Nummer 1: Januari 2002



Carel Fodor en Debora Blok

Het verhaal van een ongelukkige liefde

Yvonne Prins

012002_FodorHet Fotografiemuseum, waarover zoveel discussie is geweest, is sinds half december dan eindelijk open. Het adres: Keizersgracht 609. Van 1863 tot 1994 zat hier Museum Fodor, dat zijn naam en bestaan dankte aan de steenkolenhandelaar en kunstverzamelaar Carel Joseph Fodor. Over diens persoonlijke leven was tot nu toe niet veel bekend, maar de onlangs ontdekte memoires van Debora Blok, die in haar jonge jaren een verhouding met hem had, brengen daar verandering in.

In een pakhuis dat bekend stond onder de naam Het Spook, kreeg Amsterdam in 1863 zijn eerste museum voor ‘moderne’ kunst. Het pand aan de Keizersgracht was, evenals de naburige panden, eigendom van Carel Joseph Fodor (1801-1860), die in zijn testament bepaalde dat nummer 609 ingericht diende te worden als tentoonstellingsruimte. Zijn eigen kunstverzameling zou er permanent te bezichtigen zijn. Zonder deze nalatenschap zou Fodor waarschijnlijk in de vergetelheid zijn geraakt, want over het leven van de puissant rijke vrijgezel was nauwelijks iets bekend. Het enige waarover men nog jarenlang sprak was zijn vermeende zelfmoord. Vlak voor zijn eigen huis zou hij in het water van de Keizersgracht zijn gestapt. Een variant daarop verhaalde dat hij dood zou zijn aangetroffen in het pakhuis Het Spook.

Fodor liet slechts een paar brieven na, maar geen persoonlijke papieren. Daarnaast weten wij iets over hem doordat hij in 1844 vermeld werd in een schandaalkroniekje, de Waarachtige Physiologie van Amsterdam, waarin hij wordt beschreven als “een groot man, die rijk geworden is door kool te verkopen”. Verder wordt hierin vermeld dat hij nog ongehuwd is, maar in het geheel geen vrouwenhater, en dat zijn smaak wat “commun” is. Hij had een hechte relatie met zijn moeder, zo blijkt uit een brief aan de kunstkenner Kramm uit 1858: daarin geeft Fodor te kennen dat hij op zondag niet veel tijd voor hem heeft aangezien hij dan graag zijn moeder gezelschap houdt. Over zijn liefhebberijen komen wij iets te weten bij het doornemen van de boedelinventaris die na zijn overlijden werd opgemaakt. Verschillende objecten wijzen erop dat hij aan schermen en zwemmen deed en dat hij een liefhebber was van de paardensport. Fodor bezat zelf een rijpaard dat gestald was in de Hollandsche Manege aan de Overtoom.

Al met al weten we dus maar weinig over de persoon Fodor. Enige jaren geleden kwam ik echter op het spoor van de memoires van ene Debora Blok, een jeugdvriendin van Fodor, wier leven onlosmakelijk met dat van hem verbonden bleek te zijn. Haar herinneringen werpen een nieuw licht op het leven en de dood van deze kunstminnaar.

Een gemengd huwelijk

Carel Joseph Fodor werd op 18 april 1801 te Amsterdam geboren als enig kind van Carel Antonius Fodor en Geertruyda Tersteeg. De Fodors waren generaties lang actief in de muziek, de Terstegen waren een geslacht van kunstenaars en kunstverzamelaars. Ook vader Antoine (1768-1846) was een vooraanstaand musicus. In 1801 werd hij “orchestmeester” bij het genootschap Felix Meritis, dat over de belangrijkste concertzaal van Amsterdam beschikte. De vader van Carels moeder, Jan Tersteeg, was een distillateur van geurstoffen die kunst verzamelde en een niet-onverdienstelijk amateurtekenaar was.

Antoine en Geertruyda trouwden in 1798 in de rooms-katholieke kerk. Het was een gemengd huwelijk: hij was van huis uit rooms-katholiek, zij protestants. Zij kozen ervoor Carel een protestantse opvoeding te geven. Maar bij de doopplechtigheid in de Westerkerk in 1801 traden geen familieleden van Geertruyda op als getuigen; waren ze verhinderd, of toch niet erg ingenomen met dit gemengde huwelijk?

