amsterdam was in 1888 al eens geopperd door de architect J.F. Klinkhamer, als onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Als de stadsbevolking omringd zou zijn door onder water gezette weilanden, met daarachter de vijandelijke belegeraar, moest er natuurlijk wel voldoende voedsel zijn. Korthals Altes had als graanhandelaar zitting in een rijkscommissie die zich over dit provianderingsvraagstuk boog. Het is niet ondenkbaar dat deze handige ondernemer een deel van zijn investeringskosten ten laste van het rijk heeft weten te brengen door de bestempeling van zijn silo tot noodvoorziening in tijden van oorlog. Het gebouw is inderdaad ontworpen door Klinkhamer (met assistentie van A.L. van Gendt) die de silo – geheel in stijl met de Stelling – het aanzien van een middeleeuwse burcht heeft meegegeven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de silo kortstondig voor het bunkeren van graan gebruikt, maar toen zag iedereen het anachronistische in van deze wijze van oorlogsvoorbereiding.

Haven westwaarts
Vanaf 1888 tot zijn dood in 1904 was Korthals Altes lid van de gemeenteraad, zodat hij de voorbereiding van de silo kon combineren met deelname aan de politieke besluitvorming over de toekomst van de haven. Hij was een uitgesproken voorstander van een krachtige expansie, waarvoor zelfs de ongerepte Veluwe het moest ontgelden: dwars door de zandverstuivingen tekende hij een kanaal naar het Duitse achterland (niet veel later legde men voor dit doel, maar langs een omslachtiger tracé, het Merwedekanaal aan).
Volgens een necrologie in het Stadsnieuws had hij beter eerder geboren kunnen worden, dan was de Amsterdamse haven een hoop leed bespaard gebleven. “Had hij een dertig jaar vroeger stem in het kapittel gehad, hij zou zeker met kracht zijn opgekomen tegen de groote misslagen, die bij het vaststellen der plannen werden begaan door den bouw van bruggen over het nieuwe Noordzeekanaal en het afsluiten van onze zoo gunstig gelegen dokken door den gordel van spoordijken en, wat misschien het ergste is: door den bouw der voornaamste havenwerken ten Oosten der stad en niet ten Westen naar zee, waar hun plaats zou zijn geweest.”
In 1891, inmiddels drie jaar raadslid, schreef Korthals Altes hierover een nota aan B&W. Hij reageerde op de voorkeur van de gemeente voor de havenontwikkeling in oostelijke richting. Een nieuw Entrepot zou daar moeten komen, aan de Cruquiusweg, met de gigantische pakhuizen Maandag tot en met Vrijdag. Nee, schreef Korthals Altes, dit moet in het westelijk havengebied gebeuren, omdat men dan “veel langer [zal] kunnen voldoen aan een der eerste vereischten welke aan iedere Handelsinrichting behooren gesteld te worden, namelijk dat zij voor de handelaars en hunne vertegenwoordigers of bedienden gemakkelijk te bereiken is.” Het Entrepot kwam toch in het oostelijk havengebied. De graansilo echter staat pal naar het westen gekeerd, trots en met overtuiging. Zo was de silo ook een statement in de actualiteit van de gemeentepolitiek, alwaar men pas decennia later het gelijk van Korthals Altes zou erkennen.

Kraakpand
Dynamisch bleef Korthals Altes tot zijn laatste snik. Nog op zijn 73ste, na enkele jaren weduwnaar te zijn geweest, hertrouwde hij met de tweelingzus van zijn overleden vrouw, Mette Johanna ter Haar. Drie jaar later overleed hij, in november 1904. Het familiebedrijf fuseerde in 1918 met een aantal andere graanmaatschappijen tot de SEGMIJ (NV Nederlandsche Silo-, Elevator- en Graanfactor Maatschappij). Dit bedrijf werd nog tot de Tweede Wereldoorlog mede door nazaten van Jan Philip bestuurd.
In 1952 werd de bakstenen silo Korthals Altes uitgebreid met een betonnen graansilo, gebouwd in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar dit keer gokte men mis met de gekozen plek. Om de schepen van steeds grotere tonnages te kunnen opvangen liet het Amerikaanse graanhandelsbedrijf Cargill in 1960 een geheel nieuw silocomplex in de Vlothaven bouwen. Deze vestiging bleek zo’n succes dat Amsterdam haar koppositie op het gebied van de graanhandel terugveroverde op de Rotterdamse concurrenten. Het doel dat Jan Philip Korthals Altes zich met zijn silo had gesteld, ging alsnog in vervulling – maar dan nog verder westwaarts.
De beide graansilo’s aan de Westerdoksdijk verloren de slag en werden in 1987 buiten gebruik gesteld. Sloop dreigde, waarop ze twee jaar later werden gekraakt. Ze ontwikkelden zich tot opvallende woonwerkcultuurpanden, waar tal van feesten en manifestaties werden gehouden. De stenen silo kreeg de status van rijksmonument. Jarenlang gesteggel over de toekomst van de panden volgde. Uiteindelijk bouwde architect André van Stigt de beide silo’s in de periode 1997-2000 om tot woningen, ateliers en bedrijfsruimtes. Zo is de graansilo Korthals Altes nog immer als een trotse burcht aanwezig aan de oever van het IJ.

Tekst: Theo E. Korthals Altes en Hansje Galesloot
Juni 2008

Powered by JReviews