Nummer 6: juni 2011



De mooiste brug van Amsterdam
De turbulente beginjaren van de Koekjesbrug, 1884-1911


Weinig Amsterdamse bruggen zijn zo geliefd als de Koekjesbrug. De 19de-eeuwse verbinding tussen de Helmersbuurt in Oud-West en de binnenstad. Nu het eeuwfeest nadert blikken wij terug op de ietwat duistere beginfase tijdens de aanleg van de Jacob van Lennepbuurt. De brug kwam er bepaald niet zonder slag of stoot.

“Het is een mooie, oude brug, en de naam vind ik ook mooi, voor een brug. Iedere keer als ik eroverheen kom, mompel ik hem even.” De vorig jaar overleden schrijver Martin Bril beschreef het ‘Koekjesbruggevoel’ in 2007. Hij woonde op een ruime steenworp afstand. “Op z’n best is de brug op een zinderende zondagmiddag in augustus”, wist Bril. Fietsers kennen de Koekjesbrug vooral als een snelle sluiproute tussen Oud-West naar het centrum. Aan de ene kant van het water de drukke Nassaukade met daarachter de Bosboom Toussaintstraat en de Helmersbuurt, aan de overzijde de Nieuwe Passeerdersstraat met links verzorgingshuis Bernardus en rechts jeugdtheater de Krakeling. Vanwege de stoere steilte kun je als fietser heerlijk van de Koekjesbrug af sjezen.
De merkwaardige naam van de brug bezorgt zelfs de somberste passant een glimlach op de lippen. De geschiedenis ervan is even raadselachtig als vaag. De huidige brug dateert van 1911, maar eerst lagen er twee tijdelijke bruggen. De oorsprong ligt in de tweede helft van de 19de eeuw. Een tijd waarin het gebied tussen Overtoom, Singelgracht en de Hugo de Grootkade in een overgangsfase verkeerde: in de stedelijke rafelrand met windmolens, vervuilende industrie, grutterijen, paden, moestuinen en smerige slootjes en poelen verrees een nieuwe woonwijk met straten, grachten en een zelfbewuste socialistische populatie.
Centraal in het landelijke poldergebied lag het beruchte Pesthuis of Buitengasthuis, tegenwoordig het WG-terrein. Van hier liep de Pestsloot naar de Singelgracht, de slingerende waterweg naast de oude stadswallen en bolwerken. Langs de Pestsloot lagen tuinen en buitenverblijven, zoals Iepenwoud, de Stadsboomkwekerij en een oude boerenwoning waarin een volksbierhuis was gevestigd. De elite kwam graag naar dit gebied om te recreëren. Zij bezocht tuinfeesten, bruiloften en zomerconcerten in de chique tuin De Nederlanden. Vanaf 1868 oefenden hier de boogschutters van handboog- en scherpschuttersvereniging Claudius Civilis.

Eerste volksbuurtje zakt af
Pal naast de Pestsloot lag het Rottenestpad, genoemd naar de molen het Rottenest. Deze molen moest in 1865 plaatsmaken voor de Nederlandsche Chemische Fabriek, een producent van zwavelzuur, salpeterzuur en tinzout. Er waren meer vervuilers in de buurt: een loodwitfabriek en een lak-, vernis- en inktfabriek lagen ernaast. Vooral het vervaardigen van loodwit, dat werd gebruikt als kleurstof voor witte verf, was levensgevaarlijk. Evenmin bevorderlijk voor de volksgezondheid was een stoomslijperij verderop langs de Overtoom. Uit de schoorstenen kwam zoveel zware rook dat het drinkwater erdoor bedorven was. Bewoners die hun brood verdienden met bleken of wassen zagen hun nering in rook opgaan. Tot opluchting van de buurtbewoners was de Kleine Stinkmolen op het voormalige bolwerk Osdorp, waar tegenwoordig het Bernardus zit, al aan het begin van de eeuw verdwenen. Op het terrein kwam een suikerraffinaderij, naast de al bestaande gasfabriek.
Vanaf 1860 begon de Amsterdamse bevolking snel te groeien en ontstond er dringend behoefte aan nieuwe woningen. Directeur Jan Kalff van Publieke Werken ontwierp een plan om de stad buiten de Singelgracht uit te breiden, maar de uitwerking daarvan werd overgelaten aan de markt. Aan het begin van de huidige Eerste Helmersstraat, achter de chemische fabrieken, werd al in 1867 een klein volksbuurtje met de bloemrijke naam Sophiapark aangelegd op initiatief van de bouwondernemer A.W. de Klerck. Omdat hij geen rekening had gehouden met de rooilijnen van het uitbreidingsplan weigerde het gemeentebestuur bestrating, verlichting en riolering aan te leggen. Vooral de inwoners van de 52 arbeidershuisjes en een drukbezochte slijterij waren de dupe. Ook heeft de gemeente de straatnaam Sophiapark – vermoedelijk een verwijzing naar een vriendinnetje van de bouwondernemer – nooit officieel erkend. Door illegale vuilstort, baldadige jongeren en gebrekkig politietoezicht zakte het Sophiapark af tot een achterbuurt.

