Architect Jan Wils Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 09, 2010    
4598   0   0   0   0   0

Eenvoudig en strak

Jan Wils is in de eerste plaats een Haagse architect. Met zijn Olympisch Stadion en City Theater liet hij ook in Amsterdam zijn sporen na.
In de jaren twintig van de vorige eeuw hoorde Jan Wils bij de belangrijkste architecten van Nederland. Hij hield zich ergens op tussen Berlage en De Stijl. Maar vooral was hij in Nederland de pleitbezorger van Frank Lloyd Wright. Ook Wils zag het gebouw als een ‘machine’, waarvan ieder onderdeel essentieel en onmisbaar is. Zo vurig propageerde hij de visie van de grote Amerikaan dat zijn collega’s hem gekscherend ‘Frank Lloyd Wils’ noemden.
Jan Wils werd geboren op 22 februari 1891 in Alkmaar, als zoon van een aannemer. Zijn vader bracht hem al vroeg belangstelling voor architectuur bij. Als 17-jarige ontwierp hij al de gevel van een apotheek. Een formele opleiding in de bouwkunde had hij niet. Na zijn hbs-examen in 1910 bekwaamde hij zich in de praktijk. Hij zocht de zelfstandigheid en trad als volontair in dienst bij Gemeentewerken in Alkmaar. In Amsterdam spijkerde hij in de avonduren zijn theoretische ondergrond bij. Zijn eerste grotere opdracht was een garage in Alkmaar.
In 1913 verhuisde Wils naar Den Haag. Hij werkte er als tekenaar voor art-nouveau-aanhanger Johan Mutters, en later voor Berlage. In zijn vrije tijd nam hij deel aan prijsvragen. Voor een waterkantoor kreeg hij de tweede prijs. Zo kwam hij in aanraking met jurylid Willem Kromhout (1864-1940), die in 1902 Hotel American had gebouwd. Met hem, “geen diep denker maar een zuiver gevoelsmens”, zou Wils zijn leven lang bevriend blijven. Wils zou in het kielzog van Kromhout en vele anderen uit De Stijl de spirituele en mystieke vrijmetselarij als richtsnoer kiezen.
In 1914 trouwde Jan Wils met Gepke van der Veen, apothekersassistente uit Alkmaar. Langzamerhand kwamen ook de eerste echte opdrachten binnen: woonhuizen en ateliers voor bevriende kunstenaars, een aantal lagere scholen. Vanaf 1916 had Jan Wils zijn eigen architectenbureau. Zijn beste werk maakte hij in deze beginjaren. Hoogtepunt in zijn oeuvre is het middenstandswoningencomplex de Papaverhof (1921) in Den Haag, tegenwoordig een van de 100 belangrijkste Rijksmonumenten.
Kantoor en café
In 1926 ontwierp Wils voor het eerst voor Amsterdam. Samen met Frans Lourijsen tekende hij een café-restaurant met vijf kantoorverdiepingen voor het Spui, flink boven de belendende bebouwing uitstekend. Met zijn toenmalige medewerker Cor van Eesteren maakte hij een tweede versie. Geen van beide ontwerpen werd uitgevoerd, omdat er zeven panden voor zouden moeten worden gesloopt. Hetzelfde lot trof een zeven verdiepingen tellend gebouw voor een sanitair-technisch bureau op de hoek van het Koningsplein en de Regulierdwarsstraat.
Maar Wils’ belangrijkste werkterrein was toch Den Haag. Hij werd zelfs beschouwd als de voorman van de Nieuwe Haagse School. In Den Haag en omgeving staan nog vele woningen en flats van Wils. In de jaren dertig werd hij pleitbezorger van de tuinstad. Ook daarvan staan de meeste voorbeelden in Den Haag, maar ook het saaie, op Amsterdamse forenzen gerichte woningbouwcomplex Keizer Karelpark in Amstelveen uit 1937 is van Jan Wils.
