Nummer 5: Mei 2005 - Crèche Hollandsche Schouwburg

Vluchtroute naar de vrijheid
500 Joodse kinderen ontsnapten uit dependance Hollandsche Schouwburg
Tekst: Alex Bakker

052005_Hollandsche_SchouwburgIn de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan werden in 1942 en 1943 op last van de Duitsers joden bijeengebracht voor transport naar Westerbork. De crèche aan de overkant deed dienst als dependance. Hier werden duizenden joodse kinderen ondergebracht, sommige voor een dag of twee, andere voor weken. Voor de meeste van hen was de crèche de eerste ‘gevangenis’ op weg naar de ondergang. Maar voor ruim 500 kinderen werd het de vluchtroute naar de vrijheid.

In de loop van 1942 begonnen de Duitse bezetters met het wegvoeren van de joodse inwoners van Amsterdam. De Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan werd ingericht als centrale verzamelplaats. Ongeveer drie keer per week ging er ’s nachts een transport vanaf de Schouwburg naar Kamp Westerbork. Velen werden vandaar naar kampen in Duitsland of Polen vervoerd. De in 1941 opgerichte Joodse Raad kreeg de opdracht ‘hulp aan vertrekkenden’ te bieden, en was verantwoordelijk voor de praktische organisatie in het gebouw. Dat joden in opdracht van de Duitsers – weliswaar met hun eigen agenda - meewerkten aan de ondergang van hun eigen gemeenschap, is altijd een pijnlijk punt gebleven.

Als directeur van de Schouwburg werd door de Joodse Raad Walter Süskind aangewezen, een joodse Duitser die sinds 1936 in Nederland leefde. Hij woonde destijds dichtbij de Plantage Middenlaan op de Nieuwe Prinsengracht. Hij zou een belangrijke rol gaan spelen bij het redden van kinderen uit de crèche.

In korte tijd werden in de Hollandsche Schouwburg zoveel mensen bijeengebracht dat het er overvol raakte. “Het was er vreselijk druk, en er werd gehuild en gekrijst. Mijn oom, een beer van een vent, werd helemaal gek. Ik rook het angstzweet van de mensen,” herinnert de toen dertienjarige Michaël Klein zich. Om de druk te verminderen, vorderden de Duitsers de aan de overkant van de straat gelegen crèche. Daar, op de Plantage Middenlaan nummer 31, werden vanaf oktober 1942 alle kinderen tot dertien jaar, gescheiden van hun ouders, ondergebracht. Zodra een gezin op transport moest, werden de kinderen er opgehaald, waarna ze samen met hun ouders naar Westerbork vertrokken.

De Hollandsche Schouwburg was uiteraard helemaal niet geschikt voor het verblijf van grote groepen mensen, maar de crèche daarentegen – één van de modernste van het land – was uitstekend geoutilleerd. Met de vordering drong er nu echter chaos binnen in de keurige opvangruimte voor baby’s, peuters en kleuters. Dag en nacht verbleven er kinderen van allerlei leeftijden, die kwamen en weer gingen. De verzorgsters moesten op gezette tijden kinderen uit hun bedjes halen en naar de Hollandsche Schouwburg brengen, waar ze samen met hun ouders in overvalwagens verdwenen. Sieny Kattenburg, toen amper twintig, was er kinderverzorgster: “We maakten die kinderen om negen uur ’s avonds wakker en gaven ze een flesje of iets te eten. Dan moesten ze naar de overkant. Die witte, angstige gezichtjes van die kinderen vergeet ik nooit. En dan bracht je ze naar hun gespannen ouders. Dat was vreselijk. Niemand wist wat er ging gebeuren.”

De twee directeuren, Walter Süskind van de Hollandsche Schouwburg en Henriëtte Henriquez Pimentel van de crèche, werkten ondertussen aan een plan om zoveel mogelijk kinderen te redden. Süskind liet, geholpen door enkele medewerkers van de Joodse Raad, al regelmatig volwassenen uit de Schouwburg ontsnappen. De crèche bood nieuwe mogelijkheden omdat het gebouw minder zwaar bewaakt werd dan de Schouwburg, én omdat je kinderen gemakkelijker kunt verstoppen dan volwassenen. Bovendien was het gemakkelijker om een onderduikplek voor ze te vinden. Directrice Pimentel betrok een paar van de kinderverzorgsters bij het verzetswerk, waaronder Betty Oudkerk en Sieny Kattenburg. Ze waren nog jong, betrouwbaar, en niet bang uitgevallen. Süskind legde contacten met verzetsgroepen die al eerder joodse kinderen lieten onderduiken.

Baby’s in het wasgoed

Het laten ontsnappen en onderduiken van kinderen liep over veel schakels. De eerste vraag was: welk kind mág onderduiken? Niets gebeurde zonder toestemming van de ouders. “Heel voorzichtig, niemand mocht het horen, vroeg ik: ‘Zou u niet uw kind bij ons achter willen laten? Wij zullen zorgen dat het bij mensen komt waar het verzorgd wordt, tot u terugkomt.’ Een paar uur later ging ik terug om hun beslissing te horen. De meeste ouders weigerden. Wie geeft zijn kind zomaar mee - zonder te weten waar naartoe? Ze voelden zich jong en sterk, en wilden zelf voor hun kind zorgen,” aldus kinderverzorgster Sieny Kattenburg.