Toestemming voor pontveertje
Ook elders in het poldergebied bouwden particuliere ondernemers nieuwe woningen. Zo moest het Land van Mina, een verzameling wei- en hooilanden langs de Singelgracht, plaatsmaken voor de Jacob van Lennepstraat. De verkaveling verliep tergend traag door het optreden van malafide makelaars en gemeentelijk getreuzel. Na de bestrating bleef ook het bouwtempo laag. In 1879 waren er nog twaalf nieuwe huizen voltooid, maar hierna bleven de bouwers terughoudend omdat de verbinding met het oude stadcentrum gebrekkig was. De dichtstbijzijnde bruggen lagen bij de Raampoort en het Leidseplein, op respectievelijk 900 en 650 meter. De aanleg van een verkeersbrug over de Singelgracht bij de Kinkerstraat werd geblokkeerd door de gasfabriek aan de kant van het stadscentrum. De gemeente gaf daarom in 1879 toestemming voor een pontveer over de gracht, ongeveer op de plek waar nu de Koekjesbrug ligt. Omdat de concessiehouder niet met de voorwaarden akkoord ging, nam de gemeente drie jaar later zelf een pont in gebruik.
De bebouwing van het gebied tussen de Hugo de Grootkade en de Overtoomse Vaart (‘Blok IV’) had inmiddels een grote vlucht genomen. Een terrein tussen de Van Lennepstraat en de Pestsloot werd geschikt gemaakt voor de aanleg van de Da Costastraat en de Da Costakade. Na een langdurig proces tegen een assertieve huurder kreeg de gemeente ook de voormalige tuin De Keizerskroon aan het Kwakerspad in handen. Hier kwam de Potgieterstraat. De gedempte Pestsloot werd in 1882 bij hoge uitzondering vernoemd naar een levende persoon. Deze eer viel toe aan Truitje Bosboom Toussaint, ter gelegenheid van haar 70ste verjaardag en vanwege haar buitengewone verdiensten als schrijfster. De nieuwe buurt heette naar de als eerste voltooide straat: het Jacob van Lennepkwartier. Arbeidersgezinnen, ambachtslieden, dienstboden, verpleegsters, studenten en leraren kwamen massaal af op de goedkope huizen, ook al lieten de bestrating, straatverlichting en hygiënische omstandigheden te wensen over.