In 1923 nam het Internationaal Olympisch Comité in Rome de beslissing dat de negende moderne Olympische Spelen in 1928 zouden worden gehouden in Amsterdam. Jan Wils had in 1924 een schetsontwerp gemaakt voor een groot sportcentrum in Den Haag, en dat was vicevoorzitter P.W. Scharroo van het Nederlands Olympisch Comité – in het dagelijks leven specialist in betonconstructies – opgevallen. De gedrongen en potige Jan Wils was ook actief sporter, en vanaf 1925 zelfs docent aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Amsterdam. Samen met Scharroo had hij het boek Gebouwen en terreinen voor gymnastiek, spel en sport gepubliceerd, met een voorwoord van voorzitter Pierre de Coubertin van het Internationaal Olympisch Comité. Het lag dus voor de hand dat de opdracht voor een Olympisch Stadion voor Amsterdam naar Wils zou gaan.
Wils richtte zich aanvankelijk op een terrein midden in Amsterdam-Zuid, bij het Olympiaplein. Op een rechthoek van 180 bij 72 meter was een stadion, een postkantoor en een compleet Olympisch dorp geprojecteerd. Maar voor toegangswegen en een parkeerterrein ontbrak de ruimte. Bovendien zou het geheel tussen de bestaande bebouwing een weinig imposante indruk maken. Wethouder Wibaut haalde dan ook een streep door dit plan en bood het nog onontgonnen terrein ten westen van het in 1914 door Harry Elte ontworpen stadion aan. Een groot plein van 325 bij 145 meter zou meer dan voldoende ruimte moeten bieden aan de verkeersstromen.
Eenvoudig stadion
Wils leverde een ‘eenvoudig en strak’ stadion. Kantoren, werkplaatsen, kleedkamers en een café werden onder de tribunes aangebracht. Onder de eretribune kwam een perskamer, een medische afdeling en zelfs – toen al! – een laboratorium voor sportwetenschappelijk onderzoek. Op het voorplein kwam een flink aantal merendeels wit gepleisterde gebouwen: zwembad, schermzaal, krachtsportzaal, restaurant, postkantoor. De meeste daarvan werden spoedig na de Spelen afgebroken. Ook het stadion was overigens niet bedoeld om langer mee te gaan dan 50 jaar. De opdracht betrof een stadion voor 41 duizend toeschouwers; na de oplevering in 1928 bleken er slechts 32 duizend in te kunnen.
Het belangrijkste visuele element is natuurlijk de Marathontoren, in de volksmond ook wel bekend als de ‘leftoren’ of het ‘asbakje van Amsterdam’. Bovenin kon de Olympische vlam branden en vanaf de vier balkons direct daaronder konden bazuinblazers de start van de marathon aankondigen. Berlage vond het een waardige monumentale afsluiting van zijn Plan Zuid. Andere vakgenoten namen Wils kwalijk dat hij het betonnen skelet van het stadion aan het zicht had onttrokken met een huid van donkere baksteen. Dat leidde zelfs tot een breuk met De Stijl. Over het algemeen waren de meningen evenwel positief. Nooit eerder was men erin geslaagd voetbal, atletiek en een wielerbaan zo goed in een gebouw te combineren.
Wils werd zowel in eigen land als in het buitenland een paar keer bekroond voor het Olympisch Stadion. Hij kreeg er in 1928 zelfs een van de acht Nederlandse gouden Olympische medailles voor. Tot 1948 vormden ‘kunstspelen’, waaronder architectuur, een volwaardig onderdeel van de Spelen.
In 1937 voelde Amsterdam de hete adem van Rotterdam in de nek en ontstond de behoefte aan een groter stadion. Wils ontwierp een uitbreiding, die de capaciteit van het Olympisch Stadion op 50 duizend toeschouwers bracht. Dit keer liet Wils de betonnen constructie in het zicht. Niet alleen daardoor had de uitbreiding veel van lapwerk. Volgens het Handelsblad werd de voorheen zo geprezen Marathontoren nu gereduceerd tot een ‘paskwil’.
