Nummer 1: Januari 2004

Gisèle & Arnold

De weduwe van oud-burgemeester D’Ailly vertelt

Tekst: Loek Hieselaar

012004_GiseleZe is 91 jaar, maar beweegt zich nog snel en gracieus door haar huis en atelier op de Herengracht of naar haar lievelingsplekken in de stad: de Amstel, het Spui, de katholieke kerk de Krijtberg op het Singel. Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht, kunstenares, verzetsheldin én weduwe van de zo populaire naoorlogse gentleman-burgemeester mr. Arnold d’Ailly.>

Bij hun eerste ontmoeting was het direct raak: Arnold d’Ailly was op slag onder de indruk van die stijlvolle en creatieve vrouw met de fabuleuze achternaam: Gisèle van Waterschoot van der Gracht. Tegelijk met deze bijzondere vrouw, doemde voor hem echter een lastig probleem op: hij was een getrouwd man, vader én burgemeester van Amsterdam. Een verliefdheid, alla, maar een affaire, daar zouden praatjes van komen…

Van een huwelijk tussen de twee kwam het pas nadat D’Ailly was gescheiden van zijn vrouw en hij bovendien zijn ambtsketen had overgedragen aan de nieuwe burgemeester Gijsbert van Hall. Tot op de dag van vandaag doet Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht geen uitspraken over het al dan niet gedwongen vertrek van D’Ailly uit het stadhuis. Wat hadden we anders verwacht van een dame van stand?

Acht jaar heeft Arnold d’Ailly bij haar gewoond, in haar huis op de Herengracht schuin tegenover de Leidsegracht. In 1967, toen hij op 65-jarige leeftijd stierf, kwam er een eind aan hun samenzijn. Het bureau, waaraan D’Ailly placht te werken, de stoelen waarin zij gezamenlijk zaten, genietend van het uitzicht over de Herengracht, de boekenkasten, de hoge mand met wandelstokken en het ‘salamandertuintje’ dat D’Ailly als hobby hield in een van de hoeken van de kamer: het is allemaal onveranderd gebleven, met uitzondering dan van de salamanders, waaraan ooit het Artis-tijdschrift nog eens een artikel wijdde.

In dit huis koestert Gisèle d’Ailly haar herinneringen aan een cultureel rijk en welbesteed leven. Ze neemt geregeld een van de vele stenen, schelpen en botjes die zij van haar vele reizen mee terugnam in de hand en legt het dan weer met zorg weg. Op het dak van het aangrenzende pand bevindt zich haar atelier, waar ze nog regelmatig aan haar schilderijen werkt.

In het huis wonen ook nog altijd twee van haar onderduikers uit de oorlog: emeritus hoogleraar in de Duitse taal- en letterkunde Claus Bock en uitgever Manuel Goldschmidt. Duitse joden, die ze in de oorlogsjaren een veilig onderduikadres bezorgde, en met wie een band voor het leven is ontstaan. Samen richtten ze na de oorlog de Stichting Castrum Peregrini op, die een literair tijdschrift en andere publicaties uitbracht. De stichting is inmiddels ook eigenaar van het monumentale grachtenpand, dat evenals de uitgeverij vernoemd werd naar de kruisriddersburcht Castrum Peregrini nabij het Israëlische Haifa, een toevluchtsoord voor de tempeliers, die hier vanuit alle windstreken samenkwamen.

‘Ik voelde dat ik hier moest zien te komen’

Gisèle d’Ailly – met van huis uit de “natste achternaam van Nederland”, zoals ze het zelf omschrijft – woont sinds 1939 in dit huis. Toen ze er kwam wonen was Amsterdam voor haar een onbekende stad, want ze werd geboren in Den Haag en groeide op in Amerika. Haar moeder was een telg uit een Oostenrijks adellijk geslacht, die in Den Haag terecht kwam toen haar vader daar als gezant van Oostenrijk werd gestationeerd. Gisèles vader was een geboren Amsterdammer.