Er komt een houten loopbrug
Binnen enkele jaren kreeg het Jacob van Lennepkwartier een extreem hoge bevolkingsdichtheid. De woningnood was zo groot, dat nog onafgebouwde percelen werden bewoond. Winkels waren er in overvloed, zoals kruideniers en de hoeden- en pettenwinkel van A.F. de Rochemont in de Da Costastraat, maar voor voorzieningen als scholen en markten bleven de pioniers in West voorlopig aangewezen op de binnenstad. Er was echter ontevredenheid over de pontverbinding over de Singelgracht. Ruim 100 huiseigenaren en bewoners klaagden bij de gemeente over de vaarprijs, die vooral gezinnen met schoolgaande kinderen in de huishoudbeurs zou raken. Een overtocht kostte slechts één cent kostte, maar sommige kinderen moesten vier keer per dag overvaren naar de dichtstbijzijnde school aan de Looiersgracht en dat tikte aan. Ook zou er voor de menigte schoolgaande kinderen “ongerief en gevaar” kleven aan de overtocht. De aanlegplaats van het pontje bestond immers uit een modderig terrein dat in gebruik was voor kledenklopperij. De kleintjes moesten er door dikke stofwolken waden, een voor de gezondheid “zeer nadeelige en ongeschikte atmospheer.” En werklieden hadden helemaal niets aan de pontverbinding, schreven de bewoners. Zij moesten zich om zes uur ’s ochtends bij de fabriekspoort melden en de pont voer pas vanaf zeven uur.
Één klager uit de Van Lennepbuurt was de leraar en toneelcriticus J.H. Rössing (1847-1918). Hij stelde voor in het verlengde van de Jacob van Lennepstraat een loopbrug aan te leggen, die aan de overkant uitkwam tussen de suiker- en gasfabriek. Misschien heeft zijn bemoeienis enig gewicht in de schaal gelegd, want de gemeente kwam over de brug. Een verkeersbrug van f 55.000,- lag boven het budget, maar een provisorische hulpbrug van f 1800.- vond de raad aanvaardbaar. Alleen het raadslid Isaac Gosschalk maakte bezwaar. Hij vreesde voor een wildgroei van bruggen, inclusief bijbehorende kosten. Eerst wilde iedereen een eigen tramhalte voor de deur hebben en nu eisen ze een eigen brug! De overige gemeenteraadsleden toonden meer compassie met de bewoners vanwege de ongeriefelijke pontverbinding. Zij stemden in met de aanleg van een houten loopbrug.

Brug krijgt geen naam
Enkele maanden later wandelde op 31 maart 1884 de eerste bewoner over de nieuwe brug naar de overkant. Een politieman genaamd Koek, zo wil een veelgehoord verhaal. Omdat het na ’s avonds elven was weigerde de pontbaas hem over te zetten. Agent Koek klom nu over de schutting van de bijna voltooide brug en beende naar de overkant. Uit woede verfde de veerman met rode menie op de schutting: “Deze brug is gedoopt: Koekjesbrug.” Naderhand sleepte de agent hem voor de rechter.
Deze anekdote over de naamgeving van de Koekjesbrug is in 1907 uit de duim gezogen door de toneel- en volksschrijver Frans Hulleman. In zijn roman Toewijding voerde hij de gefrustreerde pontbaas Klaas Kluyver op, die het verhaal in Alkmaars dialect opdist aan een argeloze treinreiziger. Zoals het een urban legend betaamd, bevat zijn relaas veel details die op historische feiten zijn gebaseerd. Daags voor de opening was de brug inderdaad aan beide kanten afgesloten met schuttingen, zoals een vage foto uit het Stadsarchief aantoont. Vlak achter de brug is met enige moeite ook het overvol beladen pontje te zien.
De eerste echte gebruiker was Willem Bronkhorst, een 64-jarige meestersmid uit de Jacob van Lennepstraat. Een handjevol andere bewoners wilde de brug naar hem vernoemen ter ere van alle inwoners van de omliggende buurten. De gemeente vond het voorstel voor de ‘Willem Bronkhorstbrug’ echter niet voor inwilliging vatbaar. Onduidelijk is waarom, maar het was niet de gewoonte om de namen van eenvoudige burgers aan bruggen en straten te geven. Voorlopige bleef de loopbrug naamloos.
In januari 1888 duikt de naam Koekjesbrug voor het eerst op, in een krantenbericht over een spannende achtervolging. Twee nachtwakers en een agent zaten achter een inbreker aan die over de brug wist te ontsnappen naar de binnenstad. Een jaar later was de Koekjesbrug het toneel van een luguber schietincident, bericht opnieuw Het Nieuws van den Dag, toen een reserveconducteur van de Omnibusmaatschappij eerst zijn voormalige baas doodschoot en daarna tevergeefs een zelfmoordpoging deed.