Vanaf de jaren zeventig raakte het stadion langzaam maar zeker in verval. De volksmond begon te schamperen over ‘de betonnen pisbak’, die zeker na de opening van een nieuw stadion (Amsterdam Arena) overtollig zou zijn. Er werden plannen gemaakt voor sloop. Vooral door toedoen van oud-Heineken-topman Piet Kranenburg (‘Piet Graniet’) kwam het zover niet. Sinds 1992 staat het Olympisch Stadion op de Rijksmonumentenlijst. In 1996 begon André van Stigt met een grootscheepse renovatie, waarbij de uitbreiding van 1937 werd weggehaald.
Ongekend luxueus
Onmiddellijk na de Spelen kreeg Wils de opdracht voor een nieuw Citroën-gebouw, op de plaats van het afgebroken Olympische krachtsportgebouw. Het schijnt dat Wils de opdracht aanvankelijk beneden zijn waardigheid vond maar overstag ging vanwege het riante honorarium. In 1931 werd het opgeleverd. Veel later, in 1959, zou Wils eveneens aan het Stadionplein een tweede, veel fletser gebouw voor Citroën neerzetten. De eerste Citroën-garage werd in de jaren zeventig gerenoveerd.
Jan Wils, die in Den Haag het ene verzekeringskantoor na het andere uit de grond stampte, zou nog één belangrijke opdracht in Amsterdam krijgen: het City Theater aan het Klein-Gartmanplantsoen. Wils was al in 1930 benaderd door Jean Desmet voor een nogal megalomaan en uiteindelijk onbetaalbaar amusementscomplex met bioscopen tussen Herengracht en Amstelstraat. Jan Duiker, de ontwerper van Cineac aan de Reguliersbreestraat (1934), had zich eerder vertild aan een bioscoop voor het Leidseplein. In 1934 verstrekte de NV Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Hendrika Theodora aan Jan Wils en zijn Duitse collega Oscar Rosendahl de opdracht voor een bioscoopcomplex dat nog 100 zitplaatsen meer moest bieden dan Tuschinski.
City is nog steeds een grote bioscoop, maar toen het complex in 1935 opende maakte het helemaal indruk, met zijn veertig meter hoge toren, riante gaanderij annex ‘tearoom’ op de eerste verdieping en de drie kassa’s onder een tien meter brede luifel. De 1.856 stoelen gaven de grootste bioscoopzaal van Nederland een ongekend luxueuze uitstraling. Het gebruik van gemakkelijk schoon te houden rubberen vloerbedekking was een nouveauté. De bouwtijd was met tien maanden ongehoord kort. Eind jaren zestig is City grootscheeps gerenoveerd en onderverdeeld in zeven zalen, en inmiddels staat het opnieuw in de steigers. Eigenaar Pathé heeft beloofd dat de oorspronkelijk door Wils ontworpen gevel in ere zal worden hersteld.
De Tweede Wereldoorlog vormt in de loopbaan van Jan Wils een breekpunt. Hoewel hij tot na zijn 65ste bleef werken, taande zijn faam snel. Na de oorlog was Wils vooral betrokken bij de wederopbouw van Rotterdam en Den Haag. Ook in Amsterdam werkte hij aan herstel van de oorlogsschade. Hij verbouwde het door een brandend vliegtuig getroffen Carlton Hotel aan de Vijzelstraat.
Opzien baarde Wils nog met het plan dat hij in 1954 samen met H. Th. Wijdeveld maakte voor Zandvoort. Het tweetal wilde Zandvoort een internationale uitstraling geven met wolkenkrabbers, een grote pier en zelfs een metro. Van het idee kwam niet veel terecht, maar het hoge, in 1969 opgeleverde Hotel Bouwes Palace is een van de laatste grote projecten van Jan Wils. Hij overleed op 11 februari 1972 in Den Haag.
Tekst: Sjaak Priester
Januari 2008

Powered by JReviews