Nummer 3: Maart 2005

Het succes van het Jordaan-lied
Het muzikale gevoel van een Amsterdamse volksbuurt
Tekst: Henk van Gelder

032005_JordaanliedMet succesnummers als ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘Geef mij maar Amsterdam’ verwierf Johnny Jordaan in 1955 nationale faam. Heel Nederland leek plotseling over te lopen van warme gevoelens voor Amsterdams beroemdste volkswijk. Het Jordaan-repertoire ontstond echter al decennia eerder, op het toneel in stukken als Bleeke Bet en De Jantjes. Opmerkelijk genoeg werden de liedjes daarin geschreven door Louis Davids, een Rotterdammer…

De grootste onbekende uit de geschiedenis van het Jordaan-lied is ongetwijfeld de zanger Henk Berlips. “Dat is een neef van mij geweest,” zegt de enige Henk Berlips die nog in het telefoonboek van Amsterdam staat. “Zelf kon ik trouwens ook heel goed zingen. Als ik in de kroeg zat, ging ik vaak al die smartlappen zingen - en dan deed Bolle Jan of een andere accordeonist ook altijd mee. Maar dan had ik wel een slok op natuurlijk, want je was vrije jongen. Nee, nu ben ik 85, dus dan komt het er niet meer zo van. Ik weet wel dat die neef van mij, die dus ook Henk heette, een keer een toernooi heeft gewonnen, maar ik heb de man nooit ontmoet. En ik weet dus ook niet of hij nog leeft.”

In september 1954 was de andere Henk Berlips een beginnende zanger, die tijdens een Jordaanfestival eer inlegde met twee nieuwe liedjes: ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘De parel van de Jordaan’. Ze waren op verzoek van de organisatoren geschreven door de Amsterdamse revue-auteur Henk Voogd, die alles ondertekende met Henvo, en de eveneens uit Amsterdam afkomstige komiek Louis Noiret, die eigenlijk Louis Schwarz heette. Berlips was de man, die die nummers ten doop hield. Met zo veel succes, dat Voogd en Noiret zich enthousiast aandienden bij hun contacten in de platenwereld. Nergens vonden ze echter emplooi; iedereen meende dat het wel aardig repertoire was voor de Jordaan en omgeving, maar dat zulke liedjes de rest van het land onberoerd zouden laten.

En toch liet Noiret het er niet bij zitten. Hij verzon een talentenjacht, die hij presenteerde als een zoektocht naar ‘de beste stemmen van de Jordaan’, en wist Ger Oord, directeur-eigenaar van de platenmaatschappij Bovema, zo ver te krijgen dat er een platencontract voor de winnaar zou zijn. Het werd wel weer eens tijd voor wat nieuw zangtalent, zei Oord tegen de pers. In werkelijkheid stoorde het hem dat Decca/Phonogram, zijn grootste concurrent, verreweg de meeste vocalisten in de populaire sector onder contract had staan. Bovema wilde ook wel eens een succesnummer van Nederlands fabrikaat.

Glanzende vertolking

De rest van het verhaal is al vaak verteld. Nadat er tijdens drie voorrondes in het Roothaanhuis op de Rozengracht niet minder dan 103 deelnemers waren aangetreden, bleven er nog vijftien over voor de grote finale in Krasnapolsky, op woensdag 2 maart 1955. En de cafézanger Jan van Musscher, alias Johnny Jordaan, werd de winnaar met zijn glanzende vertolking van ‘De parel van de Jordaan’. Op de tweede plaats eindigde de kroegbazin Helena Jansen-Polder, beter bekend als Tante Leen.

Twee dagen na de finale stond Johnny Jordaan al in buurtbioscoop De Liefde op de Da Costakade om, onder supervisie van orkestleider Harry de Groot, zijn succesnummers op de plaat te zetten. ‘De parel van de Jordaan’ werd de voorkant van het plaatje, en ‘Bij ons in de Jordaan’ de achterkant. Voor de begeleiding had De Groot diverse radiocollega’s ingeschakeld, onder wie de accordeonisten Pierre Biersma en Johnny Holshuysen (de latere John Woodhouse). Weliswaar had de zanger ook zijn eigen vaste accordeonist Jantje Hilligers meegenomen, maar hem werd te verstaan gegeven dat hij iets verder van de microfoon moest afstaan - zodat hij op de plaat niet meer te horen zou zijn.