Protesten redden brug
De Koekjesbrug kwam zelf ook onder vuur te liggen. Het terrein van de gasfabriek was ontruimd, zodat in het verlengde van de Kinkerstraat een brede verkeersbrug over de Singelgracht kon worden aangelegd. Een schipper uit Leimuiden verzocht de stad om in het belang van de scheepvaart de Koekjesbrug af te breken. Opnieuw klommen de bewoners van de Van Lennepbuurt in de pen, ditmaal aangevoerd door de pas opgerichte Wijkvereniging Jacob van Lennep. Deze socialistische wijkclub vergaderde in Volks-Café Morgenrood, op de hoek van de Bilderdijkstraat. Oprichter K.A. Bos opende ook een Volksboekhandel in de Kinkerstraat en verspreidde socialistische lectuur in het kwartier. Hij becijferde dat er honderden potentiële socialisten woonden. Later genoot het Van Lennepkwartier inderdaad faam als ‘rooie buurt’.
Onder druk van de actie liet het stadsbestuur de sloopplannen van de Koekjesbrug varen. Één raadslid vroeg zich nog wel af of de brug niet wat kon worden opgeknapt: “Wellicht zal dan de spraakmakende gemeente voor een fraaiere brug ook een fraaieren naam vinden.” In 1895 gingen nogmaals stemmen op om de Koekjesbrug te slopen. Opnieuw tekenden de buurtbewoners protest aan, 400 in getal: de brug was noodzakelijk en werd intensief gebruikt. In één week tijd zouden er maar liefst 100.000 voetgangers zijn overgestoken! Ook zou het voor kinderen gevaarlijk zijn om langs de groentemarkt te lopen die sinds 1892 in de Marnixstraat werd gehouden.
De gemeenteraad gaf voor de derde keer gehoor aan het bewonersprotest. In 1897 werd de houten brug zelfs vervangen door een stevige ijzeren loopbrug. Veertien jaar later vereiste het steeds drukkere verkeer dat er ook voertuigen over de Koekjesbrug konden rijden. Bovendien verkeerde de brug in een slechte staat. Er kwam een bredere brug, die vanwege het nog altijd drukke Amsterdamse scheepvaartverkeer hoog boven de waterspiegel uitstak. De bovenbouw van de oude Koekjesbrug heeft nog lange tijd dienst gedaan als loopbrug bij de Korte ’s-Gravensandestraat. Deze kreeg de nare bijnaam Kankerbrug, vermoedelijk vanwege het nabijgelegen Nederlands Kanker Instituut.

Naam blijft mysterie
Bij de opening op 6 november 1911 had de buurtvereniging Westelijk Amsterdam de Koekjesbrug feestelijk versierd met vlaggen en lampions. De vernieuwde brug met een steile helling van 5,4 procent genoot enige faam bij ingenieurs en werd als zelfs als voorbeeld genoemd in een handboek over bruggenbouw. Het stroeve slakkenasfalt in plaats van klinkerbestrating voorkwam dat paarden en wielrijders slipten en uitgleden. Toch waren de diensten van bruggentrekkers als Dirk de Waterduiker geen overbodige luxe.
De Koekjesbrug uit 1911 ligt er nog altijd. De naamgeving blijft een mysterie. Behalve het fabeltje over agent Koek doen er nog drie andere verklaringen de ronde. Een gaat over de koekjesman, die bij de brug een gokspelletje deed waarbij je een koekje of drie centen kon winnen. Op een avond viel hij in de gracht – en de naam was geboren. Even onwaarschijnlijk is dat de Koekjesbrug een verkorting is van ‘Pannekoeksbrug’. Tuinders uit de buurt zouden de brug zo noemen naar een collega wiens grond het dichtst bij de brug lag. Nu woonde bij het Rottenestpad inderdaad een tuinder Pannekoek, maar de afkorting tot ‘Koekjes’ lijkt volkomen onlogisch.
De laatste verklaring van de naam Koekjesbrug heeft te maken met de 19de-eeuwse Amsterdamse chocolade-industrie. Chocolade werd in de vorm van ‘koekjes’ van een ons verkocht voor twaalf cent per stuk. Die koekjes werden fijngesneden en met water of melk gekookt tot een chocoladedrank. De productie vond aanvankelijk plaats in een door werklieden voortbewogen tredmolen, maar in de 19de eeuw hebben windmolens en stoommachines deze zware taak overgenomen. In de Van Lennepbuurt zaten verschillende chocoladeproducenten. Dichtbij de Koekjesbrug, op de buitenplaats Iepenwoud langs de Pestsloot, stond vanaf 1845 de Roomolen, waarmee sinds 1853 ook cacao werd vermalen. Precies in het oprichtingsjaar van de eerste houten Koekjesbrug, moest deze molen wijken voor de aanleg van het Jacob van Lennepkanaal. Het lijkt erop dat deze cacaokoekjesmolen tot op heden voortleeft in de naam van de Koekjesbrug.

M. Hell is historicus