Van jongs af wilde Gisèle kunstenares worden, een drang die ook haar vader al had gevoeld. “Hij kon ontzettend goed tekenen,” vertelt Gisèle, “hij heeft heel mooie dingen gemaakt.” En ze laat een zeegezicht van hem zien met een woeste wolkenhemel, dat in een van haar kamers hangt. Maar tekenen en schilderen bleven voor hem een liefhebberij. Na zijn universitaire opleiding tot mijnbouwkundige was hij voorbestemd om een internationale carrière op te bouwen. “Hij is een wereldberoemd geoloog geworden, maar in zijn hart is hij toch ook altijd kunstenaar gebleven. Toen ik zei dat ik graag naar de kunstacademie wilde, zei hij: ‘Ik zal het voor je mogelijk maken, maar voordat je een penseel in de hand neemt, moet je heel goed leren tekenen.’” Dat leerde ze in Parijs, waar zij haar artistieke opleiding kreeg. Na haar studie kwam zij in contact met het kunstenaarsechtpaar Joep en Suzanne Nicolas in Roermond. Joep was een beroemd glazenier en zijn vrouw een begaafd beeldhouwster. Joep Nicolas zocht iemand, die zijn schetsontwerpen voor glas-in-loodramen kon vergroten (“copy-shops waren er in die tijd nog niet”). Vervolgens schilderde hij ze dan zelf op glas. Jaren heeft ze voor hem gewerkt en intussen ook zelf het vak van glazenier geleerd. Zij ontwierp en vervaardigde onder meer glas-in-loodramen in de Begijnhofkerk en de Munsterkerk in Roermond.

Via Joep Nicolas, die een vakantiehuisje had in het Noord-Hollandse Groet, kwam Gisèle in contact met verschillende Bergense kunstenaars, onder wie de dichter Adriaan Roland Holst. Hij raadde haar bij het uitbreken van de oorlog aan haar ouders uit Limburg naar Bergen te laten overkomen, hetgeen geschiedde. “Ik zou eerst met Joep en Suzanne Nicolas meegaan naar Amerika, maar omdat men voorspelde dat de oorlog wel vijf jaar zou kunnen gaan duren heb ik dat niet gedaan. Ik wilde niet vijf jaar van mijn ouders gescheiden zijn.” Maar in Bergen wonen, nee. Gisèle wilde een pied-à-terre in Amsterdam, bij voorkeur op de Herengracht, omdat haar vader daar op nummer 280 geboren was. In die buurt lagen haar roots. Ze kende Amsterdam nauwelijks, beheerste zelfs het Nederlands nog niet goed en Roland Holst bood aan met haar mee te gaan om onderdak te zoeken. “We zijn de hele Herengracht afgelopen, van de Amstel tot de Brouwersgracht, heen en terug,” herinnert ze zich. “Toen we bij dit huis kwamen, stond er een verdieping leeg en die wilde ik per se huren. Ik voelde dat ik hier moest zien te komen, zo’n mooi uitzicht als het huis had op de kruising van de Herengracht en de Leidsegracht… Maar Roland Holst zei dat het niet kon, omdat het een kantoorpand was en er geen woonvoorzieningen waren.Toch heb ik vastgehouden en nog in 1939 kon ik de etage als atelier huren. Er was geen keuken of badgelegenheid, dus het wonen kwam een beetje neer op kamperen. Maar ik voelde dat ik in Amsterdam beter mijn brood als kunstenaar kon verdienen dan in de provincie. Na de oorlog heb ik dankzij een legaat van mijn moeder het hele huis kunnen kopen. Hier wil ik tot aan mijn dood toe blijven. Ik geniet nog elke dag van het uitzicht en wij wonen hier gezamenlijk zo heerlijk.”

Om haar woorden te staven troont ze mij mee naar het dakterras, vanwaar af je inderdaad een feeëriek uitzicht hebt over de binnenstad. Binnen voert ze me langs de plekken die in de oorlog zo’n cruciale rol hebben gespeeld als schuilplaats voor de onderduikers: de dubbele vliering op de zolder en de liftschacht, waar kasten in waren gebouwd. Het waren veilige toevluchtsoorden voor de onderduikers, met wie ze ook alweer via Adriaan Roland Holst en diens Duitse dichtervriend Wolfgang Frommel in contact kwam.