De eerste plaat was meteen een groot verkoopsucces, maar nog in datzelfde jaar volgde het nummer dat de definitieve doorbraak betekende: ‘Geef mij maar Amsterdam’. Harry de Groot kreeg de tekst van zijn collega Pi Vèriss, met wie hij in een orkestje bij Heck’s op de Nieuwendijk speelde. Vèriss, die gewoon Piet Visser heette, had het nummer bedacht tijdens een regenachtige vakantiedag met vrouw en kinderen in Zandvoort. “De kinderen zaten te dreinen en drukten hun neus plat tegen het raam omdat ze naar het strand wilden,” vertelde hij aan Bert Hiddema, de biograaf van Johnny Jordaan. “En toen sprak mijn vrouw de historische woorden: ‘Geef mij maar Amsterdam.’ Dat bleef hangen en daarna ben ik eraan gaan werken, het refrein had ik zo klaar en de rest ging vanzelf.” En vervolgens bedacht De Groot er een kloeke deun in marstempo bij, die Nederland niet meer losliet. Alleen al in 1955 verkocht Bovema het ongekende aantal van 360.000 platen.

Johnny Jordaan werd een ster, en Tante Leen volgde hem op de voet. Opeens was het hele land in de ban geraakt van het Jordaan-repertoire. Alsof iedereen in Nederland plotseling warme gevoelens koesterde voor een Amsterdamse volkswijk waar de meeste Nederlanders nog nooit waren geweest. Maar er was wel het een en ander aan voorafgegaan. Helemaal onvoorbereid was het grote publiek nu ook weer niet.

Aanstekelijke inhaakmuziek

De romantiek van de Jordaan werd immers al veel eerder bezongen. In een boekje van het auteursrechtenbureau Buma/Stemra wijst Jacques Klöters het acteursduo Jan Grootveld en Geertruida Meeuwissen aan als de zangers van het eerste lied over de Jordaan. Ze traden in 1897 op in de revue Luilekkerland, in het Grand Théâtre in de Amstelstraat, en hielden daar het nummer ‘Pietje Puck’ ten doop - over een volkse figuur met een duivenplat, die door Klöters ‘de oer-Jordaner’ wordt genoemd. Volgens de tekst woonde Pietje Puck echter in de Leidsebuurt, zodat hij eerder een twijfelfiguur is.

Veel belangrijker voor dit verhaal is dan ook de acteur en toneelleider Herman Bouber, die in 1916 met zijn toneelstuk Mooie Neel een doorbraak teweegbracht. Bouber was een bewonderaar van de schrijver Israël Querido, wiens vierdelige epos De Jordaan een levensecht beeld schetste van harde werkers, keiharde drinkers, schrille arbeidsomstandigheden en vlak aan de oppervlakte liggende emoties. Zoiets zou ook op het toneel moeten kunnen, dacht Bouber. Zijn stuk, over een fabrieksmeid die wordt verleid door de zoon van de baas en met de gevolgen achterblijft, bewees dat hij gelijk had. Snel schreef hij een tweede, Bleeke Bet, dat nog veel meer succes boekte. Een toevallige ontmoeting met de grote Louis Davids, in café De Kroon op het Rembrandtplein, had hem op het idee gebracht het nieuwe stuk op te sieren met een paar liedjes. En zo ontstond de eerste gezongen hommage aan de Jordaan, op tekst van Davids en aanstekelijke inhaakmuziek van diens Engelse muze Margie Morris: “In de Jordaan / in onze enige Jordaan / dat is het enigst hoekje waar ik dood wil gaan…” Plus, alsof dat nog niet genoeg was, hun hartstochtelijke ode aan de Westertoren: “O mooie oude toren / hoog in de blauwe lucht / aan jou wijd ik m’n zangen / mijn zang, mijn lach, mijn zucht…”