De volgende stap was de kinderen administratief te laten verdwijnen. Bij binnenkomst in de Hollandsche Schouwburg werd iedereen geregistreerd. Felix Halverstad, medewerker van Süskind, wist op ingenieuze wijze te frauderen. Zo kwamen veel kinderen nooit op de transportlijst terecht en konden ze in de crèche worden verborgen tot er een geschikt onderduikadres voor ze was gevonden.

Piet Meerburg was coördinator van één van de verzetsgroepen: “Ik kwam elke week bij Süskind. Hij gaf aan hoeveel kinderen eruit moesten en ik probeerde passende onderduikadressen te vinden. Baby’s waren nooit een probleem. Maar als het ging om bijvoorbeeld jongens van boven de twaalf met een duidelijk joods uiterlijk, dan was het een ander verhaal. Die kon je veel minder makkelijk kwijt.” Het vinden van onderduikadressen was het werk van verschillende (niet-joodse) verzetsmensen buiten de Schouwburg en de crèche. Walter Süskind leidde het werk in goede banen.

Zodra er onderduikadressen beschikbaar waren, haalden de verzorgsters de kinderen uit de crèche. Baby’s en peuters waren het gemakkelijkst weg te smokkelen. Ze werden in een tas, een doos, een koffer of desnoods een vuilnisbak gestopt. Sommige baby’s zijn tijdelijk tussen de vuile luiers beland en gingen met het wasgoed de deur uit. Kinderverzorgster Betty Oudkerk: “Ik flirtte met de Duitse bewakers en ondertussen had ik in een grote tas een baby zitten. Gewoon in een reistas. Zo liep ik de voordeur van de crèche uit. Inpakken en wegwezen was het eigenlijk.” Bij kleuters en oudere kinderen was het lastiger. Het kwam aan op een nauwe samenwerking met een medewerker van de verzetsgroep die het kind op de afgesproken plaats kon overnemen.

Vanaf mei 1943 liep het ‘smokkelsysteem’ steeds beter. De tuin van de crèche liep over in de tuin van de buren, de Hervormde Kweekschool. Zo werd de school, met medewerking van directeur Van Hulst, een veelgebruikte vluchtweg. Bij de verplichte wandeling kregen sommige kinderen te horen dat ze rechtdoor moesten lopen - ook als de rest van de groep de hoek om ging. Dan werden ze snel door verzetsmensen opgepikt.

Meestal gingen vervolgens jonge vrouwen met het kind op weg. Een vrouw met één of meerdere kinderen viel niet op en vrouwen werden minder snel gecontroleerd dan mannen. Vaak ging de reis per trein. ‘Koerierster’ Rebecca van Delft: “Het waren lange en spannende treinreizen. Die kinderen wilden vaak praten over hun ouders en andere dingen van thuis, maar dat mocht natuurlijk niet. Vooral de jongere kinderen hadden soms hele verhalen. Dat was eng. Ik probeerde altijd maar over iets anders te praten.”

De betrokken verzetsgroepen hadden elk hun eigen netwerk van onderduikadressen. Veel van die adressen bevonden zich in Friesland en Limburg. Dit was toevallig zo tot stand gekomen, maar toen de schaarste in het westen toenam kwam het goed uit. Bovendien bood de plattelandsomgeving veel ruimte en enige veiligheid; geschikt voor het opnemen van ‘vreemde gasten’. In het dorp Tienray in Limburg waren in de oorlogsjaren maar liefst 123 onderduikertjes ondergebracht.

Onderduiken op de Overtoom

Toch zijn ook kinderen die uit de crèche zijn gered, ondergedoken in Amsterdam zelf. Levi Hagenaar was tien jaar oud toen hij samen met zijn zusje ternauwernood aan een razzia ontsnapte - als enige van de familie. Via via kwamen ze bij mensen op de Transvaalkade terecht die besloten hen naar de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg te brengen. Levi Hagenaar weet tot op de dag van vandaag niet waarom: “Misschien waren ze bang geworden voor verraad of misschien bezorgden wij te veel overlast. Of misschien deden ze het juist omdat ze wisten dat er kinderen uit de crèche werden gered.” Vanuit de crèche werden Levi en zijn zusje Trees apart van elkaar door verzetsmensen meegenomen. “Ik moest de tuin in en dan gewoon doorlopen naar de Kweekschool. Daar wachtte een man mij op. Hij zei: ‘Rustig blijven. We gaan nu naar buiten en als onderweg iemand iets vraagt, doe ík het woord.’ Meegaan met een onbekende man mocht natuurlijk nooit, maar ik besefte dat dit soort regels niet meer golden.” Levi ging eerst met de man mee in de trein naar Friesland. Het zou het begin zijn van een lange zwerftocht door het land. In Friesland zat hij slechts een paar weken ondergedoken. “Tot mijn grote schrik werd ik teruggebracht naar Amsterdam. Ik werd ergens op een zolder in de Scheldestraat verstopt. Heel erg naar en eng… Amsterdam voelde voor mij als het hol van de leeuw. Ik vond het een veel veiliger idee om buiten de stad te zitten.” Uiteindelijk kwam Levi in Limburg terecht, waar hij tot het einde van de oorlog zou blijven.