Antoine Fodor verdiende als dirigent een bescheiden loon en waarschijnlijk ging hij zich daarom bezighouden met de handel in steenkool. De steenkolenhandel bleek bijzonder lucratief te zijn en vooral na 1820, toen zoon Carel in het bedrijf kwam, werden er flinke winsten gemaakt. Door het toenemende gebruik van stoomketels in die tijd nam uiteraard de vraag naar kolen ook sterk toe. Bovendien gingen steeds meer huishoudens kolen stoken in plaats van turf. De familie kon op stand gaan wonen. De Fodors verlieten hun huis aan de Prinsengracht, tussen de Looiersgracht en de Passeerdersstraat, en betrokken in 1830 een fraai pand aan de Keizersgracht. In 1833 zette Carel het bedrijf alleen voort, maar hij woonde nog steeds bij zijn ouders in huis. Pas toen Carel midden veertig was (enkele maanden voor het overlijden van zijn vader) kocht hij het pand Keizersgracht 611, een deftig koopmanshuis waarin hij en zijn moeder in 1846 hun intrek namen.

Man van twee miljoen

Carel Fodor had zich nooit als zo’n groot kunstverzamelaar kunnen ontpoppen als het hem zakelijk niet zo voor de wind was gegaan. Het vermogen dat hij verwierf was enorm. De totale waarde van zijn bezittingen bedroeg in 1860 bijna twee miljoen gulden en bestond voor het grootste deel uit boerderijen, landerijen en waardepapieren. Hij bezat hofsteden aan de Amstelveenseweg, in de Beemster en de Purmer en langs de Oude Rijn. Zijn kunstcollectie en huizen op de Keizersgracht besloegen slechts tien procent van zijn vermogen.

Omstreeks 1834 begon Fodor met het verzamelen van kunst en niet veel later stelde hij zijn huis open voor geïnteresseerd publiek. Zijn kunstcollectie, die door kenners nogal conservatief werd bevonden, omvatte 161 schilderijen, 877 tekeningen en 302 prenten. De schilderijen waren van eigentijdse kunstenaars, maar de tekeningen waren veelal ouder; daaronder bevonden zich een aantal werken van beroemde 17de-eeuwse Hollandse meesters – waaronder een aanzienlijk aantal etsen en tekeningen van Rembrandt. Tal van kunstenaars en adellijke personen bezochten huize Fodor, zo blijkt uit het bezoekersalbum dat Fodor bijhield. Zelfs het koningshuis toonde belangstelling voor zijn kunstcollectie.

Fodor was bijzonder actief in het Amsterdamse kunstleven. Behalve van het genootschap Felix Meritis was hij lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae en de kunstkring Arte et Amicitia. Vanwege zijn verdiensten als kunstbeschermer werd Fodor onder meer in 1849 opgenomen in het bestuur van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en in 1858 door koning Willem III benoemd tot officier in de Orde van de Eikenkroon.

Ik had een jongmensch lief gekregen

Zakelijk gezien ging het Carel Fodor dus voor de wind en bovendien genoot hij een zeker aanzien. Een aantrekkelijke huwelijkspartner zou je zeggen, maar zijn hele leven woonde hij samen met zijn moeder, die een jaar voor hem stierf. Toch blijkt Fodor in zijn jonge jaren een verhouding te hebben gehad, zo blijkt uit een egodocument waarop ik stuitte tijdens een onderzoek naar de VOC-dienaar Roelof Blok. De memoires die diens achterkleinkind Debora Blok (1800-1875) in 1860 optekende, bevat veel informatie over haar voorouders, maar ook schrijft zij over haar eigen leven. Het grootste deel van haar jeugd bracht zij door in Enkhuizen, waar zij werd geboren. Een van de eerste persoonlijke gebeurtenissen die zij in haar memoires vermeldt, is het feit dat zij als vijftienjarige lidmaat wordt van de hervormde kerk. Dat was een belangrijke gebeurtenis voor haar aangezien zij diepgelovig was. Maar over haar eigen ervaringen schrijft zij pas echt nadat zij in 1815 met haar familienaar Amsterdam is verhuisd en dan rept zij ook over haar eerste grote liefde. Ze schrijft: “Toen ik agttien jaar was had ik een jongmensch lief gekregen die, voor zoo ver als de menschen kunnen oordelen, veelen deugden bezat.” Er was echter een probleem: hij was niet godsdienstig en bovendien door een ongelovige vader ongelovig opgevoed. “Myn geweten zey my dat die liefde niet goed was en dat als ik eenmaal met hem getrouwd was en ik kinderen kreeg ik bezwyken zou van smart als God niet hun hoogste goed was. Maar myn hart dat hem zo lief had zey my dat ik een middel in Gods hand zoude weten om hem tot het geloof te brengen.”