Bleeke Bet ging eind 1917 in première, in het Flora-theater in de Amstelstraat, en werd Boubers eerste grote kassucces. “De eerste avond al moest Boda zijn ode aan de Westertoren bisseren. En het liep storm, het was een rage,” schreef de revue-auteur Rido (Philip Pinkhof) in een artikelenserie over Bouber in De Telegraaf. Boda was de zingende toneelspeler Harry Boda, die nog jarenlang de rol van Ko heeft vertolkt. De liedjes werden klassiekers, hetgeen in die dagen niet werd afgemeten aan de platenomzet - de meeste Nederlanders hadden immers nog geen grammofoon - maar aan de verkoop van de gedrukte bladmuziek. Precieze cijfers ontbreken, maar er moeten destijds duizenden exemplaren over de toonbank zijn gegaan. Voor de somma van 60 cent per stuk.

Volgens hetzelfde procédé schreef Bouber daarna Oranje Hein (1919) en De Jantjes (1920), opnieuw in de Jordaan gesitueerd en wederom met liedjes van Louis Davids en Margie Morris. De Jantjes werd, zoals Rido het formuleerde, “een onuitputtelijk succes”. Avond aan avond stonden er lange rijen bezoekers voor de deur van de Plantage Schouwburg. Al binnen een jaar kon Bouber zich de aankoop van een motorboot veroorloven, die hij dan ook dankbaar de naam De Jantjes gaf. Toen hij met dat vaartuig eens met pech in de gracht lag, riep een passant vanaf de wallekant spottend: “Je Jantjes in de Plantage lopen heel wat beter!”

De Jantjes bracht de Jordaan-romantiek van jofele jongens en mollige meiden in baaien rokken tot een hoogtepunt, al werd de buurt in liedjes als ‘Nou, tabé dan’, ‘Wordt nooit verliefd’ en het befaamde titellied niet rechtstreeks benoemd. Alleen in ‘Als de tros wordt losgesmeten’ is een verwijzing te vinden: “Als je ’t slanke, ranke puntje / van de Westertoren ziet / voel je voor ’t eerst hoeveel je / in je landje achterliet…” Als cabarethistoricus Wim Ibo die lyrische regels citeerde, liet hij nooit na eraan toe te voegen dat de tekstschrijver in Rotterdam was geboren en de componiste in Engeland. Ook zelf paste de uit Arnhem afkomstige Ibo trouwens in de lange rij van Amsterdammers die er niet werden geboren, maar nooit meer ergens anders wil(d)en wonen.

Een schilderachtige microkosmos

De roem van het Jordaan-repertoire uit de stukken van Bouber steeg tot schier onmetelijke hoogten, toen die in de jaren dertig tot geluidsfilms werden gemaakt. De nu door Johan Heesters aanbeden Westertoren, en de onder leiding van Fien de la Mar bezongen Jordaan brachten een stroom van films met liedjes op gang, waar alleen door het uitbreken van de oorlog een eind aan kwam. En de films met het meeste succes waren bijna allemaal gesitueerd in Amsterdam. Het was alsof het echte Hollandse volksgevoel synoniem was aan de hoofdstad - en vooral aan de Jordaan.

Louis Davids excelleerde intussen in een ander soort Jordaan-liedjes. Hij had het te druk gekregen om nog langer zelf zijn teksten te schrijven, en hij was te oud geworden om die liedjes zelf als een verliefde jongeman te blijven zingen. Anoniem had de productieve tekstdichter Jacques van Tol hem vervolgens aan een ander imago geholpen. “Toen Lou de charmeur op het toneel niet meer kon waarmaken,” zei Van Tol jaren later, “vond ik een andere benadering: de filosofische beschouwer. In de Jordaan-liedjes bijvoorbeeld liet ik hem uitsluitend als toeschouwer aan het woord, als buitenstaander die op een afstand de Jordaan door een monocle bekijkt.” Dat leidde tot de hilarische taferelen in nummers als ‘De olieman’, ‘De sweepstake’, ‘Naar de bollen’ en ‘Ome Ko heeft radio’, waarin de Jordaan één groot bekvechtend gekkenhuis lijkt te zijn, met omes en tantes die elkaar voortdurend naar het leven staan - om tenslotte toch weer in grote saamhorigheid feest te vieren in het café op de hoek. Ook die liedjes hielpen danig mee om de Jordaan tot de schilderachtigste microkosmos van Nederland te maken.