Liesje de Hond was in 1943 te jong om zulke overwegingen te maken. Ze was vier jaar oud toen een man haar over de schutting van de tuin van de crèche tilde, in een jute zak stopte en meenam naar huis. Nog steeds kan ze de geur van jute niet verdragen. De man bracht Liesje naar de Eerste Jan van der Heijdenstraat, waar de ouders van een vriendin van haar moeder woonden. Deze familie Koopmans had een melkwinkel en was heel geliefd in de buurt. “Ik mocht af en toe buiten spelen. Veel buren hebben waarschijnlijk wel geweten hoe de vork in de steel zat. Zo’n donkerharig klein meisje in een gezin met volwassen kinderen… Iedereen hield zijn mond omdat de familie Koopmans zo gerespecteerd was - sterker nog; bij gevaar werden we gewaarschuwd.” Liesje miste haar moeder vreselijk, evenals de warmte en gezelligheid bij opa en oma thuis aan het Afrikanerplein. Ze wist dat haar familie weg was, maar ze dacht dat de buren, die altijd zo lief voor haar waren, er vast nog zouden zijn… Ze besloot er naartoe te gaan. “Ik charterde een buurmeisje om mee te gaan. Voor een kind van vier is het nogal een eind lopen: van de Jan van der Heijdenstraat naar het Afrikanerplein. Het buurmeisje begon halverwege te klagen: ‘Zijn we er al? Hoe ver is het nog?’ Ik had maar één doel voor ogen dus ik luisterde niet naar haar. Ik dacht alleen maar: wat zullen de buren blij zijn mij te zien… Eindelijk kwamen we dan aan op het Afrikanerplein. De buren schrokken vreselijk om mij te zien en ze werden heel erg boos. Ik begreep er helemaal niets van.”

Eén van de allerjongste kinderen die uit de crèche werd gered was Benjamin Flesschedrager. Hij was tien dagen oud toen hij samen met zijn ouders werd opgepakt. Een paar weken later werd Benjamin uit de crèche gesmokkeld. In een vuilnisbak. Als baby van amper een maand oud werd hij opgenomen door het oudere echtpaar Bongers. Ze woonden met hun ongetrouwde volwassen dochter op de Overtoom. De familie Bongers was streng gereformeerd. Ze gaven de baby een nieuwe naam: Hans. Hans, voorheen Benjamin, was een echte huilbaby. Dit bleef niet onopgemerkt. “De NSB-buurvrouw heeft op een dag gevraagd of er soms een kleintje in huis was. Opa en oma Bongers hebben toen geantwoord: ‘Inderdaad, dat is de kleine baby van onze dochter Rie.’ Voor streng gereformeerden was het een regelrechte schande als een ongetrouwde vrouw een kind kreeg. Dus deze smoes zal ze heel wat moeite hebben gekost. Die NSB-buurvrouw gaf daarna twee keer per week een mandje met flessen melk, voor de huilende baby…” Benjamin bleef tot na de bevrijding bij ‘opa en oma’ Bongers in Amsterdam wonen. Familieleden die de oorlog hadden overleefd namen hem vervolgens in huis. Pas op zijn tiende hoorde Benjamin dat zij niet zijn echte ouders waren.

Levi, Liesje en Benjamin waren drie van de ruim 500 joodse kinderen die uit de crèche in de Plantage Middenlaan zijn gered. Tot op de dag dat de laatste joden uit Amsterdam werden weggevoerd, 29 september 1943, werden er kinderen uit de crèche door joodse en niet-joodse verzetsmensen in veiligheid gebracht. Die laatste dag van de deportaties ontruimden de Duitse bezetters de crèche en de Hollandsche Schouwburg. Alle nog aanwezige kinderen en personeelsleden moesten op transport. Amsterdam werd judenrein verklaard. Ongeveer 70.000 joden waren in 1942 en 1943 via de Hollandsche Schouwburg weggevoerd en zijn niet meer teruggekomen.

A. Bakker is historicus en publicist.

In Verzetsmuseum Amsterdam is van 3 mei tot 27 november 2005 de tentoonstelling ‘Dag pap, tot morgen.’ Joodse kinderen gered uit de crèche te zien. Bij de tentoonstelling verschijnt een gelijknamig boek bij Uitgeverij Verloren, 96 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 9065508627, verkoopprijs € 12.

Het Verzetsmuseum ligt schuin tegenover Artis, Plantage Kerklaan 61. Openingstijden: ma t/m vrij 10-17 uur, za-zo 12-17 uur. Zie verder: www.verzetsmuseum.org