Het ene moment had het geweten de overhand en dan weer de liefde: “Gestadigen onzekerheid of het goed was in Gods ogen dat ik me met hem verbond of niet maakte myn jeugd niet gelukkig. Mijn hoop was gegrond dat hy altyd met het grootste gedult hoorde naar alles wat ik tegen hem zey om hem te overtuigen.” In het voorjaar van 1824 won de liefde terrein en verbond Debora zich vaster dan tevoren aan Carel. Haar broer Jan adviseerde haar echter een einde aan de relatie te maken. Dat was bepaald niet makkelijk, aangezien haar geliefde niets over een scheiding wilde horen en zij de kracht niet had door te zetten. Maar na een uitputtende “stryd, die my soms heel zwaar viel, zwoer ik een eed dat ik hem niet weer wilde zien. In het laatst van het jaar waren wy dus voor altyt geschyden. Met bittere traane beweende ik myn zonde om zoo ligtvaardig te zweren. Hier door had ik my zelf de gelegenheid ontnomen om hem tot God te brengen. […] Ik moest myn troost vinden in de gedagte dat dit onder Gods bestuur was geschied en dat hy niet voor my de bestemde egtgenoot was. […] Zo eindigde dat jaar heel droevig voor mij.”

Nergens vermeldt Debora Blok de naam van haar jeugdvriend. Dat het om Carel Fodor gaat, blijkt pas veel later, want de geschiedenis van dit liefdespaar kreeg ruim 25 jaar later nog een staartje.

Financiële nood

Ondanks het liefdesverdriet ging het leven na de scheiding verder. In juli 1826 logeerde Debora bij familie in Medemblik en daar leerde zij Wilhelmus Johannes Langeveld kennen. Willem was in 1801 geboren op Texel en was van beroep ontvanger der Registratie en Domeinen. Hij bleek een geschikte huwelijkskandidaat en de twee trouwden nog geen jaar later. Het echtpaar ging na het huwelijk in Medemblik wonen, waar hun twee oudste kinderen werden geboren. Eind 1830 vertrok het gezin naar Groningen, naar de gemeente Onderdendam, waar Willem geplaatst werd als ontvanger. Niet lang na het overlijden van het zevende kind, in 1841, verhuisde het gezin naar Edam - tot vreugde van Debora die zeer tegen haar zin in Groningen had gewoond. “O zalig gevoel, niet uit te spreken, toen ik dat land, waar ik steeds een vreemdeling was mogt verlaten.” Ze verhuisden nog talloze malen, om uiteindelijk in 1865 in Amsterdam neer te strijken.

Financieel hadden Debora en Willem het niet slecht, maar vermogend waren zij niet. Grote uitgaven, zoals de studies van hun zoons, kostten hun dan ook de nodige offers. Het liep mis in 1850 toen het jaarinkomen van de Langevelds met 700 gulden daalde en het voor hen onmogelijk werd hun zoon Willem te laten studeren. Daarom werd er voor hem een plek gezocht op een kantoor. Dat was niet helemaal naar zijn wens, maar uiteindelijk kwam alles toch nog goed - dankzij een jeugdvriend van zijn moeder: Carel Fodor.

Hernieuwde ontmoeting

Na zes jaar in dienstbetrekking te hebben gewerkt, wilde zoon Willem in 1856 wel eens voor zichzelf beginnen. Hij wilde cargadoor worden, maar ook nu ontbrak het de familie aan geld. Debora Blok trok de stoute schoenen aan en zocht Fodor op, wetende dat hij inmiddels steenrijk geworden. Wie weet kon hij de wens van haar zoon in vervulling laten gaan. “Hoe verlegen gevoelde ik my om dezen myn groote wensch te openbaren.” Debora beschrijft hem als “Die vriend die in Gods hand het middel werd dat myn lieve Willem zijn zaken zou beginnen, omdat hy hem zyn schepen gaf. Dezen vriend was dezelfde wien ik in mijn jeugd lief had en van wien ik geschyden werd omdat Gods liefde niet goed vond dat hij mijn egtgenoot zoude worden. In myn jeugd toen ik van hem geschyden was, weet ik dat ik biddend voor God nederviel met de vraag, waarom moest ik hem leren kenne? Waarom moest ik hem leren kenne om zoo ongelukkig te worden?” Na bijna dertig jaren werd die vraag alsnog beantwoord, want tot haar grote vreugde werd er meteen na haar bezoek een kantoorbaan voor Willem geregeld en kon hij aan de slag.