Of het allemaal ook enig verband met de werkelijkheid had, was langzamerhand volstrekt onbelangrijk geworden. Nog in de eerste helft van de jaren vijftig, vlak voordat Johnny Jordaan de grootste volkszanger van het land zou worden, speelde Wim Sonneveld elke zaterdagavond op de radio de orgeldraaier Willem Parel. Zijn tekstschrijver Eli Asser was een ras-Amsterdammer, maar Sonneveld kwam uit Utrecht en gaf slechts een namaak-Mokumse tongval ten beste. Maar in feite legde hij daarmee wel de loper uit voor Johnny Jordaan. Na de imitator kon het Nederlandse volk nu de echte Jordanees in de armen sluiten.

Achteraf denkt Jacques Klöters, dat de Jordaan-rage van vijftig jaar geleden veel te maken had met het tijdsgewricht. Wat er werd gezongen, had ook toen al weinig meer met de echte buurt te maken. “De teksten van de liedjes beschreven eigenlijk een Jordaan die al bijna niet meer bestond,” schreef hij. “Er werd een wereld in bezongen die Mokum heette en die gestoffeerd was met baaien rokken, stijfselkissies, bedsteden en porders. Die wereld had in de tijd van Bouber en Davids nog wel bestaan, maar was voornamelijk jeugdsentiment geworden. Men verlangde terug naar die veilige wereld, omdat die in de jaren vijftig ernstig bedreigd werd.”

Want ga maar na: 1955 was ook het jaar waarin Nederland voor het eerst kennis kon nemen van de uit Amerika overwaaiende rock-klanken. En op 12 augustus van datzelfde jaar introduceerde Jan Vrijman in Vrij Nederland, in een artikel over de opgeschoten Nieuwendijk-jongelui, het woord nozem. De eerste tekenen van de nieuwe jeugdcultuur waren zodoende al zichtbaar. Nog één keer konden de omroepen, de platenmaatschappijen en het publiek zich veilig wanen bij de traditionele klanken van accordeon en draaiorgel. “Ook vanuit dat oogpunt is de Jordaan-rage te begrijpen als een geweldige, laatste, winnende slag van de gevestigde generatie,” aldus Klöters.

Maar ook Johnny Jordaan, Tante Leen en Zwarte Riek hebben het tij niet kunnen keren. Hun navolgers bezingen niet meer de Westertoren, maar de liefde - en wat daarin fout kan gaan. Niet voor niets verkoos André Hazes de ruige klanken van de elektrische gitaar boven het traditionele idioom. “Voor mij geen accordeonnetje en zo,” zei hij eens. “Dat zeikerige is echt niks voor mij.”

Ze zongen destijds, in ‘Bij ons in de Jordaan’, dat de Amsterdamse humor nooit verloren zou gaan zo lang de lepel in de brijpot stond. Met andere woorden: zo lang er iets te eten op tafel stond, was de stemming opperbest. Maar wie weet nu nog wat een brijpot was?

H. van Gelder is journalist.

Literatuur
Henk van Gelder, De Spookschrijver. Nijgh & Van Ditmar, 2001
Bert Hiddema, Johnny Jordaan de biografie. Luitingh-Sijthoff, 2000
Jacques Klöters, Zo, zo, zo zingt de Jordaan. Buma/Stemra, 1997
Rido, ‘De Boubers’, De Telegraaf, 28 december 1955 t/m 4 januari 1956