De ring van Fien de la Mar Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 24, 2011    
4585   0   0   0   0   0

Theaterschatten

In de depots van Theater Instituut Nederland zijn duizenden documenten en voorwerpen bijeengebracht: stille getuigen van bijna drie en een halve eeuw Nederlandse en vooral ook Amsterdamse theatergeschiedenis. Ons Amsterdam haalt, in een vaste regelmaat, steeds zo’n document of voorwerp voor het voetlicht, met het verhaal dat eraan verbonden is. Een kijkje in de depots van Theater Instituut Nederland, maar vooral in de levens van al die Amsterdamse artiesten en toneelkunstenaars van voorheen.

Ik wil gelukkig zijn!
Ik wil dansen tot ik niet meer kan!
Al word ik er draai’rig van,
Dat hindert niet, dat hindert niet!

Ik wil gelukkig zijn!
Ik zoek mensen en gezelligheid,
En al heb ik later spijt
Dat hindert niet, dat hindert niet!

De actrice, revue- en filmster Fien de la Mar (1898-1965) zong dit lied in de film Bleeke Bet, uit 1934. De tekst was haar op het lijf geschreven, want Fien de la Mar was een hartstochtelijke vrouw, vol temperament en levenslust. Het verhaal dat ze het vermogen miste om gelukkig te zijn, dateert van ruim dertig jaar later, toen ze na een aantal eenzame en verbitterde jaren een einde aan haar leven maakte.
Fien de la Mar was tijdens haar leven al een legende en beleefde haar grootste successen voor de Tweede Wereldoorlog, in de jaren dertig. Ze was een natuurtalent en ze kon even goed acteren als dansen en zingen. Tot 1941 speelde ze meer dan twintig toneelrollen, trad ze op in vier revues, en maakte ze deel uit van zeven cabaret-ensembles. Ze speelde bovendien hoofdrollen in verschillende films waaronder Bleeke Bet (1934), De Jantjes (1934) en Op Stap (1935). Dat maakte haar tot één van de eerste Nederlandse filmsterren.
Fien de la Mar was een mooie vrouw met de uitstraling van een diva en een bijzondere, melancholieke stem. In Amsterdam, waar ze vanaf 1931 een flat huurde op de tweede verdieping van Beethovenstraat 82, liet ze zich bijna dagelijks zien in de Schillerbar op het Rembrandtplein. Daar kwam artistiek Amsterdam bij elkaar en daar ontmoette zij ook haar latere echtgenoot, de aannemer Piet Grossouw.
Niet alleen haar artistieke prestaties waren legendarisch, ook was zij vermaard om haar grillen en kuren. Uit de talloze anekdotes die over haar de ronde deden, komt een vrouw naar voren die onevenwichtig, onberekenbaar en onbetrouwbaar kon zijn. Gelukkig was haar man Piet Grossouw daar wel tegen bestand. Fiens mensendiecklerares Emmy Scholte vertelde daarover: “Hij was op de een of andere manier een geweldige man voor haar. Idolaat was ze van hem. Ze zat ook wel echt onder de duim. Ik weet verhalen – ik hoop dat je ze met een korreltje zout neemt – ’t komt natuurlijk allemaal uit de artiestenhoek – dat ze Mary [Dresselhuys] en Cees [Laseur] – dat was toen nog een paar – op bezoek kreeg en dat ze de hele Fien niet te zien kregen. Dan vroegen ze ‘Waar is Fien?’ en dan zei Piet: ‘Die zit in de badkamer, die was vervelend.’”1

“Ze komen wel bij jou”
Na de oorlog kwam Fien de la Mar nog maar moeilijk aan rollen. Ze was inmiddels een dagje ouder geworden en het werk lag niet meer voor het oprapen. Even leek een nieuwe glorietijd aan te breken, toen Piet Grossouw in 1947 voor Fien in de Marnixstraat een theater liet bouwen, dat naar haar genoemd werd. Fien kreeg er de artistieke leiding, maar het theater liep slecht. Ze zag met lede ogen hoe Wim Sonneveld met veel succes optrad in het Leidsepleintheater, en zou tegen hem gezegd hebben: “Ze komen wel bij jou, in die drollenhoek en in mijn bonbonnière blijven ze weg!” Uiteindelijk werd het theater door anderen overgenomen (waarbij de naam werd veranderd in het Nieuwe De la Mar), waarna Fien zich terugtrok uit de artiestenwereld. Wel was ze nog lang elke avond te vinden in Schiller of in de Kring.
Na het overlijden van Piet in 1957 begon het leven voor Fien een kwelling te worden. Ze kreeg geen engagementen meer, zat financieel aan de grond, dronk te veel en vereenzaamde. Voor de oorlog was ze al berucht om de telefoontjes die ze pleegde, maar toen werd het telefoneren pathologisch. Op onmogelijke tijden belde ze op en het was moeilijk om “weer van haar af te komen”. Ze joeg er velen mee tegen zich in het harnas. “Als de telefoon ging, was je al bang,” vertelde cabaretière Martie Verdenius erover.
Op 23 april 1965 stierf Fien de la Mar nadat ze enkele dagen daarvoor uit het raam van haar woning in de Beethovenstraat was gesprongen. De ring die ze droeg, werd door de val verbogen. Wim Ibo, die zijn leven lang een bewonderaar van Fien is geweest, heeft deze ring altijd gekoesterd, en nagelaten aan Theater Instituut Nederland. Daar wordt de ring nu bewaard, als herinnering aan het tragische einde van een bijzondere artieste.

Tekst: Tuja van den Berg

Juli-Augustus 2001

Tuja van den Berg is medewerkster van het Theater Instituut Nederland.


Noot
1| Jenny Pisuisse, Fien de la Mar, 1982.

Powered by JReviews