Carel Fodor zelf was evenwel minder gelukkig met zijn bestaan. In september 1860 vernam Debora dat hij aan grote zwaarmoedigheid leed. Op 8 oktober van dat jaar bracht zij hem een bezoek en probeerde zij hem te troosten. Zij schrijft: “Het geloof dat hy in zyn jeugd niet verkregen had, was ook nog zyn deel niet. Maar toch God, die de harte der menschen doorgrond, die weet ook hoeveel meer of hy geloofde als hy zelf wel dagt. Zyn onophoudelijk gebed aan God om dat heerlyke geloof, zou dat geen verkoring gevonden hebben.” Vier weken lang was zij zijn steun en toeverlaat. Daarna liet zij haar dochter Lida bij hem achter om hem gezelschap te houden. Maar op 24 december 1860, precies 27 jaar nadat zij van hem gescheiden werd, “verliet hij dezen wereld…” […] “naar die geweste waar ik eeuwig met hem hoop zamen te zyn”.

Fodor overleed, volgens zijn overlijdensakte, ’s morgens om tien uur in zijn woonhuis aan de Keizersgracht. De vrijdag daarop werd hij begraven in het familiegraf in de Nieuwe Kerk. In een van de berichtjes die naar aanleiding van zijn dood in de Amsterdamsche Courant verscheen, staat vermeld dat hij aan een bloedspuwing was gestorven; mogelijk had hij aan tuberculose geleden. Maar dat zou toch opmerkelijk zijn, aangezien Debora hiervan in haar memoires geen melding maakt, terwijl zij verder wel uitvoerig uitwijdt over allerlei ziekten. Zij vermeldt alleen dat haar vriend aan zwaarmoedigheid leed.

Als het verdriet over zijn jeugdliefde hem zo somber had gemaakt, heeft hij haar daar in zijn laatste levensfase niet mee willen lastigvallen. Grootmoedig legateerde hij aan Debora een bedrag van tienduizend gulden - een enorme som geld voor die tijd. Dat zij dit legaat daadwerkelijk heeft ontvangen, blijkt uit de vermelding van haar naam in Fodors testament als “mevrouw Langeveld, geboren Blok, te Breda”.

 


Pakhuis Het Spook

In het testament dat Carel Fodor op 30 januari 1860 door familienotaris Jan Willem Fabius had laten opmaken (en dat hij op 14 september nog wijzigde) bepaalde hij dat hij zijn kunstcollectie en zijn huizen aan de Keizersgracht (twee woonhuizen en een pakhuis) aan de stad Amsterdam naliet. Pakhuis Het Spook (dat hij twee jaar voor zijn dood kocht) moest worden verbouwd tot een “gaanderij voor schilderijen en teekeningen” en diende de naam Museum Fodor te krijgen. In 1863 opende het museum zijn deuren, op Fodors geboortedag.

Aanvankelijk trok het museum de nodige bezoekers, maar ruim tien jaar na de opening was er nog maar zo weinig belangstelling voor de doeken en prenten dat valse tongen beweerden “dat de eenigen, die het museum bezoeken, behalve enkele liefhebbers, dames zijn, die geene parapluie bij zich hebben en door een regenbui overvallen, daar eene retraite vinden”. Er volgde een periode van 75 jaar waarin bijna geen sterveling het gebouw meer bezocht. Uiteindelijk verdwenen de schilderijen in 1948 in depots en werd het museum als dependance door het Stedelijk Museum in gebruik genomen. De Fodor-collectie leidde hierna een zwervend bestaan en kwam ten slotte in 1963 onder het beheer van het Amsterdams Historisch Museum. In 1994 verloor Museum Fodor zelfs zijn museale functie: in dat jaar werd het Nederlands Vormgevingsinstituut erin gevestigd. Zojuist heeft het gebouw, met de intrek van het Fotografiemuseum, opnieuw de bestemming van museum gekregen, in overeenstemming met de laatste wil van de stichter.


Drs. Y. Prins is historica.