“Roland Holst poseerde voor een portret dat ik van hem schilderde. Op een gegeven dag was er een Duitse dichter bij hem op bezoek, Wolfgang Frommel, die de vreselijkste verhalen vertelde over wat de Duitsers allemaal uithaalden en nog zouden gaan uithalen. Hij vroeg mij of ik niet een paar joodse jongens uit Duitsland onderdak kon geven, jongens uit intellectuele Duitse families, die op kostschool zaten in Ommen, maar die hij daar niet veilig waande. Ik heb daarin toegestemd en de gehele oorlog heb ik permanent een aantal jongens verborgen gehouden. In totaal zijn het er zeven geweest. Frommel kwam hier zelf ook wonen en was hun vriend en professor tegelijk. Hij heeft hen beziggehouden met het lezen van gedichten en proza. Het was moeilijk om aan eten te komen. Ik was zelf aangewezen op de gaarkeuken en ik ben ook wel geholpen door de broer van Roland Holst, die directeur was van een verzekeringsmaatschappij in Amsterdam en in Sloterdijk woonde. Die nodigde mij vaak uit voor een boterham en stopte mij dan ook wat toe. Verder probeerde je op alle mogelijke manieren aan geld te komen. Ik heb bijvoorbeeld een dure bontjas van mijn moeder in de stad verkocht voor dertig broden.”

De band met haar onderduikers was zo sterk, dat een aantal van hen na de oorlog in het huis is blijven wonen en enkelen er dus nog wonen, onder wie Claus Bock, die na de oorlog een boek schreef over zijn onderduikervaringen. Jarenlang doceerde hij in Londen, maar na zijn pensioen keerde hij terug naar het huis waar hij de oorlog doormaakte. Voor het opvangen van joodse onderduikers in de Tweede Wereldoorlog kreeg Gisèle d’Ailly in 1998 de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding.

Het huwelijk

In de jaren vijftig ontmoette Gisèle op een receptie voor het eerst haar latere man. “Ik was uitgenodigd voor de afscheidsreceptie van de Britse ambassadeur in de British Council,” vertelt ze. “Ik was in die kringen terechtgekomen via mijn Amerikaanse broer, een architect, die na de oorlog door de Amerikanen was aangezocht om hun ambassades in het buitenland weer op te bouwen. Via hem was ik aangezocht voor interieuradviezen. D’Ailly had gehoord dat ik kunstenares was en een aantal Amerikaanse ambassades had ingericht.” Na afloop vroeg de burgemeester of hij haar naar huis mocht brengen en of hij een keer haar schilderijen mocht komen bekijken. “We hebben toen een afspraak gemaakt en ik vroeg mijn moeder om daarbij te zijn. Het werd heel gezellig en van het een kwam het ander.”

“Toen ik D’Ailly als getrouwde man leerde kennen was het in mijn katholieke milieu uitgesloten, dat ik met hem zou trouwen. Pas na het overlijden van mijn moeder, ben ik met hem getrouwd.” En hoewel Arnold d’Ailly voor haar zijn vrouw verliet, heeft Gisèle een zeer goede band gekregen met de vier kinderen uit diens eerste huwelijk. Daarvan leeft overigens nu alleen nog de jongste dochter.

Het huwelijk vond plaats in Engeland op 27 juli 1959, ruim twee jaar nadat Arnold d’Ailly was opgestapt als burgemeester van Amsterdam. Officieel zou hij nog twee jaar hebben moeten aanblijven om zijn tweede ambtstermijn vol te maken en zijn vervroegde uittreding had volgens ingewijden mede te maken met rumoer rond zijn buitenechtelijke relatie.

In de tien jaar dat D’Ailly burgemeester van Amsterdam was, heeft hij zich zeer geliefd gemaakt. Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam werkte hij kort bij de griffie van het Gerechtshof. Al snel werd hij directiesecretaris bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland. Daarna was hij onder meer directeur bij De Nederlandsche Bank en de Kas Vereeniging. Direct na de oorlog werd hij gepolst om burgemeester te worden, maar dat verzoek sloeg hij af. Uiteindelijk werd hij op 1 oktober 1946 alsnog beëdigd. Een moeilijke tijd, waarin hij met veel energie en charme zijn taak als burgervader vervulde. Veel naoorlogse stakingsacties wist hij de kop in te drukken door te bemiddelen tussen werkgevers en werknemers.

Over zijn leven als burgemeester gaan veel anekdotes. Hij wandelde graag van zijn huis aan de gracht naar het stadhuis op de Oudezijds Achterburgwal en schroomde dan niet hier en daar een helpende hand toe te steken als dat nodig was. Zo hielp hij bijvoorbeeld een kar duwen als de eigenaar het gevaarte maar met moeite over de brug kreeg. Of hij serveerde werklui die in de buurt van zijn huis aan het werk waren een kopje koffie, herinnert Gisèle zich, “en hij vroeg ze allemaal binnen”. Of hij bracht de mevrouw die bij hem thuis de post bezorgde, met de auto naar huis als het slecht weer was.

“Hij was graag onder de mensen en maakte daarbij geen onderscheid tussen hoog en laag. Hij heeft veel voor de haven kunnen doen en voor de wederopbouw van Amsterdam. Maar hij voelde zich ook sterk betrokken bij de stedenbouwkundige ontwikkeling en behoud van het oude. De twee molens aan de Haarlemmerweg zijn dankzij hem behouden gebleven.” (Een is er later verhuisd naar Osdorp).

Eindeloze wandelingen

Na zijn huwelijk met Gisèle van Waterschoot van der Gracht trad ook Arnold d’Ailly toe tot de bijzondere vriendenkring die Castrum Peregrini vormde en hij kwam in het gelijknamige huis aan de Herengracht wonen. Door hun gezamenlijke liefde voor de natuur, voor het pure, voor de oudheid, was hij er zeer op zijn plek. Zoals ook op het Griekse eiland Paros, waar ze aanvankelijk veel samen verbleven, en waar Gisèle nog vele jaren alleen naar terugkeerde. Daar is ook haar fascinatie met de Griekse oudheid, met de ronde vormen van stenen en met de eenvoud van het Griekse platteland ontstaan. Het eiland is nu drastisch veranderd en ze komt er nauwelijks meer.>

Wel gaat ze nog regelmatig naar het kerkje met de stompe toren in Spaarnwoude, middenin het recreatiegebied tussen Halfweg en Haarlem. In de met gras begroeide strandwal waarop dit oude kerkje is gebouwd ligt Arnold d’Ailly begraven, evenals enkele andere overleden geestverwanten van Castrum Peregrini. Een opmerkelijke laatste rustplaats voor een oud-burgemeester van Amsterdam. Het verhaal erachter geeft aan hoe D’Ailly door plotselinge opwellingen kon worden gegrepen.

Gisèle: “Onze grootste vreugde was om wandelingen te maken in de duinen of op kleine weggetjes, ook rond Amsterdam. Op zo’n wandeling kwamen we terecht in Spaarnwoude, bij het kerkje, dat er toen gehavend uitzag. Maar de omgeving was fantastisch. Het was winderig en wij gingen in de beschutting van de kerkmuur zitten om ons brood op te eten. Vandaar af had je een prachtig uitzicht over het poldergebied tot aan Haarlem toe, waar de Sint Bavo boven de stad uittorende. Het was een heel bijzonder moment en Arnold zei opeens: ‘Hier zou ik later wel begraven willen worden.’” De meeste mensen laten het bij zo’n constatering en gaan thuis weer over tot de orde van de dag. D’Ailly niet. Hij trad in contact met de toenmalige burgemeester van Haarlemmerliede en Spaarnwoude en met het College van Kerkvoogden en kreeg gedaan dat hij een aantal graven rond het voormalige kerkje kon kopen. Ook heeft hij zich nog ingezet om het oude monument gerestaureerd te krijgen. Nu ligt hij dus aan de voet van de kerk begraven, in een groene oase tussen Amsterdam en Haarlem. Als haar tijd gekomen is, hoopt Gisèle d’Ailly-Van Waterschoot van der Gracht hier, bij hem, haar laatste rustplaats te vinden.

L. Hieselaar is freelance